is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1947, no 8, 15-11-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

<ien Heer behoort de aarde en haar i volheid. \ Psalm 24 : 1 /

fyd en Taak %

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR EVANGELIE EN SOCIALISME

TEVENS ORGAAN VAN DE PROTESTANTS CHRISTEL IJ KE WERKGEMEENSCHAP

Zaterdag 15 Nov. 1947 No. 8 Verschijnt 50 maal per jaar 46ste jaargang van de Blijde Wereld *

Redactie Prof. Dr. W. Banning Ds. J. J. Buskes Jr. Ds. L. H. Ruitenberg Mr. G. E. V. Walsum Secr. der redactie: J. G. Bomhoff, Roerstraat 48 111 A’dam.Z. Tel. 24386

Ab. bij vooTuitbet. p.j. f B.—, halfj. f 4.25, kwart, f 2.30 pl. f 0.15 inc. Losse nrs f 0.15, Pasta. 21876, Gem.giro V 4500, Adm. N.V. De Arbeiderspers, Hekelveld 15, 'A’dam-C.

Theocratisch-Socialistisch ?

De vorige week heb ik geprobeerd, schrijvende over de Protestantse Unie, Prof. van Ruler zo dicht mogelijk te benaderen. Ik stelde het toen zo: ik aanvaard dat de geboden en beloften Gods ook de inrichting van staat en maatschappij behoren te beheersen. Dat brengt met zich dat ik op het standpunt sta, dat het socialisme eerst dan tot rijke en volle ontplooiing kan komen wanneer het wortelt in het christendom.

Ik kon echter niet aanvaarden dat dit de consequentie met zich brengt dat men zich op deze grondslag in een afzonderlijke partij moet organiseren en beloofde dat in een volgend nummer nader te motiveren.

Dat ga ik doen in een betoogtrant, die ik heel nuchter en zakelijk zal houden. Ik moet met beide benen op de grond blijven, of beter want het kost mij niet zoveel moeite —: ik moet de professor dwingen met beide benen op de grond te blijven. Het is prof. van Ruler er om te doen, dat hij en U en ik, niet alleen in ons particuliere bestaan, maar ook in het openbare leven naar God zullen luisteren en Hem zullen gehoorzamen. En niet alleen van ons verlangt hij dat, maar ook van al die anderen, die zich van God niets aantrekken en mogelijk zelfs niet eens van Hem gehoord hgbben. Dat is geen bezwaar: de kerk zal ons allen gelovigen en ongelovigen er wel o<ier inlichten wat God van ons vraagt en als met name de Overheid dat nu maar goed ter harte neemt, dan krijgen wij vanzelf weer een samenleving, die het merkteken van het christendom draagt. Prof. van Ruler realiseert zich ten volle dat wij in een gebroken, zondige wereld leven en dat wij hier op aarde het Koninkrijk Gods niet kunnen stichten. Hij houdt er derhalve rekening mee dat in een gekerstende of herkerstende samenleving christelijke en heidense elementen dooreengestrengeld liggen.

Prof. van Ruler weet natuurlijk ook heel goed, dat wat hij wil op het ogenblik niet is te bereiken. Pas wanneer de meerderheid van het volk voor zijn visie gewonnen zou zijn, zou deze in wetgeving en bestuur zijn door te voeren. Hij zal er zich dus voorshands toe moeten 'bepalen te proberen voor zijn visie aanhang en gezag te verwerven. Dat zal de kerk moeten doen door haar verkondiging en onderwijzing. Daarnaast wil hij een politieke partij, die deze visie in het staatkundige leven uitdraagt en propageert. Als deze partij maar sterk genoeg wordt, kan zij een machtsfactor worden in deze zin, dat zij door haar gewicht in de schaal te werpen, kan af-

dwingen, dat met haar opvattingen in meerdere of mindere mate rekening wordt gehouden.

Aldus kan men voor de verleiding komen te staan om door de aanwending van politieke machtsmiddelen door te zetten wat de volksovertuiging zich nog niet of nog niet voldoende eigen heeft gemaakt. Dit nu is op zich zelf niet in alle omstandigheden verwerpelijk, maar waar het geloof in het geding is moet het principieel worden afgewezen. Zelfs wanneer men over de helft plus één beschikt mag men dat niet doen. Ons volk moet voor Christus gewonnen worden, zeker, maar door de werking van Gods geest en niet door politieke kracht en politiek geweld.

