is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1948, no 24, 13-03-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

' den Heer behoort de aardt en haar 1 volheid. “ \ Psalm 24 : 1 /

fyd en Tnah

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR EVANGELIE EN SOCIALISME

TEVENS ORGAAN VAN DE PROTESTANTS CHRISTELIJKE WERKGEMEENSCHAP

No. 24 Verschijnt 50 maal per jaar 46ste jaargang van de Blijde Wereld «

Redactie Prof. Dr W. Banning Ds. J. J. Buskes Jr Ds. L. H. Ruitenberg Mr. G. E. V. Walsum Secr. der redactie: J. G. Bomhoff, Roerstraat 48 111 A’damsZ. Tel. 24386

V Ab. bij vooTUitbet. p.j. f B.—, halfj. j 4.25, kwart, f 2.30 pl. f 0.15 inc. Losse nrs f 0.15, Postg. 21876, Gem.giro V 4500, Adm. N.V.JIe Arbeiderspers, Hekelveld 15, A’dam-C.

DE ANGST SLUIPT AAN

Toen wij Zomer 1947 in Duitsland reisden zwegen velen over wat hen het diepst beroerde: dat de Rus enige tientallen kilometers verder heerser was. Dit zwijgen was een onmachtig zwijgen. Maar het verlamde van velen de werklust, die toch al moeilijk uit de vermoeide ziel te putten was. Het benam velen het uitzicht dat noodzakelijk is om te werken. Maar het schiep wel een klimaat, waarin boze geruchten opbloeiden. Geruchten, die het merg uit het leven zogen. Voeg daarbij, hoe dertien jaren lang de propaganda tegen het bolsjewisme getoeterd had en dat óók wie zich er tegen verweerden, door deze propaganda besmet werden, en gij hebt het beeld van de geestelijke gesteldheid van menige Duitser.

Niet van elke. Er was ook, hier en daar, een weten van schuld, een begrip voor wat Duitsland Rusland had aangedaan en tegelijk een diep inzicht, dat het woeden van demonen den christen niet mag doen versagen. Een enkele opmerking, een simpel woord verried zulk een inzicht. Het waren troostwoorden temidden van het puin. ,

En nu: Tsjechoslowakije.

Tot nu toe konden wij onze afkeer tegen het communisme temperen door de fictie, dat elk land zijn eigen vormen van commimisme zou scheppen. En dan, van geval tot geval, naar bevind van zaken, in elke machtssituatie, oordelen.

Tot nu toe maakte het communisme zich breed in de landen, die geen democratie hebben gekend. Waar althans de democratie uiterst zwak was. Voor de Balkan hebben wij steeds onze democratische neus opgehaald, ook al hulden zich de partijen daar in namen, aan het Westeuropese politieke leven ontleend.

Met Tsjechoslowakije is dat anders. Daar hebben wij het eerste voorbeeld, hoe het hier zou kunnen gaan: intieme economische relatie scheppen met Sowjet-Rusland. Een massa werven op grond van deels redelijke en deels illusoire eisen. Daarna die groepen, die voor een deel mee kunnen gaan met bepaalde eisen, en die bovendien door een gemeenschappelijk ver verleden zich van gelijke woorden bedienen en daaruit enige gelijke denkwendingen hebben overgehouden, aan zich binden dan is er een „meerderheid” en de zaak kan zijn gang gaan. Broodroof en gewetensknechting. De handles van de staatsmachine in handen van mensen, die er op uit zijn het

volle gewicht van hun macht te laten drukken op wie zich niet gewonnen geven. Gewapende mannen op straat. Het „volk” heeft overwonnen.

Zo staat het ievensgroot voor ons.

En nu is het ons zeer dichtbij gekomen. De afstand in kilometers is gelijk gebleven, maar de realiteit van de dreiging staat ons onverhuld voor de geest.

Nu sluipt de angst aan. Een luidruchtige angst. Protestvergaderingen en moties. Roepen om de uitbanning van communisten uit het publieke leven en om een nieuwe vrijwillige landstorm.

