is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1947, no 10, 29-11-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Evangelie en revolutie

Bij de begrotingsdebatten heeft Van der Goes van Naters de opmerking gemaakt dat men in ons land de strijd tegen het communisme practisch aan één partij overlaat: de P. V. d. A. Hiertegen zijn de heren Schouten en Tilanus opgekomen.

Eerstgenoemde reageerde hierop ongeveer in deze geest: Wanneer de communisten zich speciaal tegen de P. v. d. A. keren, dan is dat omdat zij begrijpen daar nog wel wat te kunnen bereiken. De P. v. d. A. neemt n.l. een onduidelijk standpunt in tegenover de revolutie in de zin van opstand tegen en verwerping van het wettige gezag en daarin ligt de principiële zwakte van de P. v. d. A.

De heer Tilanus voegde daaraan toe: tegen de revolutie is er maar één tegenweer: het Evangelie. Met een min of meer vaag humanistisch idealisme komt men er niet. Tegen de revolutie het Evangelie! Met deze leus kwam Groen van Prinsterer in verzet tegen de rationalistische geest van zijn tijd, die alle Goddelijk en boven de mens uitgaand gezag verwierp en de mens maakte tot maat aller dingen. Daartegenover plaatste hij het- Evangelie, de boodschap van de heerschappij Gods daaraan de mens is onderworpen.

Het ging Groen van Prinsterer om meer dan de opstand tegen het wettige gezag. Het ging hem om de geest van de revolutie. De verwerping van het wettige gezag zag hij als een uitvloeisel daarvan.

Als dat alternatief gesteld wordt, sta ik als christen on voorwaardelijk aan de kant van Groen van Prinsterer. Dat betekent echter niet, dat ik elke vorm van verzet tegen het gezag van de Overheid verwerp. Er is een opstand tegen het gezag, die christelijk verantwoord is. Dat geval doet zich voor wanneer de Overheid dingen van ons vraagt, die. ons in strijd brengen met de gehoorzaamheid aan God of wanneer de Overheid haar roeping verzaakt en tot tyrannie vervalt. Ik behoef daar ver-

V der 5p in te gaan. Het is bekend genoeg.

Ik heb er verder mee te houden, dat in deze gebroken wereld zich in de historische van kortsluiting voordoen, waarin de spanningen zich langs revolutionnaire weg ontladen. Wanneer wij deze revoluties als feit aanvaarden, dan betekent dat niet dat wij haar goedkeuren of tot norm verheffen, evenmin als wij de oorlog of de echtscheiding niet meer als kwaad zien, wanneer wij ons er noodgedwongen bij neer leggen. Ook hier behoef ik niet nader op in te gaan, al blijft het nuttig en nodig deze dingen in herinnering te brengen om te laten zien, dat de zaken niet zo eenvoudig, niet zo rechtlijnig liggen als ze in een dergelijke discussie gesteld worden.

Ik stip ook slechts in het voorbijgaan aan dat met recht de vraag kan worden gesteld of het geoorloofd is onder de huidige verhoudingen nog op dezelfde wijze als in de dagen van Groen met diens leus te opereren. Er zijn n.l. mensen, die zonder met zoveel woorden het gezag Gods te aanvaarden, erkennen, dat er normen zijn, die onafhankelijk van de wil van de mens een absoluut gezag hebben. Mensen, die dus het: „Ni Dieu, ni maitre” verwerpen. Staan dezulken zonder meer aan de kant van de revolutie in Groeniaanse zin?

Waar ik de vinger bij wil leggen is dit: men bezigt de leus van Groen van Prinsterer om te suggereren, dat men, wanneer men voor het Evangelie kiest, zich bij een christelijke partij behoort aan te sluiten. Wanneer men dat niet doet, dan kiest men tegen het Evangelie en voor de „revolutie.” Het is mij overigens niet goed duidelijk, dat de heer Tilanus zo kort na de bezettingstijd in alle gemoedsrust durft zeggen, dat men er met een min of meer vaag humanistisch idealisme niet komt. Wij hebben in de bezettingstijd in het nationaal-socialistische totalitarisme van nabij meegemaakt een typische openbaring van de „revolutie”. En wij hebben moeten constateren dat het principiële verzet daartegen niet het monopolie is geweest van de christenheid. Gelukkig zijn er tal van christenen geweest, die deze vorm van modern heidendom hebben doorzien en er zich tegen te weer hebben gesteld. Maar er zijn ook vele christenen in gebreke gebleven. En daarnaast hebben tal van „humanisten” een principieel verzet geboden. Dat zegt niets tegen de principiële waarde van het christelijke verzet, maar het moest ons, christenen, toch wel tot enige bescheidenheid manen en zeker de christenen, die verstek hebben laten gaan, waartoe ik, dit ter vermijding van elk misverstand, de heren Schortten en Tilanus stellig niet wil rekenen.

