is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1947, no 2, 04-10-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de oppositie, dan zitten wij in een hopeloze impasse, waar wij noch met eer noch met profijt uit zullen komen. De enige weg is die van internationale hulp, om met de constructieve elementen tot overeenstemming te komen. Maar in de regeringsverklaring wordt elke aanduiding van een wezenlijk actieve politiek gemist.

In de tweede ronde zei prof. Logemann nog, dat er een groot verschil bestaat in geestelijke instelling tegenover het Indonesische vraagstuk.

Voor de Partij van de Arbeid is het Indonesisch nationalisme primair en zijn de fouten van de Republiek secundair. De Partij van de Arbeid legt alle nadruk op onze positieve bijdrage tot de oplossing van het vraagstuk, de regering op de eisen, die onzerzijds gesteld moeten worden.

Ook deze woorden bevatten een zeer scherpe critiek op het regeringsbeleid. Zij betekenen niet minder dan, dat bij de regering de grote visie ontbreekt. Zij gaat voort op de hellende weg van 20 Juli. Zij loopt achter de feiten aan, wordt telkens tot concessies gedwongen, maar de opbouw van een nieuwe rechtsorde tussen twee volken op de grondslag van vrijheid en vertrouwen verdwijnt steeds meer uit het gezicht. Men legge de regeringsverklaring naast de resolutie van het laatste congres van de Partij van de Arbeid. In de eerste onroreken alle elementen, die de Party van de Arbeid onmisbaar acht voor een bevredigende oplossing van het probleem. Lang en mager noemt Paraat de regeringsverklaring, even lang en mager als minister Beel, die haar met monotone stem voorlas.

Deze verklaring is een lappendeken. leder krijgt zyn deel. Jan Schouten wat. Romme veel meer. De Party van'de Arbeid ook een lapje. Elk wat wils. Maar de eenheid ontbreekt en van een wezenlijke leiding, die deze verklaring zou geven, is geen sprake. Zy bevredigt geen mens. Het grootste gedeelte is een rechtvaardiging van het gevoerde beleid en een opsomming van de zonden der Republiek. Willen wij verder komen, dan moeten wij hiermee ophouden. Dan moet ook het internationaal overleg niet mokkend en weerstrevend, maar uit volle overtuiging aanvaard worden. De regering behandelt het vraagstuk nog veel te veel als een nationaal vraagstuk en schynt niet bereid of in staat, het te behandelen in het grote verband, waarin prof. Kraemer in zijn artikel en prof. Logemann in zijn rede het geplaatst hebben. Men heeft alleen oog, om de woorden van De Kadt te gebruiken, voor de kleine veiligheid en niet voor de grote veiligheid. De Republiek heeft de kleine veiligheid de orde en rust op Java en Sumatra in gevaar gebracht. Maar wy deden het de grote veiligheid, de verhouding tussen Oost en West. En wij denken met een Malino-politiek de zaak te redden.

Soebandrio waarschuwt ons. Zelfs wanneer Nederland het beste voor Indonesië wil, zal het moeten bedenken, dat vrijheid een ander woord voor zelfexprèssie is, d.w.z. dat een volk zich zelf wil verwezeniyken en niet dat Van Mook of wie ook en hoe goed ook bedoeld, de leiders van het volk zal kiezen, niet dat Van Mook zal dicteren hoe Indonesië geregeerd moet worden en zal bepalen wat voor het volk het beSte is. Dat wil men zelf doen.

Wat in de regeringsverklaring ontbreekt, is de loyale erkenning van de legitimiteit van het vrijheidsverlangende Indonesië en de bereidheid om bij de geboorte van een zelfstandig Indonesië uitsluitend als getuige en peetvader te fungeren.

Kernen!

Daartoe zijn wij tot op dit ogenblik niet bereid. En daarmee hebben wij ons niet alleen tegenover Indonesië, maar tegenover alle Aziatische volken gesteld. De Republiek is uitermate zwak en maakte grote fouten.

Nochtans is de Republiek het symbool van de vrijheid, die heel Indonesië verlangt. Er is geen voor Nederland -en Indonesië bevredigende en bevrijdende oplossing mogelijk, 'tenzij ons volk de Indonesische revolutie als een zedelijk gerechtvaardigde erkent.

Dit alles bepalende inzicht missen wij in de regeringsverklaring. Daarom moest zij wel worden een lange en magere ver-

Soms kan de benauwenis om het hart slaan, als wij door een drukke straat lopen of ’s avonds een stad naderen. Wat een mensen, wat een lichtjes, wat een eenzaamheid, wat een duisternis! Al deze mensen hebben hun werk, zorgen, hun kleine genoegens en hun groot verdriet. En tot die mensen behoren wy. Ook wy lopen door die drukke straat en ook wy rusten ten avond by onze krant, onze radio en onze met haar naaimand-worstelende vrouw. Wij allen liggen onder het beslag van nuttige sociale maatregelen. Gerooilijnde straten met goed plaveisel, huizen, onder het oog van de bouwpolitie opgetrokken, scholen, door de Overheid betaald. Maar de verbondenheden vluchten weg. Wij behoren bij een kerk, een religieuze vereniging, een schaakclub of by niets. Wy lezen kranten, die ruzie met elkaar maken en wij luisteren naar radio’s, die propaganda maken voor hun eigen standje, wil men: voor hun eigen beginsel, en wij noemen dat vrijheid. Maar de verbondenheden zijn zoek. Onlangs, sprekend over het jeugdwerk in een grote stad, vertelde mij een deskundige, dat in Rotterdam 30.000 jongens tussen 17 en 24 rondliepen, die nergens, helemaal nergens aan deden. En over tien jaren zullen dat 30.000 mannen zijn, opgevolgd door 40.000 andere jongens. Ach, wat vertel ik, wij weten deze dingen al te goed! Wij huiveren er voor, en daarom laten wij ze vaak niet tot ons denken toe.

