is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1947, no 9, 22-11-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE MENS IN HET ARBEIDSPROCES

Het treft mij meer dan eens, het vervult mij dikwijls met grote scha'amte, dat mensen van buiten de Kerk, van buitep het Christendom, nog steeds vasthouden aan de gedachte dat de Kerk, de Christenheid, een antwoord behoort te geven op alle levensvragen en zeker op de zedelijke vragen waaronder men terecht de vraagstukken der • maatschappij tekent. Zij, die zulk een antwoord verwachten, hebben gelijk, ook wanneer feitelijk bestaande kerken ons maar al te dikwijls teleurstellen. Zij hebben gelijk, omdat aan het begin van de Bijbel reeds klaar en duidelijk staat, dat de mens geschapen is door God naar Zijn beeld en gelijkenis en dus een zeer bijzonder te eerbiedigen schepsel is: hij, die mens, staat in alle verhoudingen waarin hij gesteld is gezin, arbeidsproces, maatschappij, staat, volk in elke arbeid die hij verricht op het land of op de kantoorkruk, in de school of in het laboratorium, als huisvrouw of als staa4;sman hij staat onder de aanspraak Gods en dus in diepe verantwoordelijkheid voor de medemens. Zij hebben gelijk, die van Kerk en Evangelie een antwoord verwachten ook voor de maatschappelijke vraagstukken, omdat uit de Bijbel opklinkt het profetisch getuigenis, dat heel de aarde opeist voor de heerschappij van gerechtigheid en vrede; de mensen op deze aarde hebben God te vrezen, staat er in Ps. 85, zodat Zijn heerlijkheid kan wonen in onze landen, de genade en de trouw elkander ontmoeten, de gerechtigheid en de vrede elkander groeten met een kus. Nog eens: zij hebben gelijk, die van Kerk en Evangelie niet alleen een antwoord, maar het antwoord verwachten, ' omdat Christus gekomen is om de mens te redden uit alle nood, en dit diepste mysterie van de Liefde, die zichzelve offert tot in de dood, inderdaad het laatste antwoord heten mag.. . Als nu het Christendom der Kerk maar niet intellectualistisch geredeneer was of onderling geharrewar, doch eenvoudige, zuivere liefde ...

Nu hebben wij het antwoord dat gegeven is niet door ons, maar door Christus, in Zijn liefde tot de mensen ook toe te .passen op de vraagstukken van de mens in het arbeidsproces. Ik zeg er drie dingen van, die naar mijn mening de kern van het vraagstuk raken. Wat zien wij in het huidige " arbeidsproces gebeuren, welke verlangens komen daaruit naar voren? Ten eerste dan: de arbeiders uit alle landen door het moderne kapitalisme beheerst, vragen met nadruk om sociale zekerheid. Achter deze vraag ligt een ervaring omtrent de harde, onbarmhartige werkelijkheid van het maatschappelijk stelsel, waarin telkens terugkerende crises honderdduizenden arbeiders (daaronder ook hoofdarbeiders tot en met ingenieurs) in de ellende der werkloosheid storten. En werkloosheid betekent niet alleen een belangrijke vermindering van inkomen, zodat men alleen het naakt bestaan kan blijven voeden he't betekent ook een voortdurende kopzorg en geestelijke demoralisatie. De mens heeft arbeid nodig ook voor zichzelf, ook voor de groei van zijn eigen meriselijkheid; arbeid adelt en werkloosheid ontadelt. Er zit achter de vraag naar sociale zekerheid ook nog wel meer: de arbeider heeft er een zedelijk recht op, dat hij niet wordt overgeleverd aan willekeur, dat hij niet op straat kan worden gezet zonder enige vorm van proces (b.v. omdat de onderneming goedkopere arbeidskracht kan krijgen). Een arbeider is n.l. geen waar, geen machine, die men vervangt, wanneer dat voordelig of gewenst schijnt; hij is een mens, hij is vader van een gezin en heeft zijn verantwoordelijkheden. Daarom klinkt thans, nu de arbeidersmassa is ontwaakt uit de al te slaafse onderworpenheid der vorige eeuw, de roep om sociale zekerheid, die in wezen geen materiële, maar een zedelijke roep is, die in wezen een zedelijke aanklacht is tegen de onbarmhartigheid van een stelsel; dat tientallen jaren lang arbeidskracht als zuivere koopwaar beschouwde, en de mens

