is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1947, no 9, 22-11-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mocht. De Quakers hebben dé pioed niet verloren en hebben hun actie ook na deze wereldoorlog voortgezet. Zij brachten o.a. 700 ton, d.i. £ 1.400.000 alleen aan kleren bijeen.

En zij begonnen hun jonge mensen speciaal voor dit werk op te leiden. De Engelse opleiding is in Londen en de Amerikaanse in het Quaker Study Centre „Pendle Hill” te Wallingford, Pennsylvania, waar de schrijfster van dit artikel op het ogenblik vertoeft.

Nu, na zoveel jaren stille arbeid, wordt hun werk op de voorgrond geplaatst en krijgt het door het toekennen van de Nobelprijs een welverdiende waardering. Wij, die als Woodbrookers historisch met de Quakers verbonden zijn, kunnen niet anders dan dankbaar en verheugd zijn, niet om 5e prijs, maar om het werk; om het getuigenis dat van deze openlijke erkenning uitgaat; om de aandacht die hierdoor op de Quakers wordt gericht, van mensen die misschien meer nodig hebben dan materiële hulp alleen: de stilte waaruit het werk en het getuigenis geboren werden, de corporatieve mystische vereniging met elkander en met God-

Misschien zult gij vragen: „Is dit alles wel genoeg? De stilte en de hulp nè, de rampen? Is het niet meer waard om de rampen te voorkomen? Is er niet eeai kapitalistisch stelsel dat tot oorlog leidt? Is er geen nationale en internationale politiek met grote gevaren? Ja, dat alles is er en het werk van de barmhartige Samaritaan is niet genoeg. Daar zijn vele Quakers zich ook van bewust. „Als men ons nu maar niet alleen als barmhartige Samaritanen beschouwd”, zeggen ze, „maar vooral: laten wij onszelf er,niet toe beperken.”

Ook hier in Amerika, waar het kapitalisme nog zoveel minder geschokt is dan in Europa, staan vele Quakers sceptisch of afwijzend tegenover het kapitalistisch stelsel, en er wordt door hen ijverig met coöperaties geëxperimenteerd. Hun politieke belangstelling is groot, getuige de Friends Service Legislative Committee, die tot taak heeft vergaderingen van het Congres (het Amerikaanse parlement) bij te wonen en nauwkeurig op de hoogte te blijven van alle voorgestelde wetten. Wordt er een wet voor gesteld, die in hoge mate hun instemming heeft, dap zetten ze een actie in ten gunste van die wet. Wekt een voorgestelde wet hun afkeuring, dan beginnen ze een actie tot protest.

In April van dit jaar heeft een parlementaire commissie voor buitenlandse zaken Henry Joel Cadbury, dezelfde die eenmaal staatsgevaarlijk werd verklaard, om advies gevraagd hoe een oorlog met Rusland kan worden voorkomen. Ik weet niet hoe dat advies geluid heeft en of het zal worden gevolgd. Maar het is in elk geval een teken van de achting en het vertrouwen dat de Quakers zich ook op deze invloedrijke plaats hebben verworven. Èn een teken van hun realiteitszin dat zij zich niet alleen tot het op zichzelf reeds zó geweldige werk der barmhartigheid, beperken, waarvoor niemand meer dan zij de Nobelprijs verdienen. Met algemene stemmen. Ik sla nog eens de woorden op die Pater Strattmann in 1926 heeft geschreven: „De Quakers beoefenen het gebod der liefde van Christus en de daaruit volgende actieve barmhartigheid met een toewijding, welke die van de eerste Christenen nabij komt en in haar aanpassing aan de behoefte van de tijd wel nauwelijks door een andere gemeenschap wordt bereikt.” („Wereldkerk en Wereldvrede”, pag. 142 der Ned. vertaling.)

„Pendle Hill”, ‘ G. L. VAN DALFSEN Wallingford, Pennsylvania

Üîoëí-íscbe revsrecí-íeven

Morriën, Diels, Schuur. De bundel „Het doornen Zeel” van Gerard Diels is al niet meer nieuw.') Ik heb. hem ingekeken, enthousiast gekocht, bewonderd, onvoldaan weggelegd, vergeten, maar daarna toch opnieuw voor de dag gehaald en opnieuw bewonderd. Een dergelijk boek mag men ook in het openbaar niet met stilzwijgen voorbijgaan. Er zullen voor mijn onvoldaanheid wel gronden zijn geweest; maar zéker is er ook grond voor bewondering.

De verzen van Het doornen Zeel hebben voor het merendeel betrekking op oorlog en bezetting. Misschien zijn de resterende uit dezelfde tijcl, maar dat blijkt uit de inhoud niet. Nu moet ik om te beginnen één ding zeggen: dat de „bezettings”- verzen voor mij de andere zeer ver te boven gaan. Niet uit een persoonlijke voorkeur, en ook niet omdat zij getuigen van een zoveel groter artistiek vermogen, maar doordat deze stof zich voor het talent en het temperament van Diels bij uitstek leent. Uit de Gemengde Verzen (inderdaad wel zeer gemengd!), zou ik waarschijnlijk niet méér hebben opgediept dan de prachtige aanhef van De Jongleur. Men zou zich met enige zorg, kunnen afvragen, waar Diels zijn stof en zijn inspiratie zal moeten vinden, nu de samenleving die hoogspanningen niet meer oplevert. Maar dit voorlopig terzijde.

