is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1948, no 14, 03-01-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

üentveld-nieuws <}

Verslag weekendconferentie voor artsen op 8 en 9 November te Bentveld.

Het was voor de eerste maal, dat de artsen als groep betrokken werden in het Woodbrookerswerk. Het was voor de medici, die het werk in Bentveld van dichterbij of verderaf kenden, geen open vraag meer of er momenteel een directe aanleiding bestond tot het organiseren van een speciaal artsenweekend. Immers, de' ophanden zijnde intensieve reorganisatie van het ziekenfondswezen in het kader van het streven naar sociale zekerheid heeft in de artsenwereld een deining veroorzaakt als nog weinig vraagstukken tevoren. Het leek daarom niet aan twijfel onderhevig, dat het zijn nut zou hebben, met een groep artsen, van .wier op het sociale element in deze materie gerichte instelling men a priori overtuigd kon zijn, getuige het feit, dat zij dit milieu aanvaardden tot het bespreken van hun problemen, buiten het directe verband van hun vakorganisatie, maar geenszins los ervan, de kwesties ter tafel te brengen, verband houdende met de ontwikkeling van de med'sche wetenschap enerzijds, die van de sociale structuur anderzijds, en de positie, die de tegenwoordige medicus met zijn tegenwoordige kennis in de tegenwoordige samenleving inneemt en zou dienen in te nemen, als consequentie yan deze twe. Wel een open vraag was het intussen, in hoeverre de oproep rot deze conferentie weerklank zou vinden in de medische wereld. Het stemde daarom tot verheugenis, dat we op 8 en 9 November bijeen konden zijn met een vijftigtal collegae, een voor Bentveld weliswaar-niet uitzonderlijk aantal, maar als eerste resultaat van een met gefronst voorhoofd aanvaard experiment, geenszins onbevredigend. Temeer voldoening gaf het, dat dr P. M. Wibaut te Amsterdam bereid werd gevonden deze conferentie te leiden. Dat ook aan de vakorganisatie der medici dit pogen niet zonder belangstelling is voorbijgegaan moge blijken uit de aanwezigheid op enkele bijeenkomsten van een paar leden van het Hoofdbestuur eer Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst. In het -kader van dit weekend werd het woord gevoerd door dr Burger uit Eindhoven, van de medische dienst van Philips, dié belichtte de spanning, die er ontstaan is tussen het met enorme snelheid voortschrijdende wetenschappelijke researchwerk en de dagelijkse medische praktijk, die zich in vele opzichten aan deze ontwikkeling nog niet heeft kunnen aanpassen. Een voor de discussie zeer aantrekkelijk probleem, immers hoe moeilijk is het een sluitend compromis te vinden tussen het streven naar efficiënt werken (massa-d'’agnostiek, snel uitgevoerd laboratoriumonderzoek enz.) enerzijds, en het toch noodzakelijk behouden moeten blijven van de sfeer van vertrouwen tussen patiënt en arts, die weer een zekere individualisering van de behandeling vereist.

In de Zondagochtendbijeenkomst sprak mr. dr. A. A. v. Rhijn over sociale zekerheid in al haar aspecten, en sfjeciaal over haar religieuze achtergrond. Waar vanuit de artsenwereld zo vaak de angst gehoord wordt, dat de arts, bij voortschrijdende socialisering van zijn vak, aan vrijheid van handelen zou inboeten, werkte de discussie op verschillende punten uitermate verhelderend.

Des middags voerde dr. Wibaut zelf het woord over de verhouding van arts en patiënt in verband met de vrijheid van het individu en de belangen der gemeenschap.

Een uitvoerig verslag van het behandelde is hier niet op zijn plaats, aangezien veel ervan wel zeer gespecialiseerd en op het beroep afgestemd was. Toch mogen deze enkele regels een indruk geven van het besprokene. Een indruk van de sfeer waarin het besproken is kan hier niet gegeven worden; ze kan wel geraden worden door hen die Bentveld kenren, en ze is voor hen, die er geweest zijn, aanleiding geweest om eenstemmig te verzekëren: „We komen hier nog eens terug” H.

