is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1948, no 23, 06-03-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET NEDERLANDSE VOLK EN ZIJN OVERHEID

De Nederiander is een geboren „anarchist”. Ook al staat het woord anarchist tussen aanhalingstekens, deze stellige uitspraak zai door vrijwei geen enkeie iezer au sérieux worden genomen. Dit is zijn goed recht, evenzo het aanvoeren van talioze, zeer overtuigende argumenten die moeten dienen om mijn steliing te ontzenuwen.

Misschien zulien er ook onder u zijn, die zich deze moeite niet eens zuiien getroosten wegens de enorme dwaasheid die dat eerste zinnetje bevat. De Nederlander een geboren „anarchist”! Och kom, je kunt veel van de Nederlanders zeggen, er is zeer zeker reden tot critiek, ai zijn eigenschappen zijn iang niet even gunstig, maar anarchistische neigingen heeft de Nederiander toch wel in de allerlaatste plaats. Zo denkt u, lezer, en u begint met een opsomming van de feiten, die met mijn stelling in flagrante tegenspraak zijn.

De Nederlander houdt van zijn gezin, van zijn vrouw en kinderen, van zijn stoel bij de huiselijke haard, van zijn pijp, pantoffels en zijn krant. Hij houdt ook van zijn arbeid, die hij dikwijls met weinig fantasie, maar toch altijd met grote plichtsbetrachting vervult. En als deze na de oorlog minder is geworden, dan zal ieder weldenkend mens en juist dit soort lieden is zeer talrijk hierover afkeurend spreken.

De Nederlander is burgerlijk. Ik bedoel hier niets onvriendelijks mee. Met deze term „burgerlijk” wordt echter precies aangeduid, hoe de Nederlander in het leven staat. Hij houdt van orde en regelmaat, hij wenst bescherming van zijn have en goed door de Overheid, hij sluit bijtijds een weldoorgedachte levensverzekering, hij spaart voor de oude dag, hij neemt het zekere voor het onzekere, heeft liever het halve ei dan de lege dop. Extreme, politieke richtingen hebben weinig of geen vat op hem enigszins in deze na-oorlogse tijd en dan altijd nog beperkt tot zeer speciale groepen van ons volk —, oproerkraaiers vinden weinig of geen gehoor* en hebben zelden succes. Zo gaat hij door het leven, met of zonder de kerk, maar Zondags altijd in een net pak en wandelend met vrouw en kroost.

Felle emoties vallen als los zand bij hem neer. De „crime passionnel” behoort hier tot de uitzonderingen en zo zij voorkomt, is de reactie erop een meewarige glimlach en de „wereldwijze”, enigszins cynische opmerking: „wil de één niet, dan een ander”.

Is deze burger, zoals hij hierboven getekend is, een anarchist?

Eerder het tegendeel, zijn antipode. Want met zijn verstand is iedere Nederiander ervan overtuigd, dat orde en gezag noodzakelijk zijn, nimmer ontbeerd kunnen worden.

Dat veie kunstenaars anarchistische neigingen hebben en juist de doorsnee-Nederiander links en onhandig tegenover hen staat en met hen geen weg weet, zou als een zeer sterk argument tegen mijn steliing kunnen gelden. Met handel en wandel van de kunstenaar heeft de Nederlandse burger vrijwel geen enkele relatie. Alle burgerlijke zekerheid en burgerlijk fatsoen worden door de kunstenaars zo sterk gerelativeerd, dat de burger zich zo snel mogelijk van hem afwendt en hem beschouwt als een „species sui generis”, van een zo eigen soort, dat een behoorlijk mens met hem nauwelijks in contaót treedt en als een curiosum in onze volksgemeenschap beschouwt. Het anarchisme van de kunstenaar is de Nederiander dan ook ten enen male vreemd.

Met zijn ratio is hij ervan doordrongen, dat orde en gezag gehandhaafd moeten worden en dat dit de taak van de Overheid is, maar in de practijk van het leven revolteert hij voortdurend tegen alle instanties die gezagsdrager zijn. Het is frappant, hoe deze, anders zo weinig emotionele Nederlander, heftig bewogen is, zodra hij meent, in zijn persoonlijke vrijheden te worden beknot en naar zijn oordeel dus onrechtvaardig te worden behandeld. De term vrijheid is voor ons ten dele synoniem met losbandigheid en vaak ook met ongemanierdheid.

Overheidsbezit wordt niet gevoeld als gemeenschappelijk eigendom, waarvan men door zijn belastingbijdrage mede-eigenaar is geworden, maar wordt beschouwd als een soort niemandsland, waarin een ieder onbeperkt als vrijbuiter mag optreden. Komt men hierdoor in aanraking met een gezagsdrager die tot taak heeft dit overheidsbezit te beschermen, dan is men meestal zeer verontwaardigd en gedraagt zich als de gekrenkte onschuld. Deze schenders van dit gemeenschappelijk eigendom komen in alle rangen en standen vóór en deze vorm van vrijbuiterij moet dan ook als een typisch Nederlandse karaktertrek worden gezien. Daarom is ons land bezaaid met bordjes, die grasvelden, bloemperken en andere eigen-

