is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1948, no 34, 22-05-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ben ster van de eerste grootte

Het zou mij niet sterk verwonderen, als de Vlaming Herwig Hensen, wiens naam u hier misschien voor het eerst leest, zou blijken de grootste Nederlandse dichter van onze tijd te zijn. ,

Nu ja, er past bij dat „grootste” enig bijna vanzelfsprekend voorbehoud: de diepe en brede menselijkheid van mevrouw Roland Holst, nog van de generatie der zéérgroten, wordt zomin door deze jonge Vlaming als door een ander van de levenden geëvenaard; en evenmin bereikt hij de onwereldse, duistere grootsheid van een Adriaan Roland Holst. Maar telkens wanneer ik mij in deze sterke, manlijke, strafbeheerste poëzie verdiepte, die in een kleine kring in Vlaanderen zeer hoog staat aangeschreven, moest ik met verdriet denken aan het onevenwichtige en ongezonde, dat hier door vele jongeren wordt vereerd. En telkens wanneer ik zie hoe deze verzen, hoe deze bundels, hoe deze hele geestelijke productie is opgebouwd, herinner ik mij Marsman, en denk hoe hij dit dichterschap bewonderd zou hebben hij die de manlijkheid, de vitaliteit, de scheppingskracht en de nobele durf zo liefhad, en hopzeer hij daarnaast zeif in gebreke is gebleven.

Marsman, dat is misschien de leerzaamste vergelijking. Het is mij of alles wat Marsman gewild, gepropageerd en niet bereikt heeft, gerealiseerd wordt door deze jongere en sterkere. Hiernaast is Marsman nerveus, onbeb.eerst, onmachtig. Erger: hiernaast is Marsman een beetje hol. Hoe vaak toch krijgt men de indruk dat hij luider, nadrukkelijker, geweldiger spreekt dan zijn innerlijke kracht en zekerheid eigenlijk toelatenl Die zwakheid geeft hem alleen ten opzichte van Herwig Hensen één voordeel: een warmer, genuanceerder, en daardoor anderen ook meer aansprekende menselijk. Ik voor mij geef het meest om die verzen van Marsman, waar hij zijn wanhoop, zijn machteloze verbittering en zijn radeloze angst in heeft stem gegeven. Als het grootste gebrek van Hensen doet het mij aan, dat hij al te manlijk is, en te zeer meester van de situatie. Overigens laat hij zowel 'door zijn vroege rijpheid''als door zijn sterke productiviteit, die toch niets heeft van critiekloze veelschrijverij, alien achter zich. Hensen is in 1917 geboren en heeft reeds een stuk of zeven vrij

omvangrijke bundels en evenzovele toneelstukken op zijn naam staan. „Vulsel” zit daar niet tussen, en reeds de eerste bundel, van 1938, bevat meesterlijke verzen. Waarom ik dit alles zo koel-zakelijk constateer, waarom ik niet erfthousiaster ben over zo’n ontdekking? Om twee redenen. In de eerste plaats stelt de poëzie van Hensen bijzonder hoge eisen aan de lezer; zowel intellectuele eisen als zuiver-poëtische. Ik vraag mij eerlijk gezegd af hoe het mogelijk is, dat in Vlaanderen een publiek van enige omvang (Hensen schijnt daar bekendheid te genieten; zijn werken worden trouwens herdrukt, en hij kreeg een staatsprijs voor Poëzie) dat een publiek van enige omvang deze gedichten en hup gedachtenwereld zelfs maar verstandelijk begrijpt. Waar dan nog bij komt, dat regels en strofen, die mij door hun poëtische kracht in verrukking brengen, mij gelijk doen vragen hóevelen in staat zijn deze pracht, zonder de steun van een inhoud die hen „aanspreekt”, te genieten.

Het is zeer duidelijk, dat Henson zich oorspronkelijk aan Van de Woestijne gevormd heeft. Ook deze was een bijzonder moeiiijk dichter; zou hij in Vlaanderen een soort traditie ook van poëzieiézers hebben gevestigd? En waar Van de Woestijne wijkt, waar de lange zinnen met de ongewone adjectieven zich inkorten, daar ziet men Rilke optreden, de late Rilke van de Sonette an Orpheus in ’t bijzonder, die al evenmin eenvoudig kan worden genoemd. Hensens volledig gevormde eigen stijl is weliswaar sober, maar in de hoogste mate pregnant: er ligt een wereld achter ieder woord.

Dat is de eerste reden voor mijn betrekkelijke gereserveerdheid. De tweede is, dat deze poëzie mij hienselijk, in wezen niet sympathiek is, en dat ik er uit een „wereldbeschouwelijk” (!) oogpunt geen heil in zie. Ik duidde dat eigenlijk al aan, toen ik zei dat Hensen mij „te manlijk” is.

Dit is een poëzie met een geprononceerde achtergrond van wereldbeschouwing. Dat betekent niet dat Hensen de poëzie denatureert om te spreken over filosofische onderwerpen, maar wel dat hij dicht vanüit, en in een voortdurend voelbaar verband mét, zijn overtuiging. Deze overtuiging dankt naar het lijkt veel aan Nietszsche;; niet aan een fulgair-Nietszscheanisme, Hensen denkt zeer aristocratisch, en zeker niet ongeestelijk. Maar het is misschien van minder belang, de geestelijke vader van deze levensleer op te sporen, want indien ergens, dan krijgt men hier de indruk, dat levensleer en psychische structuur twee kanten van dezelfde zaak zijn.

