is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1947, no 2, 04-10-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bezonnenheid?

Is het omdat coll. Ruitenberg een dominee is, dat ik bij, het lezen van zijn brillante „Lof der luiheid” in T. en T. no. 50 steeds zoek naar een Bijbels voorbeeld? Ware hij een Indonesiër,' ik zou wellicht in de houding van hem, die zijn-arbeid verricht in de schaduw der zinloosheid, een bewijs vinden van Oosterse passiviteit en inertie. Nu echter zie ik achter de lofzanger der luiheid opdoemen de Bijbelse gestalte van Prediker. Hij ziet de arbeid, de drukte der mensen. Hij ziet hun boeken in de bibliotheek: mode-boeken, veelgelezen en snelvergeten. En met een sceptische glimlach proeft hij de zinloosheid van zoveel arbeid, zoveel inspanning, zoveel opwinding. Er is tenslotte toch niets nieuws onder de zon; ijdelheid der ijdelheden

Doch laat ik hier dadelijk iets aan toevoegen. Want er zit mèèr in dat wat R. „luiheid” noemt. Het is ook mèèr dan scepsis. Zijn zijn woorden niet een uiting van'een dóór velen in deze tijd diep gevoelde behoefte aan bezonnenheid? Als dè,t het is, dan begrijp en aanvaard ik gaarne de „luiheid”.

Het politieke leven heeft ons allen in zijn greep. Fel boksen de meningen op elkander. Standpunt staat tegenover standpunt. De massa (en niet alleen de onontwikkelde massa!) oordeelt snel. Onze oordelen berusten in vele gevallen eerder op politieke hartstocht, op partijdige vooringenomenheid, op 'een behoefte tot handhaving van eenmaal ingenomen posities dan op redelijke bezinning en zedelijke waardebepaling. "Vandaar alle Rechthaberei en Prinzipienreiterei. Het valt vaak op, vooral in gesprekken over „het” vraagstuk van de dag, het Indonesische probleem, dat velen niet meer in staat zijn tot werkelijk luisteren en werkelijk iezen. Men vraagt alleen naar een pro of contra, bij het lezen Van een artikel of bij het aanhoren van toespraak of preek, zonder nog het vermogen te hebben om te luisteren naar de motieven en beginselen. Dit alles brengt die nerveuze en fel bewogen opgewondenheid te weeg, welke ons leven geheel verpolitiekt. Familietwisten ontstaan; godsdienstoefeningen worden verstoord doordat gegriefde gelovigen opstaan en heenwandelen of zelfs wel de Predikant interrumperen. O, verlos ons van al deze bedrijvigheid, geef ons de luiheid? De bezonnenheid!

Er is echter ook nog een andere kant aan deze zaak. Wanneer ik intellectuelen glim-

lachend of schouderophalend hoor spreken over politieke vooroordelen en eenzijdigheid, dan is er iets in me, dat zich daartegen verzet. De bezonnenheid schuwt het lichtvaardige oordeel en zoekt naar veelzijdigheid en objectiviteit. Maar het gevaar ligt hier aan de deur, dat deze vlucht naar de helaas nog maar kleine on-politieke sector van het leven tevens een vlucht uit de verantwoordelijkheid is. Niemand zal er aan denken, Ds. Ruitenberg hiervan te betichten. Anderen echter ontkomen aan dit gevaar niet. Men wil zó gaarne de dingen van alle kanten bezien, alle partijen recht doen, de tegenstander het volle pond geven, dat men tenslotte aan het oordeel en aan de beslissing niet meer toe komt. Dat een der gelijke heuding van intellectuele bezonnenheid en academische objectiviteit aan de ene zijde een kalmeringsmiddel tegen de rabies politica (politieke woede) aan de andere kant tot onvruchtbaarheid moet leiden en daardoor ogk zijn plicht verzuimt, aan de massa’s leiding te geven, is duidelijk. In zijn sterk-

ste vorm leidt deze houding tot het bekende individualisme, dat trots is op politieke abstinentie en dat zich van de zaak afmaakt met de mededeling, dat politiek toch maar een vuile zaak is. Voor wie de wereld niet groter is dan zijn huisje met zijn tuintje, hij mag zich hierin gelukkig voelen. Onze tijd draagt ons echter een taak op: met alle bezonnenheid en met volledige aanvaarding van zedelijke en religieuze beginselen èn hun tragiek in deze wereld te oordelen; voorzichtig, veelzijdig, begrijpend, maar zeer beslist en zonder aarzeling. Onze tijd vraagt van ons een keuze, die wij, na hoeveel innerlijke strijd dan ook, tóch zullen moeten doen. Het is een waagstuk, in deze tijd te staan als levend, mee-levend, handelend en strijdend mens. Maar God roept tot bezinning èn daad. En de nood van onze tijd èn de roepstem Gods zijn beide waard, dè,t wij het wagen met de daad.

Met die bedrijvigheid, welke geadeld is door de bezinning uit onze „luie” uren. H. J. DE WIJS.