De grote vergaderingen van de Partij van de Arbeid begrijp ik. Zij heeft duidelijk te maken aan een grote massa volks, die communisten stemden, dat zij niet kozen voor nieuwe woningen eri meer kleding, maar voor verkrachting van gewetens; dat zij werktuig zijn in handen van mensen, die een flauwe notie hebben van wat eerbied voor de mens is. Dat de Partij van de Arbeid dit zegt, is een daad van nationaal belang. Haar tegenstanders ter rechterzijde mogen smalen dat zij broedplaats iS van het communisme, wie de diepe verknochtheid kent van het democratisch socialisme aan de hoge waarden van geweten en persoonlijkheid en wie weet, hoe juist de nieuwe Partij van de Arbeid, geboren uit het verzet tegen de Duitse onderdrukker, dit met grote nadruk vooropstelt, gaat aan zulke opmerkingen geërgerd voorbij.

Maar al die andere uitingen-? Al die angst?

Angst is het verkeren in een engte. Het is staan tussen hoge muren. Het is verkeren in een cel.

Nu is de cel der retraite een plaats, die te weinig bezocht wordt. Wanneer de gebeurtenissen in Tsjechoslowakije ons daarheen leiden, hebben wij geen bezwaar tegen die muren. Want daar, teruggeworpen op onszelf, hebben wij de gelegenheid te overdenken, hoe dit alies mogelijk is. Dan ontdekken wij, dat dit mogelijk was door gebrek aan liefde en aan inzicht. Dat hangt samen. Er is geen inzicht geweest, omdat de baatzucht van vorige generaties geen wegen wees voor de vereenzaamde zielen, die naar de woonkazernes gelokt werden om uitgebuit te worden. Er is geen inzicht geweest om de macht der anonieme bezitters die óók macht over de gewetens hadden! terug te dringen. Want liefde was tot het domein van de persoonlijke verhoudingen verwezen en kreeg daar een

sentimenteel en filanthropisch karakter. En mensen vergeten slecht. Vooral, wanneer men in krotten woont en geen kleren heeft. Wanneer wij nu roepen om hervormingen, dan wekt dat bij hen, die niet vergeten kunnen, de bittere vraag, waarom dat thans, nu sterke machten dreigen, op het program komt te staan.

Ziet, dat hebben wij te overwegen bij de inkeer, waar deze tijd om roept. Dan verstaan wij iets van het bijbelse woord „oordeel”.

En dan dempen wij onze luidruchtigheid. Dan gaan wij niet in feén schuit zitten met hen, die in het verleden nóch het inzicht nóch de liefde hadden om de dreiging, die nu opgewekt is, te keren.

Wat wij wèl zullen doen is nog hardnekkiger pleiten voor een radicale politiek op sociaal, economisch èn geestelijk gebied. In ons volk en in West-Europa. Opdat er een geestelijke macht kome, die ontoegankelijk maakt voor de catastrofe-politiek van communisten.

Maar nog iets, dat wij óók moeten zeggen. Of liever: vragen. Dit: Wat heeft het voor zin, als wij naast alle zakelijke overleggingen, naast het taxeren van pplitieke machtsverhoudingen, naast het opstellen van goede programma’s niet weten van de belofte van het Koninkrijk Gods? Men huivert ervoor, zulke dingen te zeggen. Ze zijn zo- vaak gezegd als dekmantel voor passiviteit, als verdoezelende stichtelijkheid. Dat wij het toch vragen, komt, omdat wij menen, dat slechts het horen en geloven van die belofte ons verlost van angst en plotselinge activiteitskramp.

Dit te horen en te geloven wil zeggen, dat wij héél diep weten van een gebeuren Gods dwars door ons handelen heen. Een Gebeuren, dat doorgaat, óók in Tsjechoslowakije, óók in Rusland, óók in Nederland. Communisten glimlachen honend om de angst van anderen, want zij geloven in de onherroepelijkheid van de machinerie van hun aanzweilende macht. Laten wij glimlachen maar mild omdat wij geloven in het Koninkrijk Gods, waarvan het Teken Golgotha is en waarvan wij tekenen mogen oprichten. Misschien is het duidelijkste teken thans om géén angst te hebben.

Wij leven in de lijdenstijd, lezer!

L. H. RUITENBERG.