is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1948, no 31, 01-05-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de kleedij der dames... bijna allen in het zwart, gesluierd, volgens het voorschrift.... en van de mededeling op de entréekaart, dat de mannen in rok met witte das werden verwacht... Zó organiseert dus de Roomse Kerk, in de hoofdstad der Kerk, onder leiding van de Paus zelf, het gebed des volks tegen het communisme... En Nederlandse leidinggevende Rooms-Katholieken bewonderen dit in een Rooms-Katholiek blad van standing.

Ik sla mijn Bijbel op. „De heer heeft gezegd; omdat de dochteren Slons pronken, heenschrijden met uitgerekte hals en lonkende ogen, met trippelende pas en rinkelende voetringen, zal de Heer den schedel van Slons dochteren kaal maken, de Heer haar slapen ontbloten... te dien dage zal de Heer wegnemen alle opschik... dan zal er stank zijn in plaats van balsemgeur, in plaats van een gordel en strop, in plaats van gevlochten haren kaalheid, in plaats van een pronkgewaad en rouwkleed...”

Is deze houding van de Kerk van Rome tegenover het communisme niet de weg naar de gewelddadige revolutie? Zal nö. Rusland ook in Italië het communisme de gesel moeten zijn, waarmee dit soort „Christendom” geranseld zal worden? Ik moet eerlijk bekennen: ik begrijp niet, hoe een kerk in dit geslagen en verarmde Italiaanse volk, dat eindelijk weer een kans krijgt, de verblindheid hebben kan om zó het communisme te bestrijden ...

Ik weet en wil dat ook nu, tegenover deze weerzinwekkende en fatale houding, uitdrukkelijk zeggen dat binnen de Roomse Kerk een andere diepere bewogenheid en een zuiverder strijdmethöde leeft. Ik denk*aan wat in Frankrijk gebeurt: hoe daar priesters als arbeiders, in volle solidariteit met de anderen leven en werken, om hen zo met het Evangelie in aanraking te brengen. Rome is nu eenmaal een verband, waarbinnen zeer grote verscheidenheid van geloofstjrpe en werkzaamheid mogelijk is. De verslaggevers in de Linie brengen, na het verhaal van de geknielde massa, die de pauselijke zegen devoot ontving, de vraag van een Vlaams priester over: „Kunt ge u

indenken, dat deze stad en dit volk ooit communistisch zuilen worden? Neen toch zeker”. De reactie op die vraag van de „Linie”-heren doet mij vermoeden, dat zij toch ook wel iets hebben gevoeld van de huivering voor een oordeel, dat zou kunnen komen: „hebben Madrid en Mexico, en thans Warschau, wellicht Boedapest en Praag niet ook een kerkvervolging gekend « of wachten zij erop? Wie zai zeggen, of deze rampen afgewend hadden kunnen worden, en of er zijn, die gefaald hebben in deze taak: gelovigen, priesters, politieke leiders?”

Ik waag het om op deze vraag, die de heren steiien zonder haar te beantwoorden, ons antwoord te geven: het Christendom kan de rampen van kerkvervolging en terreur afwenden, indien het inspireert tot een oplossing van de sociale vraagstukken in socialistische lijn, indien het de solidariteit met de verworpenen en de vernederden wadr maakt in zijn daden, indien het een waarachtige levende gemeenschap weet te stichten, waar he parasitisme is uitgeroeid en de broederlijkheid heerst. Het communisme zou in geen enkel land een reëel gevaar zijn, indien de Christenen het sociale vraagstuk op Christelijke wijze opiosten ... Ik houd mijn hart vast voor de Gasperi in Italië als hij het sociale vraagstuk moet aanpakken met steun van een Kerk, die zó kennelijk de geprivilegieerde klassen en hun stijl in het gevlei komt... Sterker dan ooit tevoren besef ik, na deze „Linie”- reportage, dat over Italië nog het oordeel zweeft... W. B.

m MEMoniiiM

MR J. P. GRAAF VAN LIMBURG STIRUM GOUïERNEURGENERAAI 1916-1921

H.r J. P. Graaf v. Limburg Stirum G.G. 1916-1921 Naar een schildery van Loebell

Op 17 April jl. overleed de oud-Gouverneur-Generaal in Ned. Jndië, Mr J. P. Graaf van Limburg Stirum, op 75-jarige leeftijd. De laatste jaren leefde hij teruggetrokken op zijn geliefd landgoed „IJsselvliedt” te Wezep; maar met intense belangstelling volgde hij nog steeds de gebeurtenissen in dat land, waaraan hij zijn hart en liefde had verpand.

