is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1947, no 11, 06-12-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

troost vatbaar is, juist die tot het uiterst vereenvoudigde figuur werkt aangrijgend. Ja, ik kan er mij eigenlijk heel goed in verplaatsen, dat Sciiuur die sterke groei van zijn persoonlijkheid in de oorlog als een soort wedergeboorte beleefd heeft. Met de drang tot getuigen daaraan verbonden! De aesthetiserende romanticus is een strijdbaar realist geworden, dat geeft een gevoel van kracht, van volwassenheid, van grimmige trots. Ach, en natuurlijk ook een beetje gevoel van heimwee, om het verloren paradijs!

Maar het paradijs is ook niet voorgoed opgegeven. Wie romanticus van aard is, zal dat in wezen altijd blijven en het vers over Wubke Bos vertegenwoordigt slechts een uiterste van harde nuchterheid, waarna de slinger natuurlijk en gelukkig weer terugzwaait. De taak, waarvoor Schuur zich dan gesteld ziet, is feitelijk deze: zijn nuchterheid en zijn dichterlijkheid, zijn realisme en zijn romantiek tot een nieuw, en voor de eerste maal harmonisch evenwicht te brengen. Hij moet leren dat de parken van niet-bestaande kastelen niet per se dichter lijker zijn dan een gerooid aardappelland, en de gerechtigheid een ederler en manlijker dichtersdroom dan bijvoorbeeld een zeemeermin. Hij mag dan gerust een tikje „onmaatschappelijk” blijven. Maar in plaats van de verfijnde genieter buiten-het-gewoel, zal hij worden tot een opstandige tegen de slechte, ongeestelijke maatschappelijke sleur. “)

Ik meen inderdaad te zien, dat Schuur het in deze richting zoekt. Wat hierboven staat, is dan ook geen constructie van mij, ik leid het af uit wat Schuur zelf in zijn beste momenten schijnt uit te spreken. Maar nu de realisatie. In de eerste plaats wil mij de samenstelling van deze bundel weinig bevallen. Als iemand „een ander mens is geworden”, moet hij afstand kunnen doen van de kinderachtige versjes van de-'oude Adam, ook al staat er hier en daar een dichterlijke regel in en hadden ze bij de vrindjes succes. Van de „Verzen bij Nachte” laten althans de eerste (vooroorlogs?) ook een vrij flauwe smaak na: een vaag ge-Hoornik, dat poëtisch weinig om het lijf heeft. Ik had liever gezien, dat de dichter hier bundelde wat inderdaad van een nieuwe geest is; d.w.z. behalve de „Zeven Vloeken”, Novemberland, Regenherberg, In Memoriam Henk Werkman, en enkele gedichten uit „Koers”. Dan hadden wij een duidelijker, en zekej- ook een gunstiger beeld.

Wat het veelgenoemde Novemberland aangaat, het is een zeer sympathiek, eenvoudig en manlijk gedicht. Maar het heeft soms vervaarlijke inzinkingen, en als men eruit schrapte wat vulsel is, bleef er niet veel meer dan de helft over. Het In Memoriam Henk Werkman bewonder ik al moet men misschien iets van de eigenaardige figuur van Werkman afweten om het geheel te begrijpen. Regenherberg, daarvan vind ik de tweede helft waarlijk mooi: groter en meer visionnair dan het nog wat praterige Novemberland. Alleen: als A. Roland Holst eens een keer aan die Regenherberg aanklopt en zijn eigendom komt opeisen, blijft er van die drie indrukwek,- kende strofen niets staan, zelfs de naakte muren niet. Moeten wij nu verdraagzaam zeggen dat het vers daar niet minder om is, en dat de niet litterair geschoolde er geen last van heeft??

Om van Schuur zelf en zijn beste mogelijkheden een beeld te krijgen, kies ik toch lie-

U De Bezige Bij 1947 ƒ4.90.

“) Het is daargm nog niet nodig zichzelf „Prinsen, pooiers en piraten” te noemen! Ik dacht trouwens dat een pooier iets heel' gemeen was.

ver een ander vers, „Vuur, Wind, Regen, Droom”. Maar óf hij die mogelijkheden nog realiseren zal? De kansen Uggen vrees ik niet zo héél gunstig. M. H. V. d. ZEYDE

WUBKE BOS

Mijn zoon is dood! ’s Morgens wil ik hem wekken en eensklaps weet ik weer: mijn zoon is dood! ’s Middags als ik de tafel wil gaan dekken, staat op het tafelkleed: mijn zoon is •

Wanneer ik met de buurvrouwen ga praten, zeggen hun woorden mij: mijn zoon is dood! en in de winkelruiten in de straten

spiegett zich dit alleen: mijn zoon is dood! Waarom bracht men hem niet thuis zonder beenen, of zonder armen of zonder verstand?

