is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1948, no 33, 15-05-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

behoort de aarde en haar J L volheid. V

fyd en Tnak

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR EVANGELIE EN SOCIALISME

TEVENS ORGAAN VAN DE PROTESTANTS CHRPS TELIJKE WERKGEMEENSCHAP

Zaterdag 15 Mei 1948 No. 33 Verschijnt 50 maal per jaar 46ste jaargang van de Blijde Wereld «

Redactie Prof. Dr W. Banning Ds. J. J. Buskes Jr Ds. L. H. Ruitenberg Mr. G. E. V. Walsum Secr. der redactie: J. G. Bomhoff, Roerstraat 48 111 A’dam.Z. Tel. 24386

Ab. bij vooruitbet. p.j. fB.—, halfj. f 4.25, kwart, f 2.30 pl. ƒ0.15 inc. Lossenra f 0.15, Posta. 21876, Gem.giro V 4500, Adm. N.V. De Arbeiderspers, Hekelveld 15, A’dam-C.

S^lnkderen

> De taakverdeling binnen onze redactie wil, dat ik het hoofdartikel schrijf voor het nummer dat aëin de vooravond van Pinksteren verschijnt. Dat kan maar niet een „gewoon” politiek artikel zijn, maar het moet toch in ieder geval lets met Pinksteren te maken* hebben. Als ik mij dat realiseer, dan is mijn eerste reactie: ik heb het slecht getroffen; jammer dat niet een van de predikanten uit de kring van onze redactie aan de beurt was. Het is niet de eerste keer dat ik mij voor deze moeilijkheid geplaatst zie. Gedurende de jaren dat ik mij op het terrein van de politieke journalistiek heb bewogen, heb ik meermalen de hindernis van de Christelijke feestdagen moeten, nemen. Hoe komt het toch dat ik in die gevallen 'altijd een zekere weerstand te overwinnen heb gehad?

De verklaring is stellig niet, dat naar mijn gevoelen de centrale gebeurtenissen uit de heilsgeschiedenis, die wij op de Christelijke feestdagen gedenken, niets met het politieke leven te maken hebben. Voorzover mijn politieke werkzaamheid niet louter bepaald wordt door de vraagstukken van de dag, waarmee ik op een of andere manier te maken krijg, maar door een bepaalde gedachte gedragen wordt, is het juist die van het verband tussen geloof en politiek, waarvoor wij buiten de christelijke partijen een nieuwe beleving zoeken. Dat geloof staat niet los van de Christelijke feestdagen, maar wordt er door gericht en dan moet er toch ook een of andere relatie zijn tussen die feestdagen en de politiek. Misschien speelt wel een rol de vrees, dat wij door ook dan nog met de politiek bezig te blijven, de eigenlijke boodschap van de Christelijke feestdagen niet aan het woord laten komen. Het is niet zo erg als wij het Pinksterfeest vieren zonder er ons zorgen over te maken wat dat nu voor ons politieke handelen te betekenen heeft. Als wij iets ervaren van de uitstorting van de Heilige Geest, als wij er enig besef van hebben wat het zeggen wil dat Christus Zijn kerk in deze wereld heeft gesticht, dan zullen wij later vanzelf wel merken, dat dit ons ook in het politieke leven niet onberoerd laat.

Maar de diepste grond voor mijn. aarzeling lijkt mij, dat het gevaar zo groot is, dat wij al te vlot en gemakkelijk de Christelijke feestdagen op de poUtiek betrekken. Het is zo gauw goedkoop en alleen maar stich-

telijk. En dan denk ik waarlijk niet in de eerste plaats aan de wijze waarop de grote, verlichte bladen het geval behandelen, wanneer zij het wonder van Pinksteren weg-commentariëren en algemeen aanvaardbaar maken. Dat is niet eens stichtelijk, maar een telkens weerkerende ergernis, die bij de andere Christelijke feestdagen op overeenkomstige wijze te beleven valt. Ook wanneer men het Pinkstergebeuren in zijn waarde laat, kan men er politiek raar mee omspringen.

Wij behoeven het elkaar niet te vertellen, dat de na-oorlogse wereld van vandaag heel ver verwijderd is geraakt van de geest van Pinksteren. Buiten onze grepzen zien wij overal gisting en gevaar. En daarbinnen hebben na de bevrijding de tegenstellingen zich in toenemende mate toegespitst. Maar als het te hoog gegrepen en misschien onbillijk is de Internationale samenleving en het eigen volksleven met Pinksteren te confronteren, dan moeten wij met diepe beschaming erkennen, dat er in kerk en christenheid veel is dat de toetsing aan deze maatstaf al evenmin verdragen kan.