Enige weken geleden bracht een negental Indonesische padvinder s-leiders, enige Javanen, een Indo-Europeaan, enige Chinezen en 2 Ambonnezen een bezoek aan Groningen. Wij waren onmiddellijk goede vrienden, vanzelfsprekend onder padvinders. Bij ons bezoek aan de Martinikerk legde één der arbeiders zijn schop neer, waarmee hij bezig was cement te mengen voor de restauratiewerken, tikte één der Javanen op de schouder en zei, zonder inleiding: „Ik hoop, dat het maar gauw weer in orde komt tussen jullie en ons, mijnheer.” Bij het afscheid aan de trein zei de leider van het gezelschap: „Dat we onder padvinders goede vrienden zouden maken, hadden we wel verwacht. Maar dat het hele Nederlandse volk zo sympathiek staat tegenover het onze, dat zullen we thuis vooral vertellen.”

Zo schrijft ons een T. en T.

lezer uit Groningen.

Scholing en studie in de partij

Naarmate een partij zich consolideert, komt het vraagstuk van de scholing en de studie meer naar voren. Nu de Partij van de Arbeid in de anderhalf jaar van haar bestaan langzamerhand In geregelde banen komt, wordt daarmede ook het vraagstuk van de diepergaande bezinning stepds meer actueel.

Het vraagstuk van de scholing en studie omvat eigenlijk drie onderdelen. Op het hoogste, meest wetenschappelijke vlak mdeten „zware” studies worden geleverd over onderwerpen, die' voor de principes van het democratisch socialisme van de meest wezenlijke betekenis zijn. Als tweede onderwerp komt daarnaast de scholing van het gehele kader en ik mag er wel aan toevoegen: en van het toekomstige kader van de Partij. Die kaderscholing geschiedt uiteraard niet op dezelfde academische wijze als de studie van het eerste onderdeel, maar zij is daarom niet minder belangrijk. Zij is betrekkelijk eenvoudig en schoolmeesterachtig en verwerkt de resultaten van het wetenschappelijke onderzoek. In twee opzichten echter gaat de kaderscholing zelfs verder dan de wetenschappelijke studie. Zij moet een compleet beeld leveren van het democratisch socialisme, terwijl de wetenschappelijke studie het beste kan beginnen met bepaalde belangrijke onderwerpen afzonderlijk te behandelen. Voorts kan de kaderscholing zich niet vergenoegen, zelfs voorlopig niet, met détailkwesties, maar zij moet een volledig beeld leveren, ook al zal dat in de toekomst telkens weer moeten worden getoetst aan het nadere wetenschappelijke onderzoek. Ons socialisme is immers geen dode dogmatiek, maar een inzicht in de levende werkelijkheid, gepaard gaande met de vaste wil om deze te veranderen. Naast deze eerste twee grootheden staat een derde onderwerp, dat men bij scholing en studie kan onderbrengen, hoewel het eigenlijk meer de resultaten daarvan gebruikt en naar de kant van de propaganda neigt. Ik bedoel de voorlichting van het gewone partijlid, dat niet tot het kader behoort en daartoe ook niet wenst te behoren, en de voorlichting van de gemid-

delde Nederlander, die iets meer wil weten over de Partij van de Arbeid, wat zij wil en wat zij doet. Dat laatste onderwerp is niet minder belangrijk dan het werk van onze wetenschappelijk geschoolde partijgenoten en van ons ganse kader. Het meest intensieve geestelijke werk kan nu eenmaal altijd slechts door een betrekkelijk kleine groep worden gedaan maar ook de anderen en ook de buitenstaanders hebben beknopte, vlotte, duidelijke en overtuigende voorlichting over de Partij en haar werk nodig. Denk maar eens aan de uiterst eenvoudige, maar zeer suggestieve pamfletjes (het zijn dikwijls niet meer dan vouwbladen), welke onze Engelse zusterpartij over verschillende onderwerpen voor verschillende bevolkingsgroepen uitgeeft. Wanneer men kijkt naar de omvang van het werk, is men geneigd, de kaderscholing en de voorlichting van de eenvoudige partijgenoten en van de buitenstaanders belangrijker te achten dan het leggen van de wetenschappelijke fundamenten. Het laatste woord verraadt echter al, dat het bij de eerste groep gaat om de meest wezenlijke beginselen. Het wetenschappelijke werk blijft uit de aard der zaak wel meer in de schaduw dan de andere twee onderwerpen, maar het is er niet minder fundamenteel om.

Zowel naar de zijde van de „democratie” als naar de zijde van het socialisme zijn er nog principiële vraagstukken genoeg, die om nadere voorlichting vragen. Wat het socialisme betreft, spreekt dat al heel sterk, omdat wij eigenlijk nog steeds niet weten wat wij voor 1947 als definitie van het socialisme moeten aanhouden. Dat bleek wel op een conferentie over de grondslagen van het socialisme, welke de Dr. Wiardi Beekman Stichting onlangs in Amsterdam hield.

Over het begrip democratie denken wij gemeenlijk iets beter ingelicht te zijn. Maar toch zijn de sociologische grondslagen er van nog veel te weinig onthuld. Hoezeer wij ook beminnen, wij moeten op grond van de recente historie helaas erkennen, dat zij alleen tegen de achtergrond van een bepaalde vorm van samen-