is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1947, no 3, 11-10-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Heer behoort de aarde en haar i volheid. Psalm 24 : 1 y

|ïi<l en Taak

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR EVANGELIE EN SOCIALISME

TEVENS ORGAAN VAN DE PROTESTANTS CHRISTELIJKE WERKGEMEENSCHAP

Zaterdag 11 Oct. 1947 No. 3 Verschijnt 50 maal per jaar 46ste jaargang van De Blijde Wereld Redactie Prof. Dr. W. Banning Ds. J. J. Buskes Jr. Ds. L. H. Ruitenberg Mr. G. E. V. Walsum Secr. der redactie: J. G. Bomhoff, Roerstraat 48 111 Tel. 24386

Ab. bij vooruitbet. p.j. ƒ8.—, haljj. f 4.25, kwart, f 2.30 pl. f 0.15 inc. Losse nrs fO.IS, Postg. 21876, Gem. giro V 4500, Adm. N.V. De Arbeiderspers, Hekelveld 15, A’dam-C.

Principiële politiek

In de Tweede Kamer zijn in de gepasseerde week twee wetsontwerpen aan de orde gekomen waarbij de diepere levensbeginselen ter sprake kwamen en die dus met het oog op de strijd voor of tegen de christelijke politiek van belang zijn.

Het eerste wetsontwerp ging over de herverkaveling van Walcheren. Het is de bedoeling de landbouwbedrijven op dit zwaar getroffen eiland zo in te delen, dat een einde wordt gemaakt aan de versnippering, die daar op het ogenblik heerst en dat bedrijven worden verkregen, die behoorlijk te exploiteren zijn. Het gevolg daarvan zal zijn dat niet alle boeren, die daar vroeger gevestigd waren, op Walcheren zullen kunnen blijveji. Men hoopt de boeren, die op Walcheren geen bestaan meer kunnen vinden, in de gelegenheid te stellen zich elders te vestigen, waarbij in de eerste plaats gedacht wordt aan de Noord-Oost-polder. De verwachting is dat men deze overplaatsing langs de weg van de vrijwilligheid zal kunnen effectueren', maar voor het geval dat anders zou lopen opent het wetsontwerp de mogelijkheid van het toepassen van dwang. Hiertegen nu rees bij een gedeelte van de Kamer bezwaar. Sommigen zagen hierin een aantasting van de eigendom. Het anti-revolutionnaire Kamerlid Van den Heuvel drukte het zo uit, dat de grondeigendom een van de belangrijkste dingen is die men in hebben te ontzien en dat het volkomen verkeerd is daarmee lichtvaardig om te springen. En hij het daarop volgen; „Met name wordt dit zeer verkeerd geacht van de mensen, die dezelfde levensovertuiging hebben als ik belijd en die weten, dat er in de Heilige Schrift over geen ding zo getoornd wordt na de ontheiliging van Gods naam dan de aantasting van de eigendom, wanneer deze op onrechtvaardige wijze geschiedt.”

Door deze laatste toevoeging verliest het betoog veel van zijn scherpte, want wie zou de eigendom op onrechtvaardige wijze willen aan tasten? Wij doen echter goed ons hierdoor niet te laten afleiden. Uit de handelingen van de Tweede Kamer blijkt n.l. dat de Minister van Financiën na deze uitspraak van den heer Van den Heuvel een gebaar heeft gemaakt waaruit viel af te leiden, dat dit hem toch wel wat 4 al te machtig was. Want de heer Van den Heuvel

gaat daarop in en verklaart dan nog eens dat hij er groot bezwaar tegen heeft, dat men mensen die een eigendom hebben, deze kan ontnemen.

Men mag daarom veilig aannemen, dat de heer Van den HeuVel het als een onrechtvaardige aantasting van de eigendom ziet, wanneer in het belang van een rationele bedrijfsindeling bepaalde boeren gedwongen kuimen worden zich elders te vestigen. De vermogenstoestand van degenen op wie deze maatregel wordt toegepast is daarna dezelfde als tevoren. Er wordt hun niets ontnomen. Zij worden alleen gedwongen afstand te doen van de eigendomsrechten op een bepaald stuk grond.