In het nummer van „In de Waagschaal” ■van 7 Mei j.l. trof mij een artikel van ds H. A. C. Hildering. Daarin vertelt hij van wandaden, die door onze soldaten in Indonesië werden bedreven. Ik ga dat hier niet herhalen en noem alleen het geval van een'der leidende figuren uit de Oostjavaanse kerk, die, na nauwelijks de gevolgen van de Japanse gevangenschap te boven te zijn gekomen, voor zijn ogen zijn vrouw en zoon door Nederlandse militairen zag neerschieten als uitvloeisel van een valse aanwijzing. En hij wijst er op, dat het onze soldaten zijn geweest, die deze dingen hebben gedaan, onze soldaten, die de handen zijn van onze Overheid en van ons volk.

Als ik dit lees, dan heb ik mij te realiseren, dat dit een gevolg is van het politionele optreden, waarvoor ik voor mijn deel de verantwoordelijkheid Beb aanvaard, dat ik heb verdedigd, omdat ik het als onvermijdelijk en noodzakelijk inzag. En ik heb het aanvaard en verdedigd terwijl ik wist, althans weten moest, dat dergelijke uitwassen zich zouden voordoen.

Wanneer ik dit zo neerschrijf, zou dat de indruk kunnen wekken, dat ik inmiddels van mening ben veranderd en tot het inzicht ben gekomen, dat achteraf gezien het

politionele optreden fout is geweest of liever nog, dat het verkeerd is geweest, dat ik mij toen niet heb geschaard aan de zijde van degenen, die het veroordeelden. Ik aanvaard ook nu nog de verantwoordelijkheid voor mijn houding toen, omdat ik onveranderd van mening blijf, dat het plicht, ook christenplicht, is om de Over- ' heidsmacht te gebruiken om afglijden in de chaos te verhinderen en de meest elementaire voorwaarden voor een menseiijke samenleving te handhaven. Maar daarom juist moeten wij eisen, dat zorgvuldig gewaakt wordt tegen elk misbruik van *deze macht en dat er krachtig tegen . wordt opgetreden wanneer deze zich toch voordoet. Waarom is de regering ten deze aietmet groter doortastendheid opgetreden? Waarom is er nu geen opheldering verschaft over de gebeurtenissen in Zuid-Celebes? Waarom wordt de indruk gewekt dat men de verkeerde dingen onder de dekmantel wil houden? Laat men toch bedenken, dat men de goede naam van het leger in opspraak-brengt als men doet of er iets te verbergen is. Men houdt het gezag niet hoog door het verkeerde onder de mantel der liefde te bedekken, maar alleen door het bij de naam te noemen en openlijk te veroordelen. De militaire autoriteiten en ’ de regering behoren er prijs op te stellen zich te verantwoorden over gevallen ais door ds Hildering 'genoemd.

Wat dit alles met Pinksteren te maken heeft? Wel dit, dat een kwestie als deze demonstreert hoe wij met de Heilige Geest in de knoop zitten. Het is veel eenvoudiger voorbeelden uit „Trouw” of „DeNederlander” aan te halen, die'aantonen dat de Anti-Revolutionnairen of de Christelijk-Historischen met de Heilige Geest op gespannen voet verkeren. Dat geeft ons bovendien het bevredigende gevoel, dat wij zelf dan toch maar aan de goede kant staan. Daarom koos ik een voorbeeld waarbij ik niet voor mijzelf de mooie rol kon reserveren, maar volop in de klem zit van de spanningen waarin wij zijn geplaatst. En diegenen onder de lezers, die menen, dat zij vrijuit gaan, omdat zij in de oppositie waren tegen het politionele optreden, hebben misschien op een ander terrein wel voorbeelden waarbij zij in overeenkomstige zin persoonlijk zijn betrokken.

Niemand van ons, zelfs niet hij die het krachtigste profetisch geijkte woord weet te laten horen, heeft de Heilige Geest doorlopend tot zijn vrije beschikking. Hij moet ons geschonken worden en het is genade als ons dat ten deel valt.

Maar zij, die Jezus Christus in hun leven hebben ontmoet, dragen de wetenschap met zich mee, dat Pinksteren en de Heilige Geest iets te maken hebben met het politieke leven en met de moeilijke en benauwende problemen waarvoor ons dat kan