dommen moeten beschermen en die dreigen met art. 461 van ons Wetboek van Strafrecht. Maar dit is nog niet voldoende: wil men inderdaad iedere burger van bloeiende planten, heesters of bomen in de plantsoenen laten genieten, dan kan dit slechts geschieden onder het voortdurend wakende oog van een politie-agent. En zelfs dan nog kan het gebeuren, dat een dame of heer van een onbewaakt ogenblik gebruik maakt om een en ander af te ruk ■ ken en mee te nenien. Waarom? Wegens geldgebrek? Neen, omdat iedere Nederlander, arm of rijk, er een onbeschrijfelijk plezier aan beleeft, iets te doen wat niet geoorloofd is, en daardoor enkele dubbeltjes uit te sparen. Daarom hebben wij een leger controleurs en ordebewaarders, die hun kostelijke tijd verdoen met het in ’t gareel houden van hun medeburgers. Waarom moeten voor iedere treinreis, ook al is •zij nog zo klein, minstens drie controlerende ambtenaren in ’t geweer komen? De Nederlandse Spoorwegen hebben gedurende korte tijd geprobeerd, of de controle bij de ingang kon worden opgeheven, maar dit bleek al spoedig een misrekening te zijn. ,Dus terug naar het oude systeem, dat twee ambtenaren meer vraagt dan bv. in Engeland, waar noch de controle bij de ingang, noch die in de trein bestaat, nu, uitgezonderd op de lange interlocale en internationale lijnen, het klasse-systeem in de oorlog is afgeschaft. Maar reeds vóór de oorlog kon de controle daar beperkt blijven tot een enkele steekproef, terwijl in Neder – land, wil men het aantal overtredingen binnen zekere grenzen houden, ieders plaatsbewijs aan een zorgvuldige visitatie moet worden onderworpen. Want de Nederlander is zeer vindingrijk in het ontduiken van officiële geboden en verboden! Is het geen succes, bijna een overwinning, om van een reeds verlopen retourbiljet gebruik te hebben gemaakt? Zo’n gebeurtenis is zeker de moeite waard om ’s avonds in de familiekring in geuren en kleuren te worden verteld. Maar doet u dit niet aan uw Engelse gastvrouw of gastheer en nog veel minder aan uw Zwitserse, want dan krijgt u zeer spontaan en verbaasd ten antwoord: „Aber das darf doch nicht!” Voor Zwitserse begrippen is het volkomen ongehoord om op deze wijze een overheids- of semi-overheidsinstelling te bedriegen. Want de trein of tram waarin u reist, wordt als gemeenschappelijk bezit beschouwd, waarvóór een ieder mede verantwoordelijk is. Duidelijk blijkt dit ook uit de wijze, waarop van die tram of trein gebruik wordt gemaakt. En deze vergelijking tussen de Zwitser en Nederlander is juist daarom zo interessant en instructief, omdat vele eigenschappen van beiden gelijk zijn.

Het Hollandse gezin, en meer speciaal de Hollandse huisvrouw, is alom bekend geworden door haar grote zindelijkheid en netheid op eigen woning en huisraad. De Zwitserse huisvrouw doet hiervoor zeker niet onder. Maar er is een radicaal verschil; wij zijn tevreden en volstaan er dan ook mee het vuil het huis uit te werken, zonder ons te bekommeren om en verantwoordelijkheid te dragen voor datgene wat buiten ons eigen domein valt. Openbare gebouwen, spoorwegcoupé’s en trams, straat en gracht, zij zijn alle tezamen één grote vuilnisbak, waarin wij ons afval plegen te deponeren. Natuurlijk gaan wij ons onbehaaglijk voelen en mopperen, wanneer de vervuiling te erg wordt —■ daarvoor zijn wij Nederlanders en menen wij, dat de Overheid in haar taak tekort schiet, maar het schijnt nu eenmaal niet bij ons op te komen, dat wijzelf op zeer eenvoudige wijze zouden kunnen meewerken. , C. D. SAAL. (Wordt vervolgd.)

ring van de wet aan zijn handen is toevertrouwd de minister van Oorlog beslist op zijn advies is verontrustend, daar -teikens weer blijkt, dat hij niet in staat is, de bezwaren, die een aantal dienstplichtigen tegen de miiitaire dienst hebben, te verstaan en op de juiste wijze te waarderen. Verheugend is, dat van meerdere kanten de protesten ioskomen. Men leze de brieven van dr v. d. Voet en dr Oberman. Het schijnt, dat de president van de Krijgsraad en mr Brouwer, de voorzitter van de Adviescommissie Dienstweigeringswet Kamer Ned.-Indië, de minister van Oorlog geadviseerd hebben, de zaak tenig te wijzen naar de Adviescommissie. Ons kwam verder ter ore, dat .minister Neher zich voor de kwestie interesseert. Hij heeft er bij prof. Josephus Jitta op aangedrongen, de minister van Oorlog te adviseren, de Krijgsraadszaak

op te schorten en de zaak naar de Adviescommissie terug te wijzen.

Het erge blijft intussen, dat dit alles niet nodig zou zijn, indien de uitvoering van de Dienstweigeringswet was toevertrouwd aan één, die met de wet ernst maakt. Dat is niet het geval.

De schuld van prof. Josephus Jitta is wel heel groot en het is toch eigenlijk ontstellend, dat de minister van Oorlog op de door prof. Josephus Jitta lichtvaardig uitgebrachte adviezen beslissingen neemt, die niet alleen aan vier jongens onrecht doen, maar ook de zaak van de gewetensvrijheid in ons vaderland grote geestelijke schade berokkenen.

Wij mogen en zuiien niet rusten, voordat het onrecht, deze vier jongens aangedaan, ongedaan gemaakt, en de schande, ons voik aangedaan, uitgewist is.

J. J. BUSKES Jr.