is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1948, no 29, 17-04-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

UND NEUES LEBEN BLÜHT AUS DEN RUINEN!»

Wij zijn gewend sombere verhalen uit Duitsland te horen: ruïnen, honger, zwarte handel, verkommering, cynisme en geestelijke moeheid; een wantrouwen tegen en onbegrip voor de bedoelingen van de bezetters, onverkwikkelijk onderling partijgeruzie en gebrek aan soldariteit tegenover degenen, die niets in ruil hebben aan te bieden: „de „Normalverbraucher”, de „Ausgebombte”, de „Ostflüchtlinge”.

Natuurlijk, dat is er allemaal. De Duitse steden zij n ruïnen, het nationaal-socialisme heeft een geestelijk vacuum achtergelaten, dat heel dicht bij een consequent nihilisme ligt en op het platteland, dat ongeschonden is, is een harde strijd gaande tussen de bezittende boer en nietbezittende stedelijke bezoeker of ingekwartierde.

Maar dat alles is niet het enige: zo goed als men af en toe weer groen en bloemen op de drie en vier jaar oude puinhopen kan zien, zijn er voor een bezoeker, die goede gidsen heeft, af en toe lichtpimtjes te ontdekken.

Ik heb zélf het voorrecht gehad dezer dagen een deel van Duitsland, het Ruhrgebied en Westfalen, terug te zien, dat ik anderhalf jaar tevoren ook bezocht had; en dat heeft mijn overtuiging bevestigd, dat er in het sombere beeld van het huidige Duitsland toch weer enige lichtpuntjes te ontdekken zijn. Aan de hand van een algemene indruk van enkele personen, die ik ontmoette en enkele instellingen, waarmee ik in aanraking kwam, kan dit worden toegelicht.

Algemene indruk

Het algemene beeld, zelfs dat van de verwoeste steden is minder somber dan in de zomer van 1946: men is zichtbaar gevorderd met het puinruimen: de straten zijn vrijwel geheel schoon, overal door de steden ligt smalspoor voor kipkarretjes, waarmee het puin ook uit de tussenliggende blokken wordt v/eggevoerd, veel van de spookachtige gevels, waar niets meer achter staat, zijn verdwenen; het heeft tot eind 1947 geduurd voordat enige vooruitgang in dit gezwoeg zichtbaar werd, maar nu zijn de eerste resultaten te bemerken. Verkeersmiddelen (trams!) en stadsverlichting vertonen ook aanmerkelijke vooruitgang, al raken de fietsbanden kennelijk op hun einde. De glasproductlie is blijkbaar goed, in vrijwel alle vensters zitten weer ruiten; zelfs zijn hier en daar weer grote spiegelruiten in de magazijnen te zien en achter die ruiten staan weer waren, nog niet als in Nederland, maar toch wel op een peil

van Nederland in 1942 en niet meer zoals in Nederland van begin 1945; voorzover grond- en brandstoffen het toelaten, wordt er dus blijkbaar weer geproduceerd; wel blijft het belangrijkste onder de toonbank, zolang de geldzuivering nog niet is doorgevoerd. Een sigaret heeft altijd nog de Waarde van een arbeidersdagloon.

Al worden er in de stad nog geen woningen gebouwd, er is veel opgelapt en gerepareerd, zodat het weer bruikbaar is, overal tussen het puin verschijnen kleine éénkamerwoninkjes van afgebikte stenen en op het platteland verschijnen zelfs vrij veel nieuwe, zij het waarschijnlijk „zwarte” huizen en schuren.

Zelfs in het industriële Ruhrgebied is de voedseltoestand niet zo erg, dat men de mensen de honger aan kan zien. De rantsoenen zijn laag, er is veel t.b.c., een vettoewijzing van 3 tot 5 gram per dag is natuurlijk volstrekt onvoldoende, maar met wat bijvoeding in de bedrijven, scholen en kantoren doet men het er mee onder •het motto: „alles went”.

De kleding is niet meer beter dan in Nederland, zoals twee jaar geleden maar ongeveer gelijk met 1946, in het algemeen redelijke kwaliteit bij de vrouwen, zij het wat versleten en_uit de mode, weinig hoeden, veel kniekousen en sokjes; bij de mannen en jongens nog heel veel soldatembroeken, -jassen en -mutsen. Wel vallen tussen dit niet al te ongunstig gemiddelde enkele armoe-typen op, die men bij ons niet ziet, als de in militaire lompen geklede trekker van een invaliditeitsrente, die zijn dag vulde met het nasnuffelen van vuilnisemmers naar blik, lompen en etensresten, die hij zorgvuldig in verschiliende zakken borg voor een kleine bijverdienste.

