is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1947, no 8, 15-11-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik hen een letter, ergens in een grote, dikke roman. Mijn eigen betekenis ken ik niet, noch de betekenis der weinige naburige letters, die ik van mijn plaats af kan zien. Ik weet niet tot welke lettergreep wij behoren, waaruit met andere lettergrepen, het onbekende woord wordt gevormd, dat ons omvat en met ontelbare andere onbekende woorden de regels van het boek vormt, die zijn bladzijden regelmatig vullen. Omdat ik niet eens de zin en betekenis van de letter ken, die ik zelf ben, hoe zou ik iets van de zin van de gehele grote, dikke roman kennen, van zijn handeling, indeling, van zijn opbouw, het begin en einde, de verwikkelingen en oplossingen, de hoofd- en bijfiguren en hoe iets van zijn schrijver? Omdat ik echter toch een letter van het grote geheel ben en als in een geheimzinnige reidans mijn voor mij onbekende buurletters aan de hand houd, omdat ik dus in verband sta, in de onafgebroken voortzetting van de mij verborgen geschiedenis, daarom vervult mij het vaste weten', een zinvol deeltje te zijn, dat door het lezend-schrijvend oog buiten het boek zonder moeite wordt ontcijferd en verbonden. Dat oog ziet stralend naar mij, en zo voedt de kleine letter de zekere hoop, neen het trotse vermoeden, dat hij niet alleen het grote Geheel noodwendig dient, maar ook dat hij met zijn eigen nietig bestaan de onmetelijke ondoorgrondelijke zin van het Geheel bevat.”

Franz Werfel: Zwischen Oben und Unten, hlz. 202-2]

I

In dit al te korte artikel vraag ik een ogenblik aandacht voor de levensgang van „een modern mens”, die onder ons geleefd en geleden heeft als een vurig Godzoeker en een overtuigd verkondiger: Frans Werfel, wiens toneelstuk „Paulus onder de Joden” verleden winter nog in ons land is gespeeld. Tot een al zijn werk omvattende en hem recht doende bespreking acht ik mij onbevoegd; ik wil alleen maar zeggen: zie, ook dit gebeurt in de wereld van nu

met haar mateloze ellende en verwarring. Franz Werfel, ik meen Oostenrijker, althans lange jaren in Wenen woonachtig. Jood, uit een burgerlijk, liberaal, geassimileerd milieu waarin hij niet past. Te diep is hij verontrust door het lijden in de wereld der mensen, te zeer martelt hem de tragiek van ons bestaan, om in liberaal optimisme en burgerlijke zelfgenoegzaamheid besloten te blijven. Te hartstochtelijk ook brancit in zijn ziel de Joodse godsdienstigheid, het worstelen om God als laatste vastheid, het zalig-martelend verlangen naar de gemeenschap met de Eeuwige. Zo lees ik het uit zijn laatste boek „Zwischen Oben und Unten”, waarin hij in een paar lezingen en „Theologumena”, korte spreuken over godsdienstige problemen, zich rekenschap geeft van zijn levensloop en de daarin verworven of ontvangen zekerheden.

Eerst een afrekening met de tijdgeest, met het „naturalistisch nihilisme” daarin als hoofdstroming, d.w.z. de theorie en practijk, dat er geen volstrekte zedelijke waarden gelden, dat er geen God is noch menselijke verantwoordelijkheid, dat het leven in zijn felle natuurlijkheid moet en mag worden uitgeleefd... Werfel kent dit nihilisme uit ervaring: het was de sfeer der burgerlijkheid waaruit hij stamt, het was de sfeer van talloze ontwortelde artisten evenzeer, het was ook de sfeer van kwasirevolutionnairen, die door de maatschappij wat onbarmhartig waren behandeld en nu het protest van het egoïsme aanzagen voor scheppende opstandigheid. Lees nu het verhaal van Werfels eigen innerlijke strijd in het hoofdstuk, dat heet: „Realisme en Innerlijkheid”. Zie dat hooggeprezen realisme als de leidende „idee” van het burgerlijke tijdvak, uitgedrukt met het woord „zakelijkheid”, verbonden met een alle kracht en aandacht opeisende „arbeid”. Maar zie ook welk een verarming daarin ligt: in tijden, die aan ’t burgerlijk tijdvak voorafgingen, heeft men geweten van ridderlijkheid en religieuze innigheid de burger weet daar geen raad mee, zoals hij geen raad weet met vrije tijd (daarvoor moet een mens „kapitalist aan innerlijkheid” zijn). Tegenover de zakelijkheid van het realisme: de innerlijkheid, de sfeer van de geestelijke mens met religie, wetenschap en kunst al is met name de wetenschap in haar moderne vorm afvallig, de slavin van het realisme, geworden ...