Europa tussen Rusland en Amerika. Weekendcursus voor studenten en andere jonge intellectuelen op 22 en 23 November.

Het war ener meer dan honderd, die 20 en 23 November in Bentveld bijeen, met gespannen aandacht luisterden naar de professoren Van der Leeuw, Kuin en Banning, die resp. de geestelijke de economische en de culturele aspecten van de Europese situatie belichtten.

Het was geen rooskleurig beeld, dat de sprekers deden oprijzen. Hoe kan het anders, wanneer mensen als zij, die zo door en door bekend zijn met de problematiek van hun onderwerp, onverbloemd feiten gaan constateren. Er is maar één conclusie: geestelijk, economisch en, mede tengevolge- daarvan ook, cultureel is Europa „op zijn retour”. Een geestelijk bezit, dat door steeds verder gaande ont-

kerstening en een ongeveer gelijke tred hiermede houdende terugdringing van het Erasmiaans humanisme ineenschrompelt; bij gebrek aan een steunpunt buiteri zichzelf, gaat de mens allen zichzelf zoeken in onvruchtbare psycho-analytische mijmering.

Een econopiische positie, welke door verdeeldheid, overbevolking en verlies van kolonisatiegebied, alsmede door de geweldige materiele vernielingen tengevolge van steeds in hevigheid toenemende oorlogen, verder terugvalt en in feite thans nog slechts door hulp van buiten af overeind kan worden gehouden.

Tenslotte is ook in cultureel opzicht het zwaartepunt, dat gedurende tal van eeuwen in Europa lag, bezig te verschuiven, niet alleen doordat andere, jongere, cultuurgebieden in belang toenamen, doch evenzeer daar de geestelijke bronnen der eigen cultuur uitdrogen en voorts puinhopen, koude en een lege maag ook al niet stimulerend schijnen te werken.

Jongeren zouden gtén jongeren zijn. wanneer ze zich niet zouden afvragen met welke middelen deze schier hopeloze ontwikkeling zou kunnen worden gekeerd. In de menselijke historie is een ..terug” niet mogelijk. Het „I’histoire repète” geldt alleen voor détails en nfet voor de grote lijnen. De geschiedenis (men kan ook zeggen: God) kiest zeer bepaald een richting, ook al zijn de motieven voor ons \>erboigen.

Wel zijn er fundamenten, vaste punten, waaraan men zich, uitgaande van het heden, kan vasthouden. Er is de persoonlijkheid, anders gezegd, de verantwoordelijkheid, die ieder heeft om, hoe groot de chaos ock moge zijn, mee te torsen aan de last, die op de wereld drukt en waarbij hij zijn handelen toetst aan vaste, onveranderlijke, normen. Daar is de gemeenschap, niet de „massa”, waarin de enkeling onderduikt, doch de gemeenschap van verantwoordelijke personen, waaraan de enkeling weliswaar ondergeschikt is, doch van waaruit hij toch ook telkens weer wordt gevoed. In het staatkundige leven kunnen democratie en socialisme, ideëel gezien, als vèrschijningsvormen hiervan worden beschouwd. Voor een Christen is er echter bovenal zijn geloof, dat hem de normen verschaft waarop hij zich kan baseren en dat zijn plaats 'n de gemeenschap vastlegt krachtens het liefdegebod van Christus.

Ziehier in enige korte trekken hetgeen men van deze bijeenkomst ter overdenking, doch niet alléén ter overdenking kon meenemen. J. J. C.

