is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1947, no 1, 21-09-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

erg veel van zijn a.s. vrouw en ook van haar kind en hij wilde desnoods beloven als een vader er voor te zullen zorgen, maar met een leugen kon hij zijn geweten niet bezwaren. Dat ging in tegen zijn geloofsovertuiging.

En omdat dit meiske dus een gelovig en principieel man tot echtgenoot krijgt, krijgt haar kind geen naam. Daar moet toch iets niet kloppen bij dit wetsvoorschrift.

En nu ben ik helemaal van mijn eigen naam-probleem afgedwaald, maar dat geeft niet, want als ik werkelijk in dat blad ga schrijven, dan zou ik niet alleen datgene, waar ik een oordeel over heb aan anderen willen doorgeven, maar ook de moeilijkheden, die ik in het dagelijks leven tegen-

kom en waar ik geen weg mee weet. Je kan nooit weten of ze niet eens gelezen worden door iemand met een kaal hoofd (u herinnert zich de hersens en de lange haren!) en mogelijk weet die ons dan aan een op-, lossing te helpen.

En wat ten slotte de naam onder dit stukje betreft, ik geloof, dat ik het maar aan de redactie zal overlaten, maar alstublieft niet „Tilly”, geachte Redactie, want ik hou wel erg veel van mooie jurken, maar er over schrijven kan ik niet. v. d. H.

T. en T. neemt als regel geen artikelen op, die ondertekening missen. Nu wordt van de Redactie verwacht zelf een ondertekening te bedenken, die onthullend èn maskerend is. We stellen voor v. d. H. Aan lezers en schrijfsters de last dit raadsel op te lossen.

Ik zag twee Films

Op één dag meerdere hoofdfilms zien, is meestal vermoeiend. Vervelend buitendien. Het eind’ van het liedje, of wel zo’n avond is, dat je kwaad bent op jezelf („weer mijn tijd verknoeid!”), kwaad op alie dames en heren uit het filmbedrijf, kwaad op alle rollende celluloidprenten; en op zo’n avond vind je je jeugdillusies („film kunst zijn”) en alle gepraat over filmkunst dwaas en belachelijk.

Een enkele keer kan het je overkomen, dat er één van de drie films goed is. En dan is alles weer goed. Dan denk je niet meer aan de leugens, de gebreken, de stupiditeit der andere rolprenten.

En een héél enkele keer kan het achterelkaar-zien van verschillende films een uitermate interessante les zijn. Van de week had ik een dergelijke leerzame avond een avond welke duidelijk maakte hóe schrikwekkend immoreel de éne en hoe eenvoudig menselijk een andere film kan zijn hoe grif een misselijk onzedelijk Höllywoodproduct door een tot in de laatste hoeken bezette zaal werd geaccepteerd en hoe een ontroerend zuivere film betrekkelijk onverschillig aanvaard, of bijna „niet aanvaard” werd met hoevéél geld een domme, onlogische, verderfeiijke, maar „elegante” en technisch perfecte film door een „meester” als Hitchcock gemaakt werd, terwijl voor de productie van die andere, eerlijke film, welke ten dele het karakter van een documentaire heeft, maar weinig geld nodig was.

Ik zag „Notorious” („Berucht) van de meester-regisseur Hitchcock met de sterren Ingrid Bergman en Cary Grant, en „Het gevangen hart”, een Engelse film over het leven van krijgsgevangenen. Overigens spelen beide films tijdens de oorlog. Maar ten aanzien van „Berucht” heeft dit feit eigenlijk weinig te betekenen. Deze film moet alleen daarom tijdens de ooriog spelen, omdat zodoende gelegenheid bestaat, een spionnageverhaal op te dissen, onder een masker van „patriottisme” Ingrid Bergman in 17 verschillende toiletten te laten optreden en haar samen met haar partner Cary Grant zoenlessen te laten geven, en scenarioschrijver plus regisseur de kans te geven een film op te bouwen op de grondslag van volstrekte immoraliteit. Misschien zijn zij er zich

niet eens van bewust, hoe onsmakelijk gegeven en strekking van „Notorious” zijn. Neen, er zijn geen girls te bewonderen met rokjes boven de knie; dergelijke showrommel is maar kinderspei, vergeleken bij „Notorious”, waarin een vrouw met een man gaat trouwen van wie zij niet houdt, terwijl zij van begin af aan een andere man bemint, die haar liefde beantwoordt, haar echter welbewust het huwelijk met de tegenspeler laat sluiten, zogenaamd terwiile van het welslagen van een spionnageplan (en „dus” van het Vaderland). Wanneer men alle omhulsels, manteltjes en maskers wegschopt, ziet men als kern van dit filmverhaal: een vrouw wordt verkocht, of verkoopt zichzelve; er wordt gespeeld met liefde op een wijze, welke beslist niet aanvaardbaar is. Geef me dan maar liever een van die ouwe rauw-realistische films „uit het leven van een prostitué”; daar gaat het tenminste eerlijker toe, daar wordt niet geschermd met „heldendom” en „intelligentie”,' met „vaderlandsliefde” en „mannentrots”.