De 19de eeuw ligt achter ons. Voor goed. De eeuw van het onderwijs. De eeuw, die nog tegen de laatste resten van middeleeuwse verbondenheden aanleunde, en daarom zo heerlyk optimistisch kon zyn. Die een pas-

klaring, die met een monotone stem werd voorgelezen. Daarom gaat er van deze verklaring noch op ons volk noch op Indonesië een appèl uit. Daarom luisterde ons volk met een grote mate van onverschilligheid.

Indonesië wordt vrij’ en zelfstandig. Nu of later. Maar indien wij blijven voortstrubbelen op de weg, waarop wij tot nog toe voortgesukkeld zijn, wordt het vrij en zelfstandig tot grote geestelijke en materiële schade van Nederland. Gemis aan grootheid in onze politiek. Dat is de nood van ons volk, terwijl het in de waagschaal ligt. J. J. BUSKES Jr.

sie had om de dingen duideiyk te maken. Om de duisternis van de onwetendheid te verdrijven. De eeuw, die de opstand der arbeiders bracht. De eeuw van het redeiyk willen. De eeuw van de HBS’sen en de Technische Hogeschool. De eeuw, die ruiifite om de mens schiep en dus vryheid.

Maar nu hebben wy te maken met de ruassa. Neen, laat ons die 19de eeuw mets verwyten. Latere geslachten zullen ons meer verwijten, dan wi3 ooit de 19de eeuw zouden kunnen doen. Wy hebben gaven gekregen, en wy hebb'en ze misbruikt.

En nu, na twee wereldoorlogen, midden in revolutionnaire ontwikkelingen, worden w'y', onmachtigen, gedrukt op de vraag, wat ons te doen staat. Wij, die deel hebben aan die massa, hebben er tegelijk verantwoordeiykheid voor. Want wij zien, dat dit mis moet lopen. Zonder bindingen is de massa prooi van wie met ketenen rammelt. Hitler heeft dat bewezen. Het is ons n.l. niet onverschillig, welke bindingen de mens heeft, wy hebben geen bezwaar tegen bridgeclubs en pandoeravondjes, maar wij juichen er toch niet over, ook al maakt men er een Internationale van. Zeker, het is beter dan niets. Maar het is weinig meer dan niets.

Een ding is zeker: tegenover het massale kan de remedie niet een nieuw soort massaliteit zijn. Massavergaderingen tegen Hitler hebben niets uitgericht. Ik begin zelfs bedenkingen te krijgen tegen grote demonstraties en ik hoop, dat ze niet tot de liturgie van het nieuwe socialisme gaan behoren. Want massa-demonstraties, die de bedoeling hadden bindingen te verschaffen en macht uit te oefenen, schieten hun doel voorby. Als ze aan hun grens komen en voor de oorlog was de socialistische arbeidersbeweging hiermee aan de grens wordt het sleur. Het is er mee, als met alle prikkels: slechts een steeds sterker dosis houdt de patiënt op peil.

Hiertegenover hebben wij de christensocialistën in verschillende gedaanten steeds de weg van de kernvorming gekozen. En ik meen, dat het tyd is thans, tegenover de massalisering, deze kernvorming als een geneesmiddel aan te wyzen. Een zéér belangryk geneesmiddel.

Kernvorming is iets anders dan cellenbouw. Het bedoelt geen macht uit te oefenen, maar'delen van een groter geheel voor byzondere vragen, speciale arbeid te stellen. Barchem, Bentveld, Kortehemmen en later De Vonk hebben dit gewild. Men kan er ais bezwaar tegen aanvoeren, dat het werK daar soms te intellectualistisch en te on-

„Want in zijn diepste grond is de jeugd \ j eenzamer dan de ouderdom”. Dit gezeg- \ de is mij uit een of ander boek bijgeble- j ven en heb ik waar bevonden.

Is het dan wel waar, dat de volwassenen \ het hier moeilijker hebben dan de jeugd? i Neen, dat is zeker niet waar. Oudere i mensen hebben een mening over alles I en wankelen niet meer in hun daden i door het leven. Wij jongeren, hebben i dubbele moeite onze meningen te handhaven in een tijd waar alle idealisme \ vernield en verpletterd wordt, waar de | mensen zich van hun lelijkste kant laten i zien, waar getwijfeld wordt aan waar- j heid en recht en God."

uit Anne Frank, Het achterhuis, A’dam Contact.