Ontmoetingen

Twee ontmoetingen zal ik niet licht vergeten; beide vrij korte gesprekken met drukbezette mensen. De eerste was met „Frau Minister” Teusch, de eerste vrouwelijke minister in West-Duitsland, een oudere dame, onderwijzeres geweest, voor 1933 Rijksdag-afgevaardigde voor het „Zentrum”, tijdens de Hitler-periode en de oorlog zo ongemerkt mogelijk vele contacten aangehouden, na de oorlog voor de Christen-Democratische Union en de Landdag van Nord-Rhein Westfalen gekozen en door de premier Arnold, na het aftreden van de rector der Keulse Universiteit Konen, op 18 December j.l. tot minister voor Culturele Zaken benoemd. Zij woont officieel nog in Keulen, maar de zes werkdagen heeft zij een zit-slaapkamertje in

een R.K. ziekenhuis in het regeringscentrum Düsseldorf. Wij krijgen haar ’s avonds tegen half zes te spreken, terwijl zij om een uur of acht begonnen is met werk en, als al haar ambtenaren, doorgewerkt heeft gedurende de middag, uitgezonderd de tijd benodigd voor een bord soep. Hoewel zij zeker boven de zestig is, is zij niet merkbaar vermoeid, haar heldere ogen en intelligente vragen bewijzen een volledige belangstelling voor het onderwerp: de culturele betrekkingen tussen Nederland en Duitsland. Niet alleen blijkt zij reeds vergaand op de hoogte en geeft zij op een bijzonder hartelijke wijze uiting aan haar waardering voor het feit, dat na alles wat tussen 1940-’45 is gebeurd, dit initiatief van Nederland komt, maar zij vraagt door op alle punten die werkelijk belangrijk zijn, komt zelf met plannen voor afgestudeerde kwekelingen en heeft bovendien nog gelegenheid te informeren naar de Nederlandse politieke verhoudingen en. naar haar oude vrienden Poels en Serrarens. En dit geheie gesprek wordt gedragen door een persoonlijkheid die respect afdwingt, het abstracte en concrete in de plannen volkomen beheerst en bovendien nog over een rijk gevoel voor humor beschikt. De eerste vrouwelijke ministerplaats in Duitsland is waardig vervuld!

Instellingen

Een tweede ontmoeting is met dx Neuloh, de directeur van de Sozialakademie Dortmund, die de geestelijke vader van deze instelling is. In zijn opzet doet deze Sozialakademie denken aan een School voor Maatschappelijk Werk, maar met dit verschil, dat zij in de eerste plaats opleidt voor functies in de vakbeweging en dus hoofdzakelijk door jonge mannen uit het arbeidersmilieu wordt bezocht; er zijn echter ook enkele vrouwelijke leerlingen en deelnemers uit burgerlijk intellectuele kring. In een voortreffelijk program wordt door bekwame docenten sociologie, geschiedenis van maatschappelijke stromingen en instellingen, arbeidsrecht, vakverenigingsorganisatie, sociale psychologie en hygiëne onderwezen en in groepen werkt men zélf het geleerde uit. Diit werk is zo voortreffelijk en bevredigt door zijn objectiviteit en constructiviteit zozeer alle geestesrichtingen, dat het budget van deze school één van de zeer weinige punten was, die met algemene stemmen in de Landdag van Nord-Rhein Westfalen is aangenomen. De school is nauw verbonden met een Sozial-Forschungs-Instltut, dat onder de auspiciën van de Universiteit van

er ook niet, slechts enkele hooggeplaatsten regeerden de wereld. En broederschap? Die was er toén niet en is er nu nóg niet.

Jean Gervais, als je nu nog eens in het leven kon terugkomen, zou je er dan veel veranderd vinden? O, zeker, natuurlijk wel in technisch opzicht, want in jouw tijd vlogen de mensen nog niet als vogels door de lucht en kon je nog niet klanken beluisteren van de andere kant van de aardbol. Maar met de vrijheid, gelijkheid en broederschap is het nu nog even treurig gesteld als in jouw tijd. Ook nu nog worden de horden opgeroepen om voor een doel te vechten, dat hen vér ligt en waarvoor ze eerst kunstmatig moeten worden opgezweept. Ook nu nog zijn het de enkelen, degenen die zich opwerken door anderen te vertrappen en te verdringen, die de wereld regeren. Ook nu nog gaan de oorlogen als een storm door de landen en

worden de mensen als dorre bladeren meegesleurd. In jouw tijd waren het de duizenden, die gekraakt werden door de Moloch van de oorlog en de machtswellust der groten, maar nu zijn het de honderdduizenden en straks misschien de millioenen, die tegelijkertijd de dood vinden door de meest geraffineerde oorlogswerktuigen. Ja, Jean Gervais, in jouw tijd paste men nog geen methoden van vergassing en medische experimenten op de vijanden toe. Maar zó ver hebben wij het in onze tijd wél gebracht.

En kon je eens weten, dat ze dan na afloop van een oorlog ergens een onbekende soldaat opgraven, van wie men niet weet of hij vriend of vijand was. Die wordt dan met militaire plechtigheid in een praalgraf bijgezet en op zijn graf branidit het eeuwige licht (symbool van de „eeuwige” oorlog?), generaals en koningen leggen kransen bij hem neer, grote woorden wor-

den gesproken en dan staan ze stram in de houding voor die eenvoudige jongen, die ze bij zijn leven zelfs het aankijken niet waard vonden. Als je dat zou weten, zou je er dan wijs om glimlachen of zou je je er aan ergeren of je er over opwinden? Jean Gervais, Voor één ogenblik heb ik je naam aan de vergetelheid ontrukt, één ogenblik heb je in levenden lijve voor me gestaan. Voor mij ben je het zinnebeeld van de onbekende soldaat van alle eeuwen, die als een schaap ter slachtbank wordt geleid en die zonder glorie en zonder herinnering ten onder gaat. Voor mij ben je de vertegenwoordiger van al die mondlozen, naamlozen, rechtlozen, die door de eeuwen heen gedwongen werden zich te offeren ter Wille van de belangen van anderen, die zichzelf zoveel buiten schot hielden. •

Jean Gervais, je vous salue! JOHA M. VAN SCHELVEN.