Het Nederlandse volk heeft zeker alle reden hem met diepe eerbied en dankbaarheid te gedenken. Zijn heengaan roept herinneringen wakker aan fel bewogen Indische jaren, die in menig opzicht te vergelijken zijn met de tijden die wij thans beleven. Nederland kan niet dankbaar genoeg zijn, dat in die kritieke jaren na de eerste wereld-oorlog, toen een revolutie-golf over vele landen heensloeg, deze figuur van uitzonderlijk formaat door de Koningin geroepen was om op de troon van Buitenzorg plaats te nemen.

Wie het voorrecht heeft gehad te ontmoeten, bewaart daaraan een onuitwisbare herinnering. Ik kan deze slechts aldus samenvatten: hij was een geboreh edelman en daarom een geboren democraat? Zijn gehele optreden, al zijn doen en laten werd gekenmerkt door iets vorstelijks, maar juist daardoor kon hij echt gemeenzaam zijn met ieder, met wie hij in aanraking kwam, hoog en laag.

In zijn persoon wordt de stelling geloochenstraft, dat men, om Indië te kennen, en de problemen van dat land goed aan’te voelen, er eerst jaren moet hebben

gewerkt. Echte deskundigheid is niet aan tijd of plaats gebonden. Toen hij naar Batavia ging, had hij een diplomatieke loopbaan achter de rug, in Peking, Oslo, Stockholm en Kopenhagen. Maar in Indië, waar hij op 43-jarige leeftijd midden in de eerste wereldoorlog, het gezag in handen nam, zou hij zijn grote gaven van hoofd en hart pas ten volle ontplooien. En waar hij de bij gezagsdragers zo zeldzame kunst van luisteren uitnemend verstond, stond voor hem dra vast wat daar zijn roeping was.

De jaren van zijn bewind 1916 tot 1921 zeggen genoeg. Het is volkomen onbegrijpelijk dat groepen in ons land (van W'alsum wees in dit blad nog onlangs op deze grote tragedie) nog steeds bevveren,dat de republiek een Japans maaksel is, dat de daar tot uiting komende drang naar zeifstandigheid opgezweept is en eigenlijk niet leeft in het volk. Het „ontwaken van Azië”, was waarlijk aan onze Oost niet voorbijgegaan. De bewustwording van een vroeger roerloze maatschappij, de drang om zelf iets te doen, om ~jezelf te zijn , dateert ook daar van het begm van deze eeuw. En uitgesproken nationaiistische strevingen komen sedert 1908 op Java voor. Dat deze drang naar zelfstandigheid gedurende de eerste wereldoorlog (die de eerbied voor het „beschaafde” westen bij de oosterse volkeren aan flarden reet), nieuwe vormen aannam, spreekt vanzelf. Bovendien was Indië ook toen, evenals tijdens de tweede wereldoorlog, meer op zichzelf aangewezen. Een nieuwe tijd brak aan en stelde een nieuwe taak. Van Limburg Stirum zag helder en duidelijk in, wat daarbij hoofdzaak was en hij wist bijzaken daaraan op te offeren.

Een van zijn eerste bestuursdaden bracht hem terstond in conflict met de westerse ondernemers. Daar voedselschaarste dreigde, doordat de rijsttoevoer door de oorlogstoestand stagneerde, kromp hij het suiker-areaal in en stelde-meer grond beschikbaar voor de rijstbouw. Tegenover felle critiek stelde hij toen reeds het nobele woord: De Koningin heeft mij opgedragen voor de belangen van deze bevolking te zorgen en ik zal die opdracht uitvoeren. Voorts won hij door zijn strikt onpartijdig optreden, waarbij hij geen verschil kende tussen blank en bruin, het volie vertrouwen van het volk, dat juist in die jaren steeds meer gezogen werd naar achterdocht en wantrouwen. Op mijn eerste reis door de Oost, in 1924/25, heb ik daarvan markante staaltjes gehoord en de uitwerking van zijn optredèn, toen ik in aanraking kwam met nationalistische leiders, zelf kunnen waarnemen.

De kroon op zijn arbeid zette hij door de instelling vaji de Volksraad. Zorgvuldig, met wijs staatsmansbeleid en moedige doortastendheid, voorbereid kon hij deze nog in het voorjaar van 1918 openen. Van veel kanten werd hem fel verweten (geen G G is zo verguisd geworden als Van Limburg Stirum) dat hij hier veel te overhaast