Franz Werfel

Daarop volgt dan een tweede rede, die de eerste aan vult: „Kan de mens leven zonder Godsgeloof?” Er staan in dit stuk stellig uitingen, waarbij een „theoloog” zijn voorhoofd behoort te fronsen: „het goddelijke is een zachte muziek van het innerlijkst der ziel, muziek die gehoord kan worden, maar niet gehoord moet worden. Om haar te verstaan, is nodig een openstellen van het geestelijk gehoorsorgaan, een besluit, een daad van onze wil”. Sprekend over de nood en de ziekte van deze tijd, komt de merkwaardige belijdenis: deze wereid, die zich beschaafd noemt, kan naar de ziel alleen genezen worden, indien zij de weg naar het ware Evangelie terugvindt. Waarom? ... omdat de leer van Christus niet alleen niet uitgeput, maar naar haar diepte nauwelijks vermoed is. Omdat zij hemelhoog uitgaat boven alie stromingen van deze tijd, naar metafysische en zedelijke waarden.”

Aan het bovenstaande moet nog een zeer wezenlijk moment worden toegevoegd: Werfel blijft, ondanks zijn belijdenis van Christus, Jood. Overgang tot de Christelijke kerk zou hij verraad achten, niet aan een nationale of sociale idee of groep, maar aan het diep-smartelijke mysterie van het oude Volk des Verbonds. Een Jood, die tot het doopvont nadert, deserteert op drievoudige wijze. Ten eerste deserteert hij in wereldse zin uit de partij der zwakken, der vervolgden, en tot een bepaalde smadelijke en smartelijke wijze van bestaan in de historie verkozenen; verder deserteert hij uit dat Israël, dat in zijn diepten reikt tot Abraham, Izaak en Jacob, uit het Gods volk dat eeuwig wordt vervolgd en vermoord om der wille van zijn God; ten derde ontvlucht een Jood, die zich laat dopen, Christus zelf, omdat hij willekeurig zijn historisch lijden onderbreekt, en te haastig de Verlosser terzijde treedt op een wijze, die in het heilsdrama niet is voorzien; hij hoort daar naar Gods heilige wil wellicht niet, althans noff niet, niet hier en nu ...”

Ik hoor onze lezer al protesteren. Misschien doe ik het óók. Maar toch niet, zonder dat ik eerst mij geslagen voel en stil, omdat een Jood zó diep gegrepen blijkt, dat hij tot een dapper, gelovig aanvaarden van een lijdenslot komt met in zich het weten van een laatste Heil... Missen wij niet het recht van ons te haastig protest, waar zulke diepten opengaan? W. B.

TER GEDACHTENIS

Een enkele keer ontmoet je een mens, van wie je altijd hebt aangenomen, dat hij aan de andere kant van de lijn zou staan in de strijd voor socialisme en democratie, omdat hy nu eenmaal in de maatschappij een plaats inneemt, die wij in onze gedachten steeds hebben gereserveerd voor „kapitalisten”. Wanneer je dan in een gesprek raakt, dat dieper gaat dan het oppervlakkige weerpraat je, merk je tot je grote verwondering en onuitsprekelijke blijdschap! —, dat ook deze mens is gegrepen door de nood van deze en alle tijden, dat ook hij worstelt met de moeilijkheden, die wij kennen, en dat hij een medestander is, ondanks zijn maatschappelijke functie, in stede van een tegenstander.

Zo’n man was de heer A. M. Dikkers, die vanmiddag op bijna 59-jarige leeftijd is verongelukt op de weg van Hengelo naar Enschede. Op de fiets wilde hij deze drukke verkeersweg oversteken en daarbij werd

hij gegrepen door een auto. Hij was onmiddellijk dood.

De heer Dikkers was een der notabelen van Hengelo, van geheel Twente, en als directeur van de N.V. G. Dikkers en Co. nam hij in het werkgeversleven van ons land een zeer vooraanstaande plaats in. Maar de heer Dikkers was meer dan een fabrikant: hij was een mens. Hij was inderdaad een der gegrepenen, hij worstelde met de problemen van deze tijd en hij probeerde te leven, zoals God dat van de mens verlangt. Het is misschien onbescheiden, in het openbaar een gesprek weer te geven, dat een zuiver persoonlijk karakter droeg. Ik doe het toch, omdat het, in al zijn eenvoud, zulk een zuiver beeld geeft van deze man, wiens heengaan ook in onze kring een grote leegte achter laat.

In een kleine groep hadden wij zitten praten over de problemen van sociaal-