Wanneer de toepassing van een dergelijke maatregel geboden is zal men altijd met zorgvuldigheid te werk moeten gaan, zoals bij elk ingrijpen in de particuliere sfeer. Nog in bijzondere mate geldt dat wanneer de verhouding van de boer tot zijn grond in het geding is, omdat de band' tussen de boer en de grond een speciaal karakter heeft en het algemeen belang er mee gediend is dat dat in het oog gehouden wordt. Dat is niet alleen van toepassing wanneer de eigendomsverhouding in het geding, is, maar ook als de band tussen de boer en de grond op een pachtovereenkomst berust. Vandaar dan ook dat het goed is dat de v/et de pachter beschermt voor lichtvaardige opzegging van de huur.

Maar het is toch wel uiterst bedenkelijk dat men een maatregel als in de Herverkavelingswet Walcheren is opgenomen bestrijdt met een zo volkomen ongefundeerd beroep op de Heilige Schrift. Het is onbegrijpelijk dat men niet beseft, dat men, wanneer men op deze wijze voor de eigendom In het krijt treedt, de zaak van Jiet Christendom schade doet. En dan verbaast men zich er nog over dat er christenen zijn, die zich van de christelijke partijen afwenden!

Het tweede geval betrof het ontwerp :Zweminrichtingenwet 1947. Dit wetsontwerp stelt de oprichting en openstelling van zweminrichtingen afhankelijk van een vergunning ten einde de Overheid de gelegenheid te verschaffen waarborgen te verlangen ter beveiliging van het leven en de gezondheid. Bij de behandeling van dit wetsontwerp kwamen de Rooms-Katholieken met een amendement, dat de ge-

meentebesturen de verplichting oplegt uren vast te stellen waarop de beide geslachten afzonderlijk kunnen zwemmen. Men wilde dus de wet tegelijkertijd dienstbaar maken aan de bescherming van de openbare zedelijkheid. Dit amendement vond een meerderheid in de Kamer met het gevolg dat Minister Drees schorsing van de beraadslagingen heeft gevraagd, wat betekent dat er grote kans is dat het wetsontwerp zal worden teruggenomen. Zoals men weet hebben de gemeentebesturen thans reeds de mogelijkheid ten aanzien daarvan voorschriften te geven, maar dat was de meerderheid varx de Kamer niet voldoende Zij wenste dat dit dwingend werd voorgeschreven.

Men kan over gemengd zwemmen en over zonnebaden natuurlijk verschillend denken. Persoonlijk sla ik de daaraan verbonden gevaren niet zo hoog aan, dat ik er bezwaar tegen zou maken. Wel acht ik een behoorlijk toezicht gewenst. In elk geval hebben wij hier naar mijn mening niet te doen met een probleem van zodanig gewicht, dat de zaak niet aan het initiatief van de gemeentebesturen kon worden overgelaten en dat, nog wel tegen de wens van de minster in, het opnemen van een voorschrift in deze wet, die een heel andere materie bedoelde te regelen, moest worden geforceerd. Ware ik in de Kamer aanwezig geweest, dan zou ik zonder tWijfel met de grootst mogelijke meerderheid van onze Kamerfractie tegen het amendement-Stokman hebben gestemd.

Maar waar ik buitengewoon ernstige bezwaren tegen heb is, dat wanneer het gaat om zaken van deze orde alles wat christe-, lijk is in de Kamer te hoop loopt. Zo blijft men voortgaan naar buiten de indruk te wekken dat dit de zaken zijn, waaraan het christendom het meeste gelegen is. Ik kan het niet helpen, maar deze ijver ligt voor mij in de sfeer van het Bijbelwoord over het zwaardere der wet, dat men laat liggen. Er zijn als het gaat om de gehoorzaamheid aan de geboden Gods waarlijk wel dingen, die belangrijker zijn.

Ik moet hier nog één ding aan toevoegen. Bij de stemming over het amendement-Stokman hebben zich twee leden van de „rechterzijde” daartegen verklaard te weten de heren Krol en Schmal. Het is mij niet bekend op grond van welke overwegingjen deze beide Christelijk-Histo)rischen tegen het amendement hebben gestemd. Zij hebben hun stem niet gemotiveerd. Maar indien hun bezwaren zich zouden bewegen in de richting van de mijne, zou ik mij daarover van harte verheugen omdat dat het bewijs zou zijn, dat men in de Christelijk-Historische kring nog oog heeft voor bezwaren en gevaren van dit soort principiële politiek.

V. W.