Dit houd ik staande terwijl ik tegelijkertijd met nadruk afwijs de neutraliteit van de staat. De Overheid heeft met betrekking tot het zedelijke en geestelijke leven van het volk wel degelijk een taak: zij moet dit bevorderen en in positieve zin beïnvloeden. Zij gaat geenszins buiten haar boekje wanneer zij door haar maatregelen tracht de ontwikkeling van het zedelijke en geestelijke leven van het volk in een bepaalde richting te sturen. Een gezonde en krachtige samenleving is slechts mogelijk wanneer zij steunt op een complex van gemeenschappelijke waarden, dat zo breed en omvattend mogelijk behoort te zijn.

Daarom kunnen en mogen wij geen genoegen nemen met die visie op de structuur van het volksleven wier hoogste ideaal het is een vrije en onbelemmerde ontplooiing te waarborgen voor de grote geestelijke stromingen, die zich in het volk openbaren en de taak van de Overheid beperkt ziet tot die van de politieagent, die het verkeer tussen de verschillende geestelijke stromingen regelt op die punten waar ze met elkander in botsing kunnen komen. ■Wanneer wij van geestelijk federalisme spreken, dan willen wij inderdaad de verschillende geestelijke schakeringen in ons volksleven tot hun recht laten komen, maar willen wij dat mede omdat wij verwachten, dat zij hun bijdrage zullen leveren tot de vorming van de gemeenschappelijke overtuigingen, die het volksleven zijn richting moeten geven. Niet om geestelijke uniformiteit is het ons te doen, maar wij willen ook niet dat de verschillende geestelijke stromingen geïsoleerd naast elkander leven; wij willen niet dat zij naast elkander maar met elkander leven en wij aanvaarden bewust en met vreugde de spanningen, welke dat met zich brengt, omdat die spanningen het volksleven verdiepen en versterken.

Zelfs ten aanzien van het godsdienstige leven heeft de Overheid een taak. Zij moet er voor zorgen, dat dit zich viyj kan ontplooien. Zij moet ruimte scheppen voor de verkondiging der kerk en al datgene doen wat de kerken in de vervulling van haar roeping kan helpen en nalaten wat haar daarin kan hinderen. En dat omdat zij erkent dat die verkondiging voor het volksleven van wezenlijke betekenis is.

De Overheid moet zich bij de vervulling van haar taak ten aanzien van het zedelijke en geestelijke leven van het volk niet slechts onthouden van gewetensdrang, maar zij behoort ook de geestelijke vrijhéid te eerbiedigen. Het begrip geestelijke vrijheid heeft geen constante inhoud; die kan naar tijd en plaats verschillend zijn; maar het is er niet minder reëel om. Zonder geestelijke vrijheid wordt de samenleving on verdragelijk. De mogelijkheden van de Overheid tot beïnvloeding van het zedelijke en geestelijke leven worden beperkt door wat de volksovertuiging dragen kan. Hierover kan gemakkelijk verschil van mening bestaan, maar hier ligt een grens, die erkend moet worden.

Tegen de achtergrond van deze beschouwingen laten zich mijn bezwaren tegen het standpunt van Prof. van Ruler in enkele punten samenvatten:

1. Prof. van Ruler onderscheidt onvoldoende de taak van de kerk en die van een politieke partij. De kerk moet getuigen en de politieke partij moet zaken doen. De politieke partij moet rekening houden met gegevenheden, waarmede de kerk niet behoeft en soms ook niet mag rekenen. Met betrekking tot de herkerstening van het volksleven kan de politieke partij nooit meer bereiken dan de kerk eerst heeft» mogelijk gemaakt.

2. Prof. van Ruler komt doordat hij eenzijdig de nadruk legt op het theocratische element, waardoor hij zich bevrijdt van spanningen, die nu eenmaal niet te ontlopen zijn, in de lijn van de christelijke partijen en verleent daardoor tegen wil en dank steun aan de antithesegedachte, die door hem wordt afgewezen.

3. Prof. van Ruler plaatst zich, als het meer is dan Spielerei wanheer hij zich socialistisch noemt, met de Protestantse Unie politiek gesproken in de positie van de secte en berooft zich van de mogelijkheden om het socialisme christelijk te beïnvloeden, welke hij zou hebben als hij zich schaarde in de socialistische beweging. 4. Prof. van Ruler is blind voor de gevaarlijke situatie waarin West-Europa zich bevindt, omdat hij anders zou begrijpen, dat het behoud van de elementaire voorwaarden voor persoonlijkheid, menselijkheid en gerechtigheid in dit tijdsgewricht belangrijker is dan de vraag hoe van de theocratische gedachte het maximaal bereikbare is te verwezenlijken.

V. W.