Waarom moest hij zich voor dit nachtwerk leenen; waarom niet Sipko Hut of Eltjo Lant? En moet ik trotsch zijn, omdat hij gevallen

is voor zijn land? Ach, onverstand en waan! Was hij de lafste maar geweest van allen, wat ging hém deze domme oorlog aan?

VUUR, WIND, REGEN, DROOM

Wanneer eens licht genoeg voor nieuwer sferen en rijp geworden aan geluk en leed

de dood mij toestaan zal hem te passeeren, smeek ik het vuur mijn lichaam te verteren tot asch van asch en voor den wind gereed;

bid ik den wind, dit stof omhoog te dragen om het te zuiveren tot klaar kristal, en aarzelend zal ik den regen vragen

het mee te nemen als op najaarsdagen het boven regenen zal.

En voor wat mooglijk verder rest, ontastbaar en ijler dan de allerijlste wind, vraag ik een zwerven, vrij en onbelastbaar.

voor slijk en vuil en schandvlek onaantastbaar, tot waar de droom zijn roekloos rijk begint;

want zoo er één land, waard om in te leven, nog overblijft binnen dit wijd heelal, is dat dit droomrijk, waarvoor ik zal geven al mijn geluk, zoonoodig, al mijn streven.

en al de woorden, die ik schrijven zal.

Strompelend langs winds verwaaide wegen kwam ik aan een oude herberg: regen sloeg de vensters blind, toen ik er neerzat

in den gloed van een vergeten vuur;

wat de wereld nog aan onheil meer had

sloot ik buiten, voor de haard geiegen moe en grijs van angst keerde er weer loat rust in mij uit bovenwereldsch uur.

Andren kwamen ook, moe en gebogen en met asch en grijs slijk overtogen, aan de duisternis ziende geworden, met een oud geloof in moed en eer;

de fel-overslaande stem der horde klonk nog zwak, overstemd door het hooge

ruischen van den regen, en de orde van den geest schiep er een nieuw verweer.

En ik werd, wat in mijn dieper wezen opgericht staat, door geen nood genezen van de overluchtsche tochten, droomen

roekeloos als gids aanvaardende • al wat ik' nog schrijf is voortgekomen

uit die orde en is uitgelezen door het hart zelf, binnen de slagboomen van geen andre orde aardende.

KOOS SCHUUR XJit: Regenherberg.

Vol verwachting klopt ons hart

Zo zongen de kinderen, al weken van tevoren.

Ze drukten hun neus plat tegen de ramen van de speelgoedwinkels. Ze zongen hun Sinterklaasliedjes thuis,

op sphoql en op straat. Ze popelden van verlangen om hun schoen te zetten. Ze konden voor het raam staan uitkijken in de mistige avondnevel als de lamp binnen nog niet aan was, omdat ze geen rust voor hun speelgoed, want misschien kwam Sinterklaas wel als het donker was en dan zou er morgen wat in hun schoen liggen Zo leven kinderen naar ’t Sinterklaas-

feest toe en wij, grote mensen, zien hoe ze verlangen.

Jammer dat de volwassenen het zo dikwijls bederven met hun gezeur over: zoet zijn, want anders en'angst kweken voor zak en roe. Zij willen, en dat lukt hun maar al te vaak, het zuivere verlangend wachten verstoren.

Als we kleintjes om ons heen hebben, die geloven aan de goede Sint en die altijd wel weer willen horen over hem en z’n witte paard en zwarte Piet, dan benijd je als nuchter mens wel eens zo’n kind om z’n geloof en z’n vertrouwen. Ook voor ons is ’t nu een tijd van verlangend wachten.

De Advent is begonnen. Het feest van Christus’ geboorte is nabij.

De weken die aan Kerstmis voorafgaan, zijn onze weken van verlangen, van uitzien naar en ons voorbereiden op de komst van Christus. Ik weet wel, we mogen het verlangen van een kind naar Sinterklaas niet vergelijken met het verlangen van de christen naar zijn Heer. God geve, dat ons geloof steviger is dan het kindergeloof, dat immers wankelt en stukgaat bij de ontdekking van een valse baard en een dubbelganger? Maar een kind verlangt intens. En wij? O ja, toe proberen wel, maar we vergeten steeds weer.

We hebben misschien een Adventskalender of we ontsteken op de Adventszondagen een kaars en we zetten Kerstplaten op de schoorsteenmantel en we gaan naar een Kerstspel en we zien uit naar versiering en groen. Dit kunnen hulpmiddelen zijn voor de voorbereiding van ons feest, maar het kunnen ook uiterlijkheden blijven.

Verlangen als een kind. Alles opzij zetten, in ons verlangen naar die Ene. Alle onrust bannen uit ons hart, om plaats te maken voor Zijn vrede, want

„Werd Christus duizendmaal in hem geboren en niet in u, dan waart ge nog verloren.” (Angelus Silesiüs) R. B.- V. R.