Maar ja, ik heb heei wat damestoiletten gezien: mejuffrouw Bergman in badjas en avondcostuum, in dans japon en rijcostuum mejuffrouw Bergman droevig en jubelend, „stralend” en verfomfaaid, dronken en ongenaakbaar, kinderlijk en vampachtig, himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt en ik heb het éne noch het andere kunnen geloven. Meer getemperd, maar toch in de meest verschillende nuances is Grant te bewonderen. En zij met z’n tweeën zoenen elkaar bij tijd en wijle. Zij zoenen elkaar zeer uitvoerig, spelendkinderlijk, teder-bezorgd, hartstochtelijk-

wild; zij passen zelfs de neusje-neusjetechniek toe. Hartverscheurend om te zien. Beschikt u over voldoende fantasie? Denkt u zich dan maar de kns-repetities in, voordat de noodzakelijke volmaaktheid bereikt was. Ziet u de dikke Hitchcock ginds in de hoek van het atelier staan, hoort u hem schreeuwen tegen Bergman en Grant: die hartstochtelijke kus o verdoen! Was dat nou wild? En nü zachtjes aan! Nu vertederd, nu moederlijk! En nu, juffrouw Bergman, zuigend, vretend!! Neen, zo niet! Moet veel overtuigender zijn! Nog zuigender! En jij, Cary, hou stand, wees dapper! Brrr!

„Het gevangen hart” zag ik na „Berucht”. In deze Engelse film worden wij vertrouwd gemaakt met het leven van Engelse soldaten in een Duits krijgsgevangenenkamp; de Iptgevallen van vier dier gevangenen worden nauwkeuriger onder de loupe genomen. In een niet geforceerd rhythme, een rhythme dat geboren wordt uit het verhaal, uit het gebeuren zelve, wordt verteld van het leven van een collectiviteit. Er gebeuren geen schrikwekkende dingen, wij beleven geen sensaties. In het krijgsgevangenenkamp is het „alleen maar” vervelend, stom vervelend. En beklemmend wordt voor die gevangen mannen „alleen maar” de vrees vergeten te worden. Een pakket van het Rode Kruis, een brief van vrouw en kinderen: dit zijn de sensationele gebeurtenissen voor hen èn voor die toeschouwers, die eenvoudig genoeg zijn om zich door de eerlijkheid en eenvoud van deze film te laten ontroeren. Liefde? Hoe indrukwekkender, fantastischer is b.v. de liefde, welke in het hart van een der krijgsgevangenen ontstaat

voor een vreemde vrouw wier brieven hij leest en beantwoordt, hoe groter en overtuigender is deze liefde, verteld in een paar minuten en terloops, dan de „liefde” in „Notorious”. En over „spanning” gesproken: hoe vervelend is de hele spionnage-affaire, vergeleken bij het éne korte tafereel in „Het gevangen hart”, waarin om een uit Dachau ontvluchte van de wisse dood te redden, enkele kameraden hun eigen leven op het spel zetten om zijn naam op een repatriëringsiijst te plaatsen. Ook dit wordt als het ware terloops verhaald.

Zuiver is deze film en eerlijk, een gespeelde documentaire, harder en minder individualistisch toegespitst dan „La grande illusion”. Geen enkele episode wordt nodeloos gedramatiseerd. Echt als het leed is de humpr welke wij telkens weer tegenkomen in deze film.

Hoe schittert „Notorious” hoe moerassig-troebel is „Notorious”.

Hoe doods en monotoon is „Het gevangen hart” hoe schittert „Het gevangen hart”! H. WIELEK

„In het krijgsgevcttgenenkamp is het alleen maar vervelend". Scène uit de film „Het gevangen hart".

Wij menen, dat we zomaar kunnen bidden en als het niet vanzelf blijkt te gaan, laten we het tvtaal. Wij voeren lange gesprekken over de grootste onbenulligheden, maar achten een gebed van vijf minuien onoverkomelijk lang. Binnen de tijd van één minuut wordt „Het gebed des Heeren” afgeraffeld.

Uit Bidden van dr. A. Franken—Duparc. Uitg. W. ten Have, A’dam. i