is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1948, no 20, 14-02-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het woord

In „Tijd en Taak” van 24 Januari heeft mevr. Pothuis—Smit al iets gezegd over de film „Het Woord”, die een bewerking is van het gelijknamige toneelstuk van de Deense predikant Kay Munk. Daar meerderen van onze lezers mij over deze fiün schreven, geloof ik, dat ik goed doe, nog wat nader op het in deze film aan de orde gestelde probleem in te gaan. Het is geen eenvoudig probleem. Het stelt ons voor niéts minder dan de betekenis van het geloof, zoals dat antwoord geeft op de openbaring van God in Jezus Christus, gelijk deze ons betuigd wordt in het Nieuwe Testament. Het behoeft dan ook geen mens te verwonderen, dat deze film het in Amsterdam niet deed. De wereld van de doorsnee-bezoeker van het City-theater en de wereld van het Nieuwe Testament liggen te Ver uit elkaar dan dat* deze film de massa zou trekken. Zij draaide slechts een. week en in die ene week.was de bioscoop lang niét altijd uitverkocht.

In het middelpunt staat de vraag naar het wonder en dan in het bijzonder het wonder van de opwekking van een dode.

Johannes,. de zoon van een boer, die bij vader thuis als theoloog afstudeert, weet er geen weg mee. De eerste preek, die hij als candidaat houdt, stelt al dadelijk de vraag, of wij nog wel waarlijk geloven. Indien dat het geval is,_ waarom gebeuren er dan geen wonderen meer? Waarom blijven lammen lam en blinden blind? Hij doorleeft die eerste keer op de preekstoel zijn eigen „christelijk” leven als zo door en door onwaarachtig, dat hij zijn studie opgeeft weigert dominé te worden. Wanneer zijn verloofde sterft, grijpt de machteloosheid van de mens tegenover de dood hem zo aan, dat hij zielsziek wordt en in zijn waanzin zich inbeeldt, Christus te zijn. Als een krankzinnige leeft hij als Christus in een volstrekt isolement op de boerderij van zijn vader.

Ik weet niet precies, of Kay Munk het zo bedoeld heeft, maar, toen ik naar de film zat te kijken, overviel mij ineens het angstwekkende gevoel, dat Christus in onze christelijke wereld veelszins als een waanzinnige in een volstrekt isolement leeft. Om Hem heen gaat het gewone leven van geboren worden en sterven en al; wat zich tussen wieg en graf aan lief en leed afspeelt, rustig dftor.

Dan sterft de schoonzuster van Johannes, die op de boerderij na de dood van haar schoonmoeder degene is, die aan het leven van allen zin en glans weet te geven. Weer staat Johannes voor de harde werkelijkheid van de dood en weer worstelt hij met de vraag: wat betekent tegenover dit onontkoombare gebeuren het geloof in Jezus Christus? Is Inger eigenlijk niet gestorven, omdat er onder de gelovigen geen één is, die gelooft? Hij komt tot bezinning en op het ogenblik, waarop men zich opmaakt, om de gestorvene grafwaarts te dragen, nadat de dominé allen heeft opgeroepen tot berusting in het onontkoombare, treedt hij de röuwkamer binnen met de vraag: is hier iemand, die mijn hand wil vasthouden in het geloof, dat de gestorvene zal opstaan?

Er is er maar één, het dochtertje van de overleden Inger. De dominé niet. De oude

gelovige boer niet. Niemand. Alleen het kind. Een aangrijpend moment en ge denkt als vanzelf aan het woord van Jezus: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, indien gij niet wordt als de kinderen, gij zult het Koninkrijk Gods niet zien!

Johannes bidt, terwijl het kind zijn hand vasthoudt. Na het gebed roept hij in de naam van Christus de dode terug in het leven. Allen knielen in grote verwondering, de dominé het laatst en daarmee is het einde van de film gekomen.

Het einde van het toneelstuk is nog feller. Johannes laat wijn komen: de uit den dode opgewekte moet wijn drinken. Het einde is het feest, de vreugde over het leven.