Weekend-eonferentie te Bentveld on 29 en 30 November' voor mensen uit het verzekeringsbedrijf. Om ongeveer 5 uur opende de cursusleider, de heer A Elffers de, conferentie. Een korte uiteenzetting omtrent het doel van de A. G. der Woodbrookers. De stemming was goed. Hoewel allen verzekeringsmensen en in de practijk eigenlijk concurrenten zijn, was daarvan op deze bijeenkomst niets te merken. Om 8 uur hield mr. A. H. Heering zijn inleiding over de zedelijke en religieuze grondslagen van de sociale zekerheid. De inleider liet duidelijk uitkomen, waardoor en wanneer bij iedereen sterk de behoefte naar voren kwam om zich gewaarborgd te voelen, b.v. bij ziekte, werkloosheid, oude dag, enz. De sociale zekerheid berust hierop, dat grote bevolkingsgroepen in onzekerheid verkeren. Vrees, angst en verlies van zekerheid stompt de mens af. Vervolgens belichtte de inleider de religieuze zijde. Ontbering en zorg zijn een sterk argument voor sociale zekerheid. Hij wees erop, dat ons een taak is gegeven door God om elkander te dienen in dit leven als een grote gemeenschap Het wedijveren en streven naar dit leven geeft niet het juiste klimaat. Na nog gewezen te hebben op het gevaar van de sociale zekerheid, kwam de inleider tenslotte tot de cocclusie, dat door de sociale zekerheid de mens z:'ch meer ontplooien kan, wat anders door de maatschappelijke zorg niet mogslijk zou zijn. Dat velen nog met vragen zaten, bleek wel bij de nabespreking.

Na de wijdingsdienst op Zondag, behandelde de heer J. van de Kieft het vraagstuk van de toekomst van het verzekeringsbedrijf, gezien in de richting vap een socialistische maatschappij. De inleider bepleitte een socralisitie van het levensverzekeringsbedrijf, daar de verspilling z.i. in dit bedrijf maatschappelijk niet meer te verdedigen valt. Dit bedrijf moet soepel zijn. Inleider behandeld&~jioofdzakelijk het levensverzekeringsbedrijf, waardoor de er wel wat kaal afkwamen. Maar – het kernachtig betoog vergoedde zeer veel.

Om drie uur hield drs J. Oudegeest een inleiding over de positie van de employé als bedrijfsgenoot. Nadat hij ons vertelde, welke grote invloed het liberalisme cp- de economie heeft gehad, kwam de inleider tot de conclusie, dat in ons land ook een kiem aanwezig is van een collectivistische geest. Er heerst nog een sterk liberale geest bij de IJirecties en eveneens bij het personeel. Het zoeken naar binding bevordert een betere samenwerking.

Dat iedereen voldaan naar huis toe keerde, bleek het beste hieruit, dat bij de reeds bestaande problemen nieuwe ter overdenking werden toegevoegd.

H. M. K.

Lee'stdfelnieuws

De levende natuur. Hel levenswerk van dr Jac. P. Thijsse weerspiegeld in een bloemlezing. Met foto’s en tekeningen (uitgeverij Ploegsma 1947), 332 blz. ƒ12.50.

Een werk van Thijsse recenseren Ik voel me alsof ik u bekpnd moet maken m.et de schoonheid van een werk van Cornelis Dopper of van een Johannes Vermeer. O/er zoiets kan niet, dan in grote piëteit en liefde wordeii gesproken.

Men kan het analyseren, men kan er menselijke fouten in aanwijzen, maar om de volle waarde te leren kennen, moet men zoiets beleven.

Op ieder, die met Thijsse hoe dan ook in aanfaking is geweest, heeft hij een indruk achtergelaten.

Dat onblusbare enthousiasme, die onbevangen kijk op de natuur, die volledige afwijzing van wat naar geleerddoenerij zweemde, die eeuwig kinderlijke open-hartigheid, voor elk dier en diertje, plant en plantje straalt u toe uit z’n levenswerk, uit dit portret-uitrzijn-werken van Thijsse.

Want Thijsse is, zoals ieder geboren verteller dat blijft, springlevend gebleven, en zal dat voor iedere opkomende generatie van jongeren blijven. Dat was zijn doel ook. Zijn opzet. En hij is volkomen geslaagd.

