is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1948, no 36, 05-06-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE LAATSTE VREUGDE

Laat mij de draad der gedachten uit mijn artikel over „de laatste ernst” nog iets verder mogen” spinnen, en vandaag iets opmerken over de laatste vreugde dat was immers de aanloop: dat men ons,zo zwaar op de hand vindt, zo weinig open voor de spontane vreugden des levens, zo weinig genietend van de schoonheden der schepping en de lust der natuurlijke zinnen?

Wij maken inderdaad onderscheid naar kwaliteit der levensvreugde, zodra wij ons op een of andere wijze religieus, godsdienstig. Christelijk noemen maar ik ontken,' op grond van waarneming van eigen en anderer leven, dat ons de gewone vreugden des levens vreemd zouden zijn. Wij kennen, gelukkig, het intense genot om het openbloeien van de lente en de nachtegalenslag in voorjaarsnacht; een zeiltocht over de Friese wateren verwijdt en zuivert ook ziel en geest, wanneer dichters als Gorter of Van Collem in soms uitbundige jubel over de oneindige schoonheden van het natuurgebeuren zich uitzingen moeten, omdat het hen overweldigt, dan trilt er ook in ons wat mee, dan laat ik mij graag meevoeren door hun geluksgevoel. Ik meen ook al weet ik dat theologen daar nogal eens bezwaren tegen hebben dat de schoonheid der natuur en het daaraan verbonden gevoel van bewondering en geluk, in een mens een godsdienstig besef kunnen wekken.

Hetzelfde zou ik willen zeggen van onze liefde voor de vrouw of de man, met wie wij door het leven mogen gaan. Een strak dualisme, dat scheiding maakt tussen het z.g. zinnelijk-sexuele en het geestelijke, is naar beide kanten een verschraling en een geweldpleging. ledere eerlijke man weet waarachtig wel, dat hier grote gevaren liggen; wij lijden wellicht nergens zulke gevoelige nederlagen als op dit gebied, Toch: de vreugde om het leven der liefde, het genieten om vrouw en kind, met zijn diepe vervlochtenheid van het lichamelijke en het geestelijke, is een der oervreugden van het leven der mensen, zo lang zij op aarde hebben gewoond. En sterker dan zo even meen ik, dat ook deze vreugde zich tot godsdienstig besef kan verdiepen: de liefde van de éne die met ons gaat, is

onverdiend geluk, is gave en genade alle statistieken van toename der mislukte huwelijken en sexuele ontaarding ten spijt. In dit verband noem ik ook de vreugde, ja het geluk, dat er liggen kan in de strijd om een hoog ideaal. Zo zoetjes aan en ongemerkt glijdt de schrijver van deze regels over naar de oudere generatie der socialisten, en ziet hij jonge schouders zich stellen onder het werk. Laat het eens met een zekere nadruk gezegd mogen worden, dat in en door de socialistische strijd een stuk geluk, een waarachtige vreugde in ons leven gekomen is dat door de teleurstellingen, die elke beweging van mensen nu eenmaal meebrengt, ook niet wordt aangetast. Ik zou zelfs neiging hebben, als ik zie hoe mensen door de teleurstellingen tot het bekende gekanker of het aan de kant gaan staan komen, om er een kenmerk van het echt-socialist-zijn in te zoeken: of wij de vreugde om de strijd met de hebben bewaard; of wij zo diep in het ideaal zijn ingegroeid, dat het leven ons deze vreugde nooit meer kan ontnemen. Daarom is het voor mij stellig niet waar, dat het socialisme een zuiver zakelijke keuze is neen, er worden diepere motieven geraakt en in beweging gebracht. En ook hier zou ik willen zeggen: de strijd voor een hoog ideaal kan een zeker godsdienstig besef wekken, wanneer in deze strijd iets van de eeuwige 'zin des levens wordt verstaan.

Toch zou ik geen dezer vreugden noch deze alle te samen de laatste vreugde willen noemen al weet ik, dat het voor anderen wel het geval is. Ik hoop dat niemand in mijn volgende woorden kwetsende hoogmoed zal voelen oprecht meen ik, dat die mij op dit ogenblik ver is. Ik meen: er ligt in het stellen van deze vreugden als de laatste, een gevaarlijke oppervlakkigheid, een voorbij leven aan, een heenleven over diepe en smartelijke tragiek die aan ons menszijn wezenlijk verbonden is. Hoe intens ik kan genieten van een wijde hemel boven het water en het vlakke land en de jubelende leeuwerik daarboven als aan een moeder en vader plotseling een kind door de dood wordt ontrukt, dan zegt de natuur niets meer, dan wordt het natuurlijke geluk weggeslagen door de

dood, . die eenzaam maakt. Hoe stil en stralend de dankbaarheid wezen moge om de liefde en het geluk van vrouw en kind, een mensenhart dat weet van onwaardig* heid, bezoedeling en zonde, kent innerlijke tweespalt als voortdurende bedreiging. En de strijd voor hoge idealen, de gemeenschap met de makkers, kan ook tot eenzaamheden en wanhoop voeren, waaruit de strijd zelf ons niet verlossen kan. Wee de mens, die over het innerlijk klagen van zijn hart zou heenleven zijn geluid .‘wordt als van een gebarsten viool, vals en onoprecht. Wee de mens, die over het innerlijk oordeel dat in de diepere ogenblikken over zijn leven gaat, zich heenzet met een jubel over de vreugde van het bestaan het is krampachtig, en wezenlijk armzalig.

