is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1948, no 22, 28-02-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vasthouden

Dezer dagen had ik het genoegen een deel mee te maken van een lustrumviering ener studentenvereniging in Rotterdam, de Societas Studiosorum Reformatorum, de vereniging van gereformeerde studenten, waarvan veei gereformeerde en ook wel hervormde studenten lid zijn. Het merendeei der leden staat politiek gezien, achterde anti-revolutionnaire partij en de chr.- historische unie en aclfter de oppositie, welke tegen de huidige regering wordt gevoerd. Ook inzake het Indonesische vraagstuk zijn er maar weinigen onder hen, die achter de politiek Schermerhorn-Beel staan.

De lezers van Tijd en Taak zullen zich nu gaan afvragen,, waarin het genoegen mijnerzijds bestond in deze kring aanwezig te zijn. Enerzijds bestond dit genoegen in het weerzien van oude vrienden, maar dat is natuurlijk niet de aanleiding van dit artikel. De aanleiding is wel de ervaring, die ik heb opgedaan, dat wij niet meer zo ver van elkaar afstaan, als het wel eens lijkt. Ook in ander verband had ik deze ervaring opgedaan, waardoor ik het op z’n minst ontactisch en politiek-infantiel acht de relaties met deze groepen te verbreken, zich op de borst te slaan en te zeggen: bij ons is alle te vinden. De realiteit is n.1., dat „bij ons” sommige lieden puur reactionnair zijn en bij hen sommige lieden progressief.

Op dat lustrum werd allereerst een uitvoering gegeven van Fedde Schurers Simson. Dit stuk is typisch reformatorisch, in de echte betekenis van het woord. Ik zeg dit daarom zo, omdat ik voor mij zelf achter het woord reformatorisch in S.S.R. wel eens een vraagteken heb gezet. De verstar-

ring, die zich uitte in een volkomen formeel en volgens de letter vasthouden van de belijdenisgeschriften en die ook in onze Nederlandse Gereformeerde Kerken, vooral die van art. 31 K.O. voorkomt, is typisch niet-reformatorisch. Hét dynamiserende Woord van God stoort zich niet aan onze menselijke, tijdgebonden formuleringen. En zo is het een vreugd, dat de Hervormde Kerk thans de formule heeft: „staande op de bodem der belijdenisgeschriften”. Dat juist S.S.R. nu dit toneelstuk heeft gebracht, stemt tot hoop in'de ontwikkeling in de echt-reformatorische v;in van het woord. Hét evangelie heeft ons nu eenmaal de wet leren begrijpen en niet andersom de wet het evangelie. Een stuk als Simson is een richtingwijzer te dezen opzichte.

Voorts waren zeer interessant het referaat van de nieuwe hoogleraar aan de Vrije Universiteit Prof. de Gaay Fortman over individu en samenleving sinds 1870 en de reacties-daarop. Men zit in deze jonge A.R. kringen met de moeilijkheid: hoe kunnen wij onze partij progressief maken. En nu hebben wij niet het recht te twijfelen aan hun bedoelingen, in deze en ook niet aan de mogelijkheid van welsiagen. Integendeel wij zuilen deze progressiéve A.R. en C.H. mensen moeten bij staan zoveel ons mogelijk is, zonder daarbij de bedoeling te hebben ze over te halen in de P. v. d. A. te treden. Want waar gaat het ons, socialisten om? Toch niet om de macht, maar om een socialistische samenleving. Wij hebben gekozen voor de P. v. d. A., omdat deze volgens ons op de snelste wijze leidt tot die samenleving. Maar als anderen willen aantonen, dat ook langs andere, misschien voor hen lang niet gemakkelijke weg, dit

doel evenzeer bereikt wordt, dan zullen wij dat hebben te respecteren. Dan zullen wij ze ook wat speelruimte moeten geven en niet doctrinair zijn. Politiek is nu eenmaal de kunst van het mogelijke, om deze afgezaagde waarheid nog maar eens te herhalen. Zo zal het mogelijk zijn, dat. ze inzake de politieke actie anders denken dan wij, dat ze over de buitenlandse politiek een andere mening hebben. Als ze dat niet hadden, waren ze vermoedelijk ook niet in de A.R.P. of C.H.U. gebleven. Maar wij moeten daar begrip voor hebben en open biijven staan voor gesprek.

In één der laatste nummers van „In de Waagschaal” stond een heel kwaadaardig artikel, waarboven stond: „Loslaten”. Wij zouden deze Trouw-Christenen (en misschien nog wel anderen ook) maar moeten loslajten en zelfs gaan twijfelen aan hun Christen zijn.

Wij Christenen in de P. v. d. A. hebben de Christelijke partijen verlaten als uit het diensthuis van een valse antithese. En zouden wij ons nu in een nieuwe antithese laten dringen: voor of tegen onze-Christelijke interpretatie van de politiek? Het is best mogelijk, dat de Trouw-Christenen ons als afvalligen wiilen bestempelen. Laat ze dat dan maar doen. Politiek zijn wij gescheiden, maar als Christenen weten wij, dat een bepaalde politieke partij slechts een utiliteitskwestie is. Er is een tijd geweest, dat het voor velen van ons beginsel was lid te zijn<Van een Chr. partij, momenteei eist ons beginsel van ons, dat wij achter de P. v. d. A. staan, in de toekomst kunnen wij niet zien, maar een verandering van partij is altijd mogelijk. Wij weigeren in ieder geval onze partij te zien als een soort kerk, waarvan men in leven en sterven deel uitmaakt. Dat sommigen dat doen in het Trouwkamp is een zaak, die hen aangaat. Wij mogen er ons niet toe laten verleiden.