die de arbeidskracht leverde, niet telde. Een tweede roep, die uit het moderne arbeidsproces naar voren komt, is dat de arbeider in het bedrijf als mens behandeld wil worden. Ook daarachter ligt een stuk ervaring omtrent hardheid en onverschilligheid voor menselijke waarde, die aan ons stelsel eigen is. De industrialisatie en mechanisatie hebben de grote bedrijven in het leven geroepen met enkele duizenden, soms tienduizenden arbeiders in een onderneming hoe zou in zulk een massa de mens nog tellen? Bovendien: de machine geeft de toon, het tempo van de arbeid aan en onderwerpt de mens aan zich: niet de arbeider beheerst zijn werktuigen, de machine beheerst zijn mensen; wie niet mee kan, moet uitvallen. Nu moet ieder eerlijk waarnemer erkennen: er is hier een zakelijke invloed aanwezig,, die men niet meer kan uitschakelen; wij kunnen de machine niet. meer missen, daarvoor heeft zij te duidelijk haar enorme voordelen, óók voor de arbeider wiens zwaarste arbeid door de machine is overgenomen. Des te belangrijker echter wordt dat element in de arbeidsverhoudingen, waaraan wij wèl kunnen veranderen, n.l. de erkenning van de rechten van de mens in de arbeider. Dr. Ydo heeft in een boek, „Plezier,in het werk”, een groot aantal arbeiders van verschillende bedrijven gevraagjj naar hun arbeidsvreugde; één van de telkens terugkerende klachten is wat hij noemt: het nummergevoel: de arbeider wil geen nummer, maar mens zijn. Ééntonig is de klacht: „je bent hier minder dan een stuk gereedschap”, „je wordt hier beschouwd als een machine”. Met ook het tegendeel: „ik krijg verantwoordelijk werk”,' „de baas overlegt met mij het moeilijke werk”, „ze vragen je hier je oordeel”. Eigenlijk moeten wij ons over deze uitingen zeer verheugen: zij bewijzen, dat de arbeiders verantwoordelijk willen zijn, dus mens.

Ten derde: wanneer in ons nog niet is afgestompt het orgaan voor de zedelijke nood van onze samenleving, waarin aan de

CLctuaU,,. o-otioaó’^LLm

Het gaat merkwaardig toe in het rijk der cinematografie. Je hebt er zo weinig houvast; wankel zijn de grondslagen, en de critische normen maar zo zo.

Wilt ge een concreet voorbeeld? U kent de Russische literatuur; u krijgt een roman, waarvan de naam van de auteur niet wordt medegedeeld. U leest het boek, ei? u zult waarschijnlijk teeds na de eerste honderd bladzijden er achter zijn gekomen dat de schrijver Maxim Gorki is. Of: u weet alles van de moderne muziek af; men speelt een onbekend gebleven stuk van Debussy, zonder de -naam van de componist te noemen. Maar zoudt u die niet desondanks weten of tenminste vermoeden? Deze vraag kan ook t.a.v. de schilderkunst worden gesteld (ofschoon na de recente ervaringen met Van Meegeren met meer voorzichtigheid). I

: Maar nu de film! Veronderstel dat u een echte filmliefhebber bent. U hebt .na de

oorlog de rolprenten van Powell en Pressburger gezien; zij waren het dan ook die geloof in de bestaansmogelijkheid ener filmkunst hebben bevestigd. |

Nu wordt in. een grote bioscoop een film vertoond waarvan de regisseur niet wordt genoemd. Ge aanschouwt dit maaksel en komt tot de conclusie: wat een kitsch! Wat een kitsch dit „Huis der Vrouwen”, oftewel „Black Narcissus”. Hoe kunnen ze zo’n gekleurde nonsens als een „meesterwerk” •aankondigen. Uw gedachten gaan terug naar „Das Liebesmahl des Maharadschah” en dergelijke schokkende filmgebeurtenissen van weleer. Wie zou nu de regisseur van dit „Huis der Vrouwen” zijn? En dan hoort u, wie er voor verantwoordelijk is, en u staat versteld en zegt ongelovig „neen”, maar ja, de regisseurs van „The black narcissus” zijn... Povyell en Pressburger.

, [ » I In „49th Parallel”, een Engelse film uit het

jaar 1941, geven Powell en Pressburger, wat wij na „Ik weet wat ik wil” en „Een zaak van leven en dood” van hen konden verwachten. Het is een oorlogsfilm die actueel, en een avonturenfilm die rijk aan ideeën is. Een groepje Duitse soldaten wordt in ’4l doof hun U-boot in Canada aan land gezet met de opdracht zo snel mogelijk met „grote buit” (levensmiddelen voor de eigen tremanning) weer terug te komen. Moordend en plunderend trekt de troep door het wijde land, overvalt éénzame huisjes, verliest de een na de ander van zijn eigen soldaten, maakt kennis met in hun ogen verbazingwekkende vormen van samenleving en mentaliteit, totdat tenslotte alleen de officier overblijft, de meest brute en koelbloedige, die slechts als het ware door een wonder op het laatste ogenblik in handen van de Canadese achtervolgers valt, om voor zijn misdaden te boeten.

De tegenstelling „meedogenloos fanatisme” en „vrijheidsliefde” valt al dadelijk te bespeuren, en wel door het wijde landschap waarin de Germaanse helden verzeild zijn geraakt. Deze ruime en machtige natuur onderstreept de gebeurtenissen die zich