Voor mij heeft het Evangelie dezelfde centrale betekenis als voor de heer Tilanus. Als ik neen zeg tegen het nationaal-socialisme en tegen het communisme, als ik elke vorm van dictatuur en totalitarisme verwerp, dan grijp ik terug op het Evangelie wanneer mij naar mijn diepste motieven gevraagd wordt. Betekent dat nu dat ik

niet in één partij kan samenwerken met anderen, die het nationaal-socialisme en het commimisme, de dictatuur en het totalitarisme even'als ik op principiële gronden afwijzen, maar deze niet ontlenen, althans menen deze niet te ontlenen aan het Evangelie?

Ik zou mij dat nog kunnen voorstellen wanneer het gold een partij, die uitgesproken anti-godsdienstig was of gebaseerd was op een niet-christelijke levensbeschouwing. Maar voor een partij als de P. v. d. A., dié in haar beginselprogram en in haar opbouw duidelijk laat.uitkomen, dat zij ook aan het christelijk geloof alle ruimte wil geven, voor zulk een partij kan dat toch niet gelden?

In de kerk kan ik niet samenleven met mensen, die buiten hét christelijk geloof staan. Dat spreekt vanzelf. Maar er is een wezensonderscheid tussen de kerk en een politieke partij. Daarom kan ik met nietchristenen wel samenwerken in een politieke partij, mits deze als zodanig niet antichristelijk is.

Maar kan het dan geen ongelukken geven als men over de diepste fundering van zijn inzichten binnen de partij verschillend denkt? Kan dat er niet toe leiden, dat men politiek tot uiteenlopende opvattingen komt? . Inderdaad blijft die mogelijkheid altijd bestaan. Maar is die mogelijkheid er soms niet als men op de grondslag van een gemeenschappelijke godsdienstige overtuiging in één party heeft georganiseerd? Kan het in de christelijke partijen niet voorkomen, dat men politiek uiteengaat? Maar bovendien: als men de buitenkerkelijken voor af glijden wil behoeden, hoe zou men dat dan beter bereiken: door in een afzonderlijke organisatie tegenover hen te gaan staan en hen aan hun lot over te laten of door naast hen te gaan staan en met hen in gesprek te blijven, wat iets anders is dan debatteren en polemiseren? Een afzonderlijke organisatie kan geboden zijn wanneer men van ons verlangt dat wij ons geloof thuis laten. Maar zij blijve een noodoplossing. Wanneer de nood er niet meer is, wanneer men ons aanvaardt met ons geloof, dan is het onverantwoord haar te handhaven.

Als het de heer Tilanus werkelijk te doen is om de invloed van het Evangelie en om de bestrijding van de „revolutie”, dan wordt het tijd dat hij zich eens gaat af vragen of hij door zijn houding het een zowel als het andere niet in de weg staat.

V. W.

eenvoudig is, zulk een Kerk te leiden. Zonder dat visioen van het Koninkrijk is ’t, geestelijk gesproken, onmogelijk. Dan wordt het slechts een voorzichtig wandelen langs de midden-paden, vooral beangst voor wie het stevigst'oude schrijvers citeren en stijve boorden dragen. De Kerk is geen politiek lichaam. Zij is niet een organisatie, die de koers bepaalt, lettend op aantallen en machtsformaties. Zij is een lichaam, waarin de leiding moet weten, dat haar een opdracht van Godswege is toegevallen en in die gehoorzaamheid heeft zij te handelen.

Slechts als dit inderdaad beseft wordt, behoeft de bespreking van de nieuwe Kerkorde niet tot nieuwe verwarring te leiden. Slechts dan is er hoop, dat de ganse Kerk en met haar het volk gaat merken, dat er heus iets aan de hand is.

Slechts dan is hetrniet te vroeg. Als het tenminste al niet te laat is.

L. H. RUITENBERG.

lienriëtte Roland Holst, die herstellend is na haar operatie, zendt ons dit gedicht om haar dank uit te spreken jegens hen, die haar niet vergaten.

GROET

Vroolijk is altijd mijn kleine kluis Van frissche, kleurige bloemen:

Dahlia’s, chrysanten, cyclame’s ook. Waarlijk, te veel om te noemen.

Daartusschen staan schalen vol kostlijk jruit Uit verschillende landen.

Vurig rood, edelpaars, oranje ook: Zie ze lokken en branden.

Ja, de vrienden weten den weg Naar mijn kleine kluis wel te vinden. Vinden die bij dag en bij nacht:

\ Het hart kent de gunstige winden.

i Maar heerlijker dan de bloemenpracht : En het fruit uit verre landen.

I Zijn de oogen die kijken, zoo zacht, zoo zacht ! En de warme, gezegende handen.

11 November 1947.

H. R. H.