Gerard Diels dat is het eerste wat opvalt is iemand van formaat: als dichter, maar ook als persoonlijkheid. Verzen schrijven over het massale geweld, het massale leed en de massale gruwel van de oorlog kani gevoeglijk als een toetssteen voor iemands formaat beschouwd worden. De kleineren kunnen scheld-, spot- en propagandaverzen dichten, zij kunnen en soms op onvergetelijke wijze! uitdrukking geven aan een persoonlijk leed, een persoonlijke hoop, maar van het massale doen zij beter af te blijven. Juist de verzetspoëzie heeft immers keer op keer bewezen, dat ook jie persoonlijke uiting gemeenschapsbezit kon worden. Maar het overmachtige, boven de menselijke maat uitgaande..., dat is weggelegd voor een A. Roland Holst, maar niet bijv. voor Den Doolaard of Den Brabander. Gerard Diels nu hanteert deze massale

stof, en al heeft hij soms méér van A. Roland Holst geprofiteerd dan m.l. door de beugel kan, hij doet het overtuigend. Ziehier de hongerwinter:

Eehs zal de honger luwen, die tot de gansche breedte

van strand, wering en stuwen mijn land heeft aangevreten.

Maar Ik zal In het kluwen van jubel niet vergeten

den smaak der blttre beten die Ik niet uit kon spuwen.

Dat Is kernachtig, eenvoudig, verstaanbaar voor ieder, en toch door zijn gesloten structuur en suggestieve kracht zeer dichterlijk. Een voortreffelijk vers en een mdnlijk vers! Dit gedicht Is geen uitzondering. Ik laat er hierbij een afdrukken, waar ik lm gedachten „Bombardement van Rotterdam” boven zet (Dlels zelf geeft geen titels). Ik heb vaak gedacht, dat het onmogelijk was over zoiets op „waardige” wijze te schrijven, tenzij men, zoals bijv. Ida Gerhardt deed, alleen een heel klein persoonlijk facetje bekijkt. De vlot gefabriekte verzen van Jan Prins en van Dlara Egglnk over dit onderwerp (Godbetert nog mln of meer beroemd geworden óók!) zijn mij en velen met mij een bittere ergernis geweest. Maar Dlels volbrengt het. Dat Is wat Ik onder formaat versta.

Hoe komt het dan, dat een dergelijke formaatvolle verschijning niet met groter enthousiasme is begroet, dat misschien velen van onze lezers de naam Dlels niet eens'kennen? Maar neen, laat ik niet vervallen in bespiegelingen over de publieke opinie en degenen die haar vormen. Ik kan beter de vraag beantwoorden, waarom mijzelf deze poëzie In zekere zin toch onvoldaan laat.

Moest Ik de figuur van Dlels met een paar woorden karakteriseren, dan zou het zijn: formaat, manlijkheid, pathos, eruditie. Merkwaardig tegendeel van Morrlën (zie T. en T,), die een typisch kleine figuur Is, wat week en vrouwelijk van gevoel, bescheiden en onnadrukkelijk, en zonder de achtergrond van cultuurhistorische en filosofische scholing, waar Dlels blijkbaar over beschikken kan. Maar Dlels Is hierbij niet In alle opzichten in hét voordeel. Een bredere ontwikkeling kan een handicap zijn, zolang de kunstenaar haar nog niet vrijmachtig beheerst, maar er Integendeel door beheerst wórdt, en dat is hier wel eens het geval.

Wat het pathos betreft, wij Hollanders zijn een onpathetisch volk. We houden niet van dikke woorden en niet van heftige gebaren. „Djie maar gewoon, dan doe je al gek genoeg”, is een typlsch-Hollandse vermaning. Daar zit wel een zekere armoede In, een schraalheid van gemoed en van verbeelding, die zich het buitengewone niet voor kan stellen; maar anderzijds ook een gezonde en fijne crltlsche zin, die het buitengewone wel degelijk erkent, maar steeds op zijn hoede blijft voor namaak. Er is tenslotte niets tegen pathos, mits de zware woorden staan voor even zwaar geladen werkelijkheden, en het één Inderdaad op het ander past.

Beschouwen wij het bijgaande vers nader, dan blijkt het In zijn beeldspraak zeker pathetisch. Maar een bombardement „een vlaag van brandend sneeuwen” te noemen Is zomin overdreven als onjuist,

‘) Meulenhoff, Amsterdam 1946.

Er streek een vlaag van brandend \ sneeuwen over de stad, ' \

met vlokken ijzig vuur \ de weerlozen aanrandend, i die het gemaskerd beest j ? binnen de pantsermuur \ zich uitverkoren, had \

voor een verblindend feest | van dansende flambouwen. \ Gij, die na dag en uur ' ! in deze haven landend

. de namen in de blauwe | koelte der stenen leest, \ gedenk, hoe van dit vuur \ het enkele aanschouwen i

i een pijnbank is geweest, \ zo ijzig en zo brandend. \

GERARD DIELS. \ Uit: Het doornen Zeel. . j