De laatste vreugde is niet uit en van de mens. Het liefst zou ik spreken van de vreugde der vergeving. Opnieuw: ik bedoel niemand te kwetsen, maar zeg toch als vaste overtuiging: er ligt een gevaarlijke opperviakkigheid in, om de behoefte aan vergeving te ontkennen. Psalm 139 begint met de eerlijke en diepe belijdenis: Heer, Gij doorgrondt en kent mij. Gij kent mijn zitten en mijn opstaan. Gij verstaat van verre mijn gedachten... Daarin ligt, stellig, besloten dat over en door het leven van de mens het oordeel Gods gaat. Maar meer, en dieper, en vreugdevol: dat er een vergeving en een redding daar doorheen en daarboven uit is. Als ik mij af vraag, waarom de leerlingen van Jezus in het Nieuwe Testament in zo diepe verknochtheid aan Hem verbonden zijn, waarom door alle evangeliën het loflied zingt, dan is het antwoord: omdat zij de vergeving hebben ervaren, en in een nieuw leven, een nieuwe liefde zijn overgezet. Hier straalt de laé,tste vreugde. Kwalitatief hoger dan alle menselijke vreugde, omdat zij tragiek en gespletenheid, zonde en schuld overstijgt. Zij is uit het liefdehart van God tot ons gekomen en daarom onvergankelijk, Zij draagt ons niet alleen door teleurstellingen en mislukkingen, ook door eenzaamheid heen. Zij maakt het strijdbare hart mild, het harde zacht, het wankele sterk; zij geneest de gespletenheid door het geschenk der liefde. W. B.

Andreas Latzko

(• Toen wij Zaterdagmiddag 22 Mei op Zorgvlied in Amsterdam samen waren, om het gedenkteken van Andreas Latzko te onthullen, dacht ik terug aan de 14e September 1943. Op 11 September was Andreas Latzko gestorven.

Op 14 September werd hij begraven. Hij stierf in dè nationaal-socialistische jaren der wereldgeschiedenis als een onbekende en een niet getelde. In die jaren waren anderen groot. Een schrijver met een wereldnaam ... een klein berichtje in een verlengende pers vermeldde zijn

d00d... slechts enkelen hebben hem begraven, een heel klein groepje vrienden ... geen woord werd gesproken ... dat mocht niet... zijn vrouw stond voor zijn graf in stil gebed en sloeg een kruis... dat was alles... en zo was het goed. In al de verschrikking en de onmenselijkheid van dat gruweljaar 1943 zou Latzko geen andere begrafenis op prijs hebben gesteld. Maar de enkelen, die hem op zijn laatste gang vergezelden, wisten diep innerlijk, dat zij bij zijn graf de zwijgende vertegenwoordigers waren van duizenden in de gehele wereld, voor wie Latzko vanwege zijn grote en zuivere menselijkheid ontzaggelijk veel betekend heeft.

Zo was deze begrafenis in al haar soberheid en eenvoud voor mijn besef een aangrijpend getuigenis. Wij waren er van overtuigd: wanneer al het onmenselijke rumoer van deze jaren tot een ver' verleden zou behoren, zou de menselijke stem van Latzko opnieuw spreken.

De menselijke stem van Latzko. Wij hielden van Latzko en van zijn boeken om zijn grote en zuivere menselijkheid. Dit is het geweest, dat zijn persoon en zijn werk voor zovelen van zo grote waarde maakte; zijn waarachtige liefde voor de mens.

Zei hij niet eens: „Mijn enige liefde gaat naar de mensen uit”? En vond die liefde naar zijn eigen getuigenis haar oorsprong niet in Gods liefde? Voor de mensen schreef hij, om hen te doordringen van de waarheid, hoe onverbiddelijk die soms ook was.

Latzko haatte het nationaal-socialisme om zijn onmenselijkheid, zoals hij het kapitalisme, het imperialisme en het militarisme haatte om hun onmenselijkheid. Daarom was zijn leven hard en moeilijk. Hij leed, omdat zijn liefde uitging naar de mens. In ons vaderland, waar hij vanaf 1931 als emigrant "leefde, had Latzko het goed en vond hij veel vriendschap. Dankbaar was hij voor elk blijk van eenvoudig menselijk