De vraag naar de döod en naar de betekenis van het geloof in Jezus Christus is de vraag, die Kay Munk, de dominé en de dichter, van zijn jeugd af heeft bezig gehouden. Al heel jong verliest hij vader en moeder. Als jongen van twaalf jaar vraagt hij bij een begrafenis aan zijn pleegvader, waarom de kist niet open gaat en de gestorvene niet verrijst. Wat er in hem leeft, in dit kind, blijkt, wanneer de vrouw van meester Wested sterft. Kay Munk vertelt er van in zijn autobiographie „De broer van de predikant, stond bij de baar en sprak eenvoudig en treffend. Daarna trad er iemand naar voren, die een ongelooflijk aantal verzen van Grundtvig uit zijn hoofd kende. Er was iets bij van: wat neerzinkt, vaart ten hemel... Jawel, maar de dode bleef liggen. Begrepen zij dan niet, die brave sentimentele woordkunstenaars, dat je hier met praten niet verder kwam? Of je moet zwijgen, 0f... ja wat? Als Christus hier geweest was, was Hij op de baar toegetreden, had Zijn hand opgeheven, maar niet om een lijkrede t? houden, doch om het Woord te zeggen. En de dode zou zijn opgestaan en Hij zou haar hebben teruggeschonken aan haar man. Maar wij stonden hier en waren niet in de macht van Christus. Wat ontbrak ons daartoe? Hoe kwam het, dat Christus in Zijn tijd wel doden kon opwekken? Ja, Hij beschikte over iets, dat sterker was dan de Almachtige zelf. Dat, waarover Hij beschikte, was het geloof. Als de man, die daar stond te praten... als die nu klaar was... en als je het, dan zoudt durven. Naar die kist gaan en de deksel openslaan en uitroepen, in de naam van Jezus Christus, Gods Zoon, beveel ik u, dode: sta op! Wat zou er dan gebeuren? Een schandaal zou er van komen, een vreselijk schandaal, iets akeligs pijnlijks zou er aan al het leed worden toegevoegd. En dat zou alles zijn. Eli waarom? Omdat je geen geloof had! Omdat je Christus’ geloof niet had. Je wist van alles, maar je miste die na'ieve eenvoud en die kon je jezelf niet bijbrengen... Zalig zijn de armen van geest. Ja, dat is waar. En onzalig de rijken van geest... Maar.als je het nu toch eens zoudt prcjberen? Gij Heer, Uw God, niet verzoeken. Maar waarom nie_t? Als Hij zelf ons wel in verzoeking brengt? Als je het nu toch eens probeerde?... Toen tilden ze de kist op en droegen haar naar de wagen. En dus kon je niet anders doen dan huilen, alsof je je borst kapot zou snikken.”

Waar heeft ooit iemand eerlijker over de

machteloosheid van de mens tegenover de dood gesproken dan Kay Munk het hier in zijn autobiographie doet?

Wat kan een mens al niet lijden aan zijn onmacht, wanneer hij staat bij een ziekbed, waarop een medemens een beminde vrouw, een geliefd kind naar ziel en lichaam wordt afgebroken? Alles wordt bepaald door de natuurlijke gang der dingen, het procesmatig verloop van de ziekte. Dat is het vreselijke: de ene dag na de andere gaat voorbij, de zieke wordt niet beter en de zieke gaat niet dood. Het schijnt alles zo zinloos: onaanvaardbare afbraak van het leven. Je kunt door je gebed de zieke niet genezen, maar je kunt door je gebed evenmin het einde dichterbij brengen. Maar wat betekent dan toch tegenover ziekte en dood je geloof in Jezus Christus? Enkel de bereidheid, om je te schikken in het onvermijdelijke en onontkoombare? Uitsluitend de berusting? En wat hemeltroost?

Laten wij nog eens luisteren naar Kay Munk. In een prachtig boek over hem wordt verteld, dat de Deense criticus Reventlow hem verweet, dat hij wel in zijn toneelstuk een dode tot het leven terugroept, maar dat hij als predikant dat niet vermocht in zijn parochie.

In zijn antwoord aan Reventlow citeert Kay Munk Ibsen: dichten is gericht houden over zichzelf. In „Het Woord” houdt Kay Munk gericht over zich zelf en zijn geloof.

In later jaren heeft hij er in een van zijn preken iets over gezegd tot zijn gemeente: „Gij weet, dat ik een toneelstuk heb geschreven, waarin brandend geloof een dode terugroept in het leven. Dat is één ding'. Het andere is, dat ik als predikant bij ziekbedden ben verschenen, waar ik geen kracht en geen moed en geen geloof genoeg had, om om genezing te bidden. Ik heb aan zo vreselijke ziekbedden gestaan, dat ik God alleen kon bidden, om er nu maar gauw een eind aan te maken. Maar Hij maakte er geen eind aan. Het, ging zo maar door, de ene dag na de andere, de ene week voor en de andere na. En het was niet eens God, die aan de pijn een einde maakte, toen dat einde tenslotte kwam. Het was alleen maar de natuur, die het opgaf. Toen kon ik slechts bitter tegen mijzelf zeggen: als dichter geef je uit kracht van het geloof de dode het leven terug, maar als dominé kun je niet eens aan zo’n gepijnigd mens de dood verschaffen.”

Het is zo jammer, dat de meesten, die de film -zien, Kay Munk niet kennen, noch zijn autobiographie, noch zijn preken. Want alléén wie Kay Munk kent, zijn persoon en zijn prediking, zal „Het Woord” verstaan. Het is niet minder dan het kleine stukje autobiographie en het kleine fragment uit één van zijn preken, de biecht van een man, die over zichzelf en zijn geloof gericht houdt.

Johan Winkler heeft het begrepen: met dit drama heeft Munk zi«h al de wanhopp vanwege, zijn tekort schietend geloof van het lijf geschreven. Wat hij zelf niet kon, gebeurt hier. Zijn eigen ongeloof, hier wordt het triomferend geloof. Het woord,, dat hij aan de doodsbedden van zijn parochianen niet heeft kunnen spreken, hier heeft hij het gesproken: Het Woord! „Het Woord” is zijn uit de diepste benauwenis zich jubelend vrijmakend antwoord: de dode verrijst, het wonder bestaat toch! De vraag, die overblijft, is deze: is „Het Woord” wezenlijk verkondiging? Is dit inderdaad het Evangelie? Is dit geloof in Jezus Christus in de betekenis, die dit geloof heeft in het Nieuwe Testament?

f J. J. BUSKES Jr.