Deze wereld van denken en dichten en streven onderscheidt zich door één ding meer. dan iets anders: door een ciiltus van het eigen Ik. Met verbazingwekkend zelfinzicht ziet de dichter zich reeds in zijn aileroudste verzen onder het symbool van Narcissus, de Het gaat hem echter niet om zijn emperisch, gebrekkig, burgerlijk ik je, deze cultus brengt onmiddellijk een zekere stylering mee. De alledaagsheden, waar wij in Noord-Nederland vijftien jaar lang mee vervuld zijn, blijven ver van deze verzen. Zij bewegen zich graag in een mythologische sfeer, en hebben zelfs wanneer zij daarbuiten treden een Grieks-antihiserende trek, die toch niets mooidoenerigs of onnatuurlijks heeft. Het Ik dat in deze denkwereld

gevierd wordt, omvat ook (niet uitsluitend, maar óók) het lichaam. Ik ken vrijwel geen poëzie waarin de manlijke schoonheid en het manlijk naakt zo’n grote rol spelen. Onmiddellijk daarmee verbonden is het element van de sexualiteit; ik ken ook geen poëzie waarin dit onderwerp zo open, zo zakelijk en tevens Zo volstrekt niet aanstotelijk behandeld wordt. Er is in deze lichaamscultus iets, dat voortdurend aan de Griekse .athleten doet denken; nare ijdelheid en sentimentaliteit zijn er evenzeer vreemd aan als ... twintig eeuwen Christendom.

Maar niet minder dan het schone en daad-< krachtige lichaam, dat tot zijn vervulling komt in de loop, het gewicht, de dans, geldt de schone en daadkrachtige, de veroverende en scheppende geest. De hoogste schepping van de geest is voor de dichter het lied in de zingende stem, in de rhythmische zang, paren zich de krachten van geest en lichaam. Of is er nog een hoger doel te verwerkelijken dan het gedicht? Ja, de volmaking van het eigen Ik, in en dóór het leven, tot het rijp is voor zijn uiteindelijk doel, de dood. Zo is in deze door ikliefde en machtsverschil beheerste wereld toch het offer niet uitgesloten; integendeel, dit offer .van het leven kan de hoogste vervulling zijn.

Een gemakkelijke ethiek brengt deze opvatting dan ook zeker niet mee. Zij impliceert, goed verstaan, een nóóit aflatende strijd voor de eigen, geestelijke verwerkelijking. Het is een ethiek voor zeer hoogstaande, superieure enkelingen; het is daarom dat ik sprak van een „aristocratische” Ipvensleer. Er vallen daarbij alleen enige waarden onder de tafel, die wij daar toch liever niet zien terechtkomen. Ik noem: de vrouw, de naaste, de menseiijke gemeenschap; liefde, zo\yel in de zin van een werkelijke. Eros als van christelijke Caritas; en tenslotte het gehele werkelijkheidsverband, dat bestaat voor ons geloof, maar waarvoor bij Hensen geen plaats is.

* 0 Wanneer men de behoefte aan daden, aan heersen en veroveren als essentieel manlijk ziet (en ik geloof dat hier grond voor is), en de receptiviteit, de bereidheid tot lijden zowel als tot dragen, en de behoefte aan gemeenschap als in wezen vrouwelijke trekken, dan geloof ik dat wij van de 100 procentse manlijkheid het heil niet te verwachten hebben, noch in het leven noch ih de poëzie. De leer van Hensen is mij te „manlijk” dan dat ik haar verbreiding toejuichen zou. Ik geloof weliswaar niet, dat de kans daarop groot is, want daarvoor is zij te exclusief en te veeieisend; maar toch zou ik met oneindig meer vreugde een dichter hebben binnengehaald, die bijv. iets van de milde menselijkheid van een Henriëtte Roland Holst bezat. En ook de gedichten zelf hgbben hierdoor iets hards en bijna armelijks, als vruchten die wel rijp zijn geworden, maar er weinig zon en regen hebben gehad.

Maar misschien vindt hij zijn uitweg tóch. Het is aandoénlijk op te merken hoe, waar voor vrouwenliefde en naastenliefde eigenlijk geen plaats is, de gevoelens voor de opgroeiende knaap, die als een potentieel tweede „Ik” is, die dezelfde mogelijkheden in zich draagt en dezelfde strijd voor zich heeft, tot schone bloei komen in deze dichterlijke wereld.

(Slot volgt), M. H. VAN DER ZEIJDE

Joodse vrienden, van harte geluk met het herstel van uw Staat. Moge het u gegeven worden als een vrij volk, dat een eigen Staat heeft, Palestina te doen bloeien en in „erez Jisraël” uw hoge en heerlijke roeping te vervullen.

Te midden van aile gevaren en bedreigingen is er voor u één troost: Babel is te gronde gegaan, precies als Egypte eeuwen vroeger en Duitsland eeuwen later, maar Israël leeft. Moge het geweten der wereld ontwaken.

Ik eindig 'met enkele woorden uit Psalm 146: •

„Welgelukzalig is hij, die de God van Jacob tot zijn hulp heeft, wiens verwachting van de Here zijn God is, die de hemel en de aarde gemaakt heeft, die trouw houdt in eeuwigheid, die de verdrukte recht doet. De Here zal in eeuwigheid regeren. Uw God, Zion, is van geslapht tot geslacht. Halleluja!” J. J. BUSKES Jr.