Hij is een onuitputtelijke bron van kleine, bijzonder interessante détails, maar hij weet 't zo te vertellen dat je moét denken: dat wil ik ook eens zien, óf: precies zo Thijsse, je zegt ’t volkomen terecht. Want zijn werken zijn doorspekt met uitdrukkingen als:

„daarom is 't ’t beste om haar té bestuderen buiten, op een frisse zomermorgen” of: „de boeken zeggen dat, maar dat komt met mijn bevindingen niet overeen”, „de geleerden zeggen, maar ik ge.oof er niets van”. Hier spreekt geen schriftgeleerde, maar een die gezag heeft.

Thijsse roepte je toe; „Doe het zelf. Gebruik goed de kennjs van anderen, maar nog beter je eigen ogen, want die beduvelen je niet.” En daf“is zijn groie wetenschappelijke waarde, en tevens zijn waarde voor ieders leven. Het kleinste ding, het meest veronachtzaamde was in zijn ogen een groot scheppingswerk, bron van oneindige vreugde voor verstand en hart. En geen laatdunkendheid deelde hij over 't geringste spoor van levensacti/iteit.

Zo schrijft hij: hadden we reden om ons te verheugen o ver een andere vondst: mooie gave nog verse uitwerpselen van een ree. Ons bosbessenbos had dus waardige bewoners.”

Dit rijk van foto’s en buitengewoon fijne pentekeningen van dr- Jan Wiické voorziene werk zal het hart" van iedere liefhebber van vreugde sneller doen kloppen, maar tevens met weemoed vervullen, omdat wij deze man moeten missen, die door zijn dood zulk een lege plaats in Nederland achterliet.

, W. MOLL, drs biol.

Aksel Sandemosa, Teerhandelaar, uit het Noors door Greta Baars—Jelgersma uitgeverij De Driehoek te ’s-Graveland 1947, 122 blz.

Een roman, wrspronkeiijk om zijn gegeven en zijn • opbouw, die' helemaal niet beantwoordt aan wat men zo langzamethand is gaan verwachten van de traditionele Scandinavische lectuur. Men kan dit weik het best, met Jef Last, onder de „schelmenromans” rubriceren. Het is het weinig stichtend relaas van een huwelijkszwendelaar, maar wat het boek aantrekkelijk maakt, is de openbaring hoe deze man tijdens de Duitse bezetting van zijn vaderland tot zijn luguber bedrijf kwam en hoe ' deze man zijn leven wist te beëindigen en dan is er nog op de achtergrond een tweede iiguur, r.et als Qe hoofdpersoon door het leven geknauwd, maar die anders, doch ook , niet o.nbedenkelijk een oplossing zoekt voor zijn m.oe:lijkheden. Geen stichtende, wel interessante levensechte lectuur. De structuur van de roman is wel bizar, maar kan mij toch slechts matig bevallen. De sarcastische verhaaltrant past wonderwel bij het thema.

W. von den Steinen. Toeval en tragiek in de uitgave L, J, Veen, A’dam 1946, 96 blz„ geb, /2.50,

'Een Zwitsers historicus, waardig-leerling van de grote Burckhardt filosofeert hier over de afwisseling van geluk en tegenspoed in de geschiedenis. Het is endoenlijk dit boekje samen te vatten, zo rijk is het aan genuanceerde gedachten. Aanbevolen aan iedereen, die genoeg algemeen ontwikkeld i,s om zinspelingen op de wereldgeschiedenis thuis te brerigen en last heeft van een verstand, dat niet aflaat te vragen naar het hoe en waarom. Ik las zelden over d t onderwerp, behalve dan bij Burckhardt zelf, zulke diepzinnige waarheden.

Iwan Toergenjew. Hamlet en Don OulÊliote, vertaling Aleida G. Schot. Uitg. J. M. Meulenhoff, A'dam 1947. 47 blz. / 2.50.

Een klein maar fijn boekje, dit essay van de edele Russische schrijver, dat de moeite van het vertaien