In het weekblad „De Hervormde Kerk”

heeft berouwd. Ik werd lid van de vakbond, de Natuurvrienden, het Instituut voor Arbeidersontwikkeling, de A.J.C. en later van de S.D.A.P. en de V.A.R.A.

Thans zijn wij beiden lid van de Partij van de Arbeid, de V.A.R.A., de Stem des Volks, de Vakbond en lezen Het Vrije Volk. Voor 'de oorlog heb ik ook nog kennis gemaakt met de communisten en de vereniging van Vrienden van de Sowjet-Unie. Ondanks mijn respect, voor de prestaties van Rusland, ben ik daar indertijd volkamen van teruggekomen.

Door middel van verschillende personen uit de moderne beweging kwam ik reeds voor de oorlog ook in contact met het Vrijzinnig Protestantisme* voelde me daar erg toe aangetrokken en tot heden nog. Deze mensen hebben volgens mij een veel ruimere visie en zijn moderner van opvatting, omdat zij zich veel meer met de hedendaagse wereld bemoeien.

Wanneer wij naar een kerkdienst van de Vrijzinnigen waren geweest hadden wij terechtwijzingen en aanwijzingen ontvangen om onze plicht als christenen in de wereld te verstaan en een betere verstandhouding van mensen onder elkaar te bevorderen. We leerden onze verantwoordelijkheid voor de mensen begrijpen.

Volgens mij bemoeide de Ned. Herv. Kerk zich veel te veel met de dode letter en trok zich weinig van de wereld aan, waarin we nu leven. Zij raakte uit de tijd. Zij was niet meer het bijtend zout der aarde. Zij verstond haar revolutionnaire plicht niet meer als verkondigster van het evangelie aan iedereen. Zij sloot zich van de wereld af en haar kerkgangers tooiden zich met

het etiket van alieen goed te zijn. Daarbij kwam als grootste kwaad de officiële vertegenwoordiging in ’t panlement door de zogenaamde Christelijke partijen, de Christelijk Historische Unie en de Anti-Revolutionnaire Staatspartij. Deze laatste meer de Gereformeerde kerk vertegenwoordigende. Beiden gericht tegen de moderne arbeidersbeweging, de mensen die zich indertijd van'de dode'kerk hadden losgemaakt, omdat de kerk haar roeping niet meer verstond. Beiden de kerk meesleurende, als verdedigsters van het kapitaal en het militaire apparaat, daardoor de Heilige Schrift verloochenend. De Kamer-, Provinciale- en Gemeenteraadsverslagen van jaren her spreken voor zichzelf.

De Vrijzinnig Hervormden, zomede de Remonstranten, Doopsgezinden, Evangehsch Luthersen enz. lieten zich niet door een bepaalde partij vertegenwoordigen. Het was dan ook voor mij verblijdend, toen ik het bericht las van het toetreden van een zevental Amsterdamse predikanten van de Ned. Herv. Kerk tot de S.D.A.P., waaronder orthodoxe. De geruchtmakende brochure is in mijn bezit. Nog verheugender was het voor mij toen bij de oprichting van de Partij van de Arbeid bleek, dat dit gebaar gelukkig navolging heeft gehad. Verder heb ik met enthousiasme „Gemeente'Opbouw” gevolgd en inderdaad: de kerk is weer in beweging. Mijn hoop is nu, dat er tussen de diverse Protestantse kerken meer saamhorigheidsgevoel zal komen. Nu ons probleem. Wij voelen het als onjuist aan, wanneer wij bij een der vrijzinnige kerken' aankloppen vbor onze belijdenis. Wij zouden daardoor de scheiding in

de Hervormde Kerk helpen vergroten. Wanneer wij bij de Hervormde Kerk aankloppen, komen wij met onze levensopvatting in flagrante strijd met de politiek der Ned. Herv. Kerk, zolang zij zich officieel door de politiek Christelijke(?) partijen laat vertegenwoordigen. Men slaat hiervoor Kerkbodes maar eens op ten tijde van een verkiezing en lees Ver het'reclamemateriaal op na en men vindt een gehele waslijst van predikanten der Ned. Herv. Kerk, die één van beide partijen aanbevelen, als vertegenwoordigers van de Ned. Herv. Kerk. In dezelfde personen vindt men weer terug de propagandisten voor het Christelijk Vakverbond, de (aanbevelenswaardige?) Bijzondere School enz. enz., in wezen alie oorzaak van verdeeldheid, splitsing enz. Is dat de werkelijke bedoeling van het .Evangelie?

Zeker, wanneer men belijdenis doet, doet men dat voor God en niet voor een bepaalde kerk; doch evenzo is het, wanneer men belijdenis heeft gedaan neemt men toch eigenlijk ook een plicht op zich t.o.v. die kerk en dus haar politiek.”

Tot zover de brief. Mijn antwoord er op doet niet terzake ... al zou ik met deze' makker graag doorpraten. Ik voeg alleen deze opmerking toe met name aan het adres van Antitheseverdedigende dominees en professoren: zulke mensen als deze lopen er duizenden rond. Zegt het u niets, dat het aantal van hen, die de omgekeerde weg gaan, nooit in de openbaarheid tot uitdrukking komt, omdat ze er eenvoudig niet zijn? – W. B.