is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1948, no 33, 15-05-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

torsen, geeft geen stimulansen om verder te gaan. Zij aanvaarden een jeugd zonder plan.

Over de wijze waarop tenslotte door een groot deel der leerlingen het eindexamen wordt gehaald, zou veel te zeggen zijn. Ik ben geen deskundige op dit gebied, maar ik weet, uit eigen ervaring en die in mijn gezin, wat „eindexamen” betekent. En ik weet daarom, dat het systeem verkeerd is. Er is in onze middelbare opleiding, en in de voorbereidende voor het H. Onderwijs, geen of te weinig selectie. . Alles en iedereen wordt meegesjouwd naar het eindexamen. Het systeem, dat reeds vóór de oorlog in Indonesië werd uitgewerkt, tijdens de Japansé bezetting verdere aandacht kreeg en thans gerealiseerd zal worden, verdeelt aldaar het middelbaar onderwijs in 3 perioden van 2 jaar. Elke twee jaar vormen een afzonderlijke „onderbouw” en na elke twee jaar gaat de leerling verder in de richting, die hem intellectueel en naar zijn aard en karakter het meest ligt. Bewust stuurt hij zelf aan op zijn toekomst na de middelbare school en verlaat deze voor een bepaald doel: de studie der wetenschap, in welke richting ook, of der techniek; van de economie of wat er verder zijn moge. Zitten blijven, het kruis des levens van jeugd en ouders!, komt practisch dan niet meer voor. Rapporten worden niet meer gevuld met de fatale cijfers, maar met karakter- en aanleg-beoordelingen. De leerlingen kumien aldus blijdschap krijgen in school en werk en uitgesproken weten, waar het om gaat en wat zij willen.

Er zullen aan dit systeem ook wel nadelen verbonden zijn. Ik kan dat moeilijk beoordelen. Op het eerste gezicht evenwel, trekt het mij boven wat in ons land gangbaar is en dat zorgen geeft, illusies wegneemt, doorlopend spanningen verwekt, altijd leidt tot krachttoeren en een jeugd geeft zonder toekomstplan.

Dat laatste acht ik het belangrijkste. Het is natuurlijk niet alleen gevolg van het onderwijs-systeem. Ook hiervan, dat onze hedendaagse jeugd, ook zonder dat duide*- lijk te beseffen misschien, geen enkel vertrouwen heeft in de toekomst van wereld en maatschappij, het om het even vindt of zij „daar nog aan mee zal doen of niet”,

PINKSTEREN – HOUTSNEDE ALBRECHT DURER (DIE KLEINE PASSION 1570)

(vervolg op pag. 6)

Pinksteren

door Ina Boudler—Bakker.

Het was In Echternach op een zeldzaam schone Junlmorgen. In Echternach, het Luxemburgse stadje dat daar lag, rustig en ongerept temidden van welden en glooiende bergen, zoals het eeuwen gelegen had. Dan de razernij, de verwoesting ook hier losgebroken. De bommen zijn gevallen, geschrei en wanhoop hebben de straten, de hulzen vervuld. Angstige, verbijsterde hoofden, zo gelijkmatig, gewend zich te keren naar het land, naar de hemel, bukten zich radeloos In donker onder het aanloelend geweld door de lucht. Da:t puinhopen nallet en dood.

Maar jaren daarvóór zagen wij Echternach op Pinkster drie. In volle vrede, blakend onder een hete Junizon. En over de bergen, uit de dorpen In wijde om trek kwamen gelopen uren ver de mannen, de vrouwen, de kinderen, om deel te nemen aan de Springprocessie.

Een stadig aangroelende mensenmenigte eindelijk aan het begin van de brede straat, waar de bisschep van Trler de processie Inleldde. En op eenmaal klonk jubelend op de zang der hoge jongensstemmen

In de stille zomerlucht: „Heiliger Wllllbrord! Heiliger Wllllbrord!” Zich herhalend van hoog tot laag klom de zingende roep tot de Heilige, de weldoener, om ver- of voorkoming van ziekte en pijn. En toen, onder het zingen van een simpel volkswljsje, ging een wonderlijk bewegen door de menigte; de eigenaardig deinende, half glijdende golving van drie sprongen vooruit, twee achteruit. In de machtige greep van een plotselinge extase, danste de mensenvloed. Ordelijk rustig. Sommigen te oud, te stijf voor de sprong, deden het stappende: oude zusters hand In hand jonge meisjes een vrouw alleen, In zichzelf gekeerd, uitstarend een grote zigeuner met een kind op zijn schouder allen verslonden In een zelfde gespannen aandacht.

Toen zag Ik hèm. Een jongen van misschien zestien, zeventien jaar. In een wijde witte blouse en korte broek; de stroblonde haren tot op de schouders; de grote heldere ogen In het frisse gelaat stralend In een volkomen overgegeven, verloren zijn In de dans. Ogen die uitstaarden over werelden, onttrokken aan al wat hem omringde, terwijl zijn lenig lichaam danste In een strak, streng gehouden rhythme, In een natuurlijke ongedwongenheid de sprong

van twee en drie. Over stoepen en goten, langs hekken en hinderpalen, gracieus ontwijkend, luchtig en tegelijk onweerstaanbaar als het noodlot. Onvermoeibaar In het rhythme, dat over werelden heen het contact zocht en vond met het grote rhythme in de Cosmos. Zo danste hij, In zijn uitzonderlijkheid een lichtend embleem temidden van de gebrekkelljke dans der honderden, die zochten de kracht tot zich te trekken uit onzlenlljke sferen, tot reiniging van krankte en pijn van het kwaad dat teisterde...

De oude vreedzame wereld, waarin dit alles zich voltrok op die onvertroebelde Pinkster, stortte In.

Maar voor ons is het beeld levend gebleven. Boven verschroeide grond, boven alle onmenselijk bedrijf, rijst uit onvernietigbaar de verschijning van de dansende jongen. Misschien ook reeds lang gevallen. Danst hij onder de stralende zon, zijn dans de dans van zijn vurig geloof en verlangen, zijn ongetemd zoeken en reiken naar werelden, waarheen zijn vervoering hem opdreef; onsterfelijk symbool van de mensenziel, die over smarten, vernieling en dood de eeuwige dans volbrengt voor het Ideaal; de ultelndelljke overwinning en genezing van het Kwaad.