is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1948, no 26, 27-03-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( / <len Heer f behoort de aardeJ I en haar J ' V volheid. \ Psalm 24 1

fljd en Taak

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR EVANGELIE EN SOCIALISME

TEVENS ORGAAN VAN DE PROTESTANTS CHRISTEL IJ KE WERKGEMEENSCHAP

No. 26 Verschijnt 50 maal per jaar 46ste jaargang van de Blijde Wereld

Redactie Prof. Dr W. Banning Ds. J. J. Buskes Jr Ds. L. H. Ruitenberg Mr. G. E. V. Walsum Secr. der redactie: J. G. Bomhoff, Roerstraat 48 111 Tel. 24386

Ab. bij vooruitbet. p.j. f B.—, half], f 4.25, kwart, f 2.30 pl. f 0.15 inc. Losse nrs f 0.15, Postg. 21876, Gem.giro V 4500, Adm. N.V. De Arbeiderspers, Hekelveld 15, A’dam-C.

DE ZIN DER DWAASHEID

Tot deze overpeinzing zet ik mij op de Zondag, die men Palmzondag noemt: herinnering aan die vreemde intocht in Jeruzalem, waarbij Hij, die de Heer der gehele wereld wordt geloofd, op een geleende ezel de stad binnenrijdt, wat haastig af gerukte palmtakken en wat schamele kledingstukken de enige versiering vormen. Dit artikel zal onze lezers onder ogen komen op de Vrijdag, die men „de goede” heet: herinnering aan een dood ergens in een afgelegen hoekje der wereld, waar te midden van een paar boeven Hij in een snik van Godverlatenheid sterft, die de openbaring der goddelijke liefde heet. Daarmee is het thema voor mijn overpeinzingen vanzelf gegeven: de zin van de dwaasheid van het Evangelie en ik weet meteen, dat het weer niets worden kan, dat ik mij weer ga vertillen aan het boven alle begrip grote en zware en dat ik het toch weer moet doen niet omdat er een artikel op de voorpagina van de krant moet, maar omdat het onderwerp je weer pakt...

Ik weet niet, wie er bij die intocht geweest zijn maar stellig was het niet veel zaaks. Het was ook een gek geval: zo’n stelletje provincialen, geschaard om een wonderen doende dweper, die te zamen de hoofdstad binnentrekken. De culturele en godsdienstige leiders van. het volk, de dominee’s en advocaten en kunstenaars en geleerden waren wel absent, vermoed ik; wie Hem toejuichtep, zullen wel de onaanzienlijken, de verworpenen en vergetenen geWeest zijn... Zo hóórt het immers? ' Werd Hij niet geboren in de stal der armoede, en verkeerde Hij niet met de tollenaren en de vrouwen van verdachte zeden? Zo hóórt het immers: wat groots en geweldig, wat schitterend en machtig is in de ogen der mensen, heeft Hij niet geteld, en als Zijn glorie openbaar wordt, dan is daarbij niets van de grootheid der wereld te gebruiken. Hij gaat nu eenmaal Zijn eigen weg: die van de nederigheid en de armoede ...

Waarom? Ach, ik schrijf wel gemakkelijk een zinnetje neer, en gij, waarde lezer, die met mij mee denkt en peinst, zult er U niet

door laten inwikkelen ... want gij voelt er wel het gevaarlijke en misleidende, misschien zelfs het huichelachtige van. Ik kan wel zeggen;" omdat de weg van de goddelijke Liefde door deze barre en boze wereld steeds de weg der dienstbaarheid zijn moet. Maar waarom hecht ik dan wél aan „de dingen van deze wereld”, aan een goed huis en een goed salaris, aan wetenschap en kunst en zo heel veel meer? Ik vraag mij af, opnieuw, of ik dan óók behoor tot die millioenen uit alle eeuwen, die Hem niet hebben gekend, althans niet herkend naar Zijn wezenlijke aard, naar Zijn diepste geheimenis. Het is toch een irriterende dwaasheid, een radicale weerspreking van ons eigen bestaan, ook van onze verwachtingen en idealen: wij willen zichtbare glorie en tastbare heerschappij, wij willen redelijke ordening en naar onze idealen gelukkig gemaakte wereld en in het Evangelie draait alles om een uitgeworpene, om een Koning met een doornenkroon, die zij zo aanstonds laten dood-Jjloeden aan het kruis der schande. Hoor ik dan ook tot die mülioeneii, die in de grond van hun wezen zie naar hun doodgewone levenspractijk anders kiezen?

Zó wordt het ons in deze’ dagen opnieuw aangezegd: Hij, die de waarheid Gods heeft gebracht de waarheid der eindeloze Liefde, die uitgaat tot allen die in nood zijn heeft niet alleen de gestalte aangenomen van dienstknecht, maar, vreselijker en huiveringwekkender van de lijdende dienstknecht; Hij die de Koning van heel deze wereld is (staat het zo niet in een Kerstliedje, dat wij ontroerd zongen?) is de gekruisigde Koning. Dat blijft, hoe ik het wend of keer, wezenlijk voor het Evangelie... dat ik niet begrijp, dat wij Christenen niet naar de leer, ach neen die is wel zuiver, maar naar onze levenspractijk telkens weer tot dwaasheid verklaren.

De zin dezer dwaasheid? Nu ik deze woorden weer neerschrijf, weet ik dat ik eigenlijk iets héél anders bedoel: „de zin der

dwaasheid” wekt immers de gedachte, dat ik in staat ben een en ander duidelijk te maken, tot harmonie om te filosoferen, zo dat U aan het eind zegt: ja, nu begrijp ik het. Wel, zo zal het vandaag niet zijn, niet mogen zijn. Ik „begrijp” n.l. van die lijdende knecht en gekruisigde Koning niets, en alle harmoniserende theorie erover wantrouw ik ten diepste. Maar dit wordt mij duidelijk aan en in mijn hart: dat niet alleen mijn levenspractijk, maar ook mijn ingeboren neiging en wil zich vierkant en resoluut verzetten tegen een leven van enkel dienen, van enkel de waarheid Gods; dat een mens zichzelf wil zijn en doen gelden en handhaven en tot macht komen. En er is maar één kracht, die de zelfhandhaving breekt, en daardoor ons leven redt: de heilige liefde van Christus. '•

Preek? Toe dan maar. Wellicht nooit zó actueel als in deze jaren, waarin de machtswil der wereld naar een derde wereldoorlog stuwt en de volkeren in de ban der zelfhandhaving en van de angst verstijven... Er staat, stellig: onbegrepen, maar ook irriterend, brekend en daardoor reddend, ook in de 20e eeuwse wereld het Kruis: teken der Liefde, die onze ikzucht en machtswil, die wereldse glorie en politiek wil breken, opdat wij eindelijk leren wat waarachtige Liefde vermag ...

Nu komt de verleiding om aan het verhaal een stichtelijk slot te draaien: de overwinning van Pasen. Ik weiger mijzelf deze wending... ik wil het mij vandaag laten zeggen in alle strijdende, brandende ernst: dat mijn hart te hecht vast zit aan wereldse macht en grootheid, om de glorie van de lijdende knecht te verstaan. Maar óók het andere wordt ons aangezegd: dat de Liefde van God ons zó lang zal lastig vallen en ergeren, via het Kruis, tot wij ons zullen overgeven. Dan zullen wij herkennen, dat een leven van dienen, geven, zichzelf wegschenken, van de eerste tot de laatste dag, het reddende leven van de ware Koning is geweest.

W. B.