is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1948, no 42, 17-07-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als ge naar het kooren luistert, dat nu opi en nedergaat; daar een zwepe wind in snuistert,

dat de lieve zonne baadt

Neen, ’t en kan geen ’snare talen, die zoo zoete om hoqfen is als ’t gerep der roggestalen, als ’t geroer van ’t kooren is.

’t Vaart een fijn gelispeld leven deur de toppen, altemaal;

daar de diepere stammen beven, deunende als een ’dondertaal.

Hel en duister, lijze en luide, mingelmangelt in de lutht ’t ruischen van de groengekruide.

grauwgetopte koorenvrucht.

Drijft dan maar, gij dunne staven, die den landman ’t leven wint; laat de zonne uw’ lenden laven

zoetjes, en den zomerwind!

ei, daar valt er volk te peerde, losgetoomd, in ’t veie groen;

onker diept het neêr naar de eerde, I zoo in zee de schepen doen.

eigende elk den andere, varen ze, elk gevolgd, in ’t volle veld; zonnelicht beglanst de baren van dit rennend rosgeweld.

■hielijk, in de lucht ontkomen.

zijn de ridderen weg: ’t en speelt meer in de vrije vromen, I dat de zware zee verbeeldt.

is ’t nu: de zonne vonkelt I deur de wolken, blij en blank; "’-dde lacht het al en monkelt.

in en om mij, lief en lang.

’k En gave om al het schoone, dat de heldere zonne ziet, \

Vlanderen spant de kroone, ( neen ik, nog mijn Vlanderen niet!

GUIDO GEZELLE !

■ Moeite en moed in Frankrijk

Een tocht door het Frankrijk van heden had ik mij minder aantrekkelijk voorgesteld dan het geworden is. Wat steeds weer opnieuw treft, is de moed (ik zou er bijna van maken de moed der wanhoop) waarmede de gemiddelde Fransman leeft. Want het moet niet meevallen 3 jaar na de bevrijding van Europa te leven zoals zij daar moeten leven. Zeker er zijn veel artikelen vrij van distributie: vlees, slaolie, olijfolie, snoeperij, textiel. Maar men moet maar niet te veel naar de prijzen kijken. Een liter slaolie kost in ons geld uitgedrukt ƒ 5.— en een liter olijfolie ƒ 7.50. Maar dat is in ons geld uitgedrukt en dat betekent in Franse arbeidslonen nog wel 25—100 % meer. Een postambtenaar met gezin immers verdient daar ongeveer ƒ 150.— per maand en andere salarissen wijken dikwijls nog meer ten ongunste af van het loonpeil in Nederland. Vlees is, zoals gezegd, vrij, maar wie kan het betalen? Een ons vlees voor ongeveer ƒ 0.50 is zeker met de lage Fpanse lonen toch wel wat veel. In het dorpje, waar ik nogal eens in de kruidenierswinkel kwam, waar ook vlees verkocht werd, lag dat vlees dan ook dagenlang te wachten op kopers. Het verhaal van d? stroom vliegen rondom en op dit wachtende vlees zal ik u maar besparen. Trouwens, er zijn ook moderne slagerijen in Frankrijk! De textiel is vrij. En een lust voor het Nederlandse oog. Totdat de prijzen ontdekt zijn. Een jurk van ƒ 80. —is daar vrij normaal. Er zijn wel eens artikelen, die goedkoper zijn dan in Nederland (althans voor ons), maar het is uitzondering, zo goed als het in België een hoge uitzondering is. Het

geeft de Nederlander een zeker gevoel van behagen, dat de Nederlandse voorlichting hem niet bedriegt als ze zegt, dat Nederland een eiland van goedkoopte is in Europa. Wat overigens een schrale troost is, wanneer hij daarna langs de Nederlandse winkels loopt met een portemonnaie, die toch net iets minder bevat dan nodig'zou zijn om zijn noden te bevredigen.

Brood, suiker, margarine of dierlijk vet zijn op de bon. Het brood is van een slechtere kwaliteit dan in Nederland, maar is niet overdreven slecht, zoals wel eens gezegd wordt. Het wordt op een andere wijze gebakken dan in ons land en trouwens ook genuttigd op een manier, die ons vreemd is. Onze gesmeerde en belegde boterhammen kent men nu eenmaal daar niet. Men ziet veel Fransen met hun lange broden onder de arm lopen en er al lopend stukken van afbreken en opeten. De broden worden niet in een eenheidsmaat verkocht, maar gewogen. Het ransoen is ca. | van ons rantsoen. De prijs ongeveer het dubbele. Ook dit eenvoudige volksvoedsel is dus duur en spaarzaam verkrijgbaar. Veel bakkers hebben slechts om de andere dag brood en dan nog maar op bepaalde uren. Ook het suikerrantoen is lager dan in Nederland, zelfs de helft minder. En ook weer ongeveer twee maal zo duur als bij ons. Boter is er slechts voor kleine kinderen.2ln normale distributie zijn vet en margarine weer veel minder dan bij ons: nog niet de helft en weer: veel duurder. En dan kunnen wij toch werkelijk niet juichen over de goedkope vettigheid.

Groente en aardappelen zijn vrij, maar

duur. In hotels gebeurt het nogal eens, dat het hoofdgerecht slechts uit een stuk vlees bestaat zonder aardappelen en groente, wat de Nederlander nu niet bepaald een voldaan gevoel in de maag geeft.

Ook is vrij de melk, maar koeienmelk is niet te krijgen. Wel geitenmelk. Het valt een Nederlander op hoe weinig koeien hij in de uitgestrekte weiden ziet lopen. Dat schijnt ook wel te komen doordat in Frankrijk de koeien veel op stal worden gehouden. Maar de volksdrank is de edele Franse wijn. Voor nog geen gulden heeft men een goede Franse landwijn. Deze wijn wordt ook door de gewone Franse arbeider bij het eten als thee of koffie gedronken. Voor dé oorlog was het gemiddelde wijnverbruik 24 liter per Fransman jaarlijks. Als men de mensen gadeslaat verwondert men zich over dat cijfer. Men zou eerder denken, dat het 365 liter per jaar was, maar dat zit ’m zeker in de jonge kinderen, die vanzelfsprekend nog niet aan de wijn zijn, ook al begint het vroeg. Al is de wijn onder de alcoholische dranken de edelste, toch heeft dit drankmisbruik z’n zwarte stempel gezet op het Franse leven. Vooral op het platteland is trouwens het misbruik van sterke dranken als brandewijn en de befaamde „apéritifs” (die men aan de vreemdeling vermengd met veel water .aanbiedt, maar zelf puur drinkt), groot en een boer die geen brandewijn aan zijn knechts verstrekt in een mate, die zij vaststellen, houdt zijn personeel niet. Dat dit drankgebruik en -misbruik nu niet bepaald ten goede komt aan de arbeidsproductiviteit zal niemand verwonderen. Dit is misschien

dan ook één van de belangrijke oorzaken waardoor het reële inkomen, ook voor de oorlog al, in Frankrijk zo laag is.

Nu de Nederlandse krantenlezer de laatste tijd wordt beziggehouden met vuilspuiterij rondom de mysterieuze figuur van de S.D.-knecht Schreieder, aan welk vuilspuiten niet alleen De Waarheid meedoet, maar ook Het Vrije Volk en Het parool (zij het uit verweer), komen mij de artikelen weer voor de geest, die geschreven zijn in Franse dag- en weekbladen, die ik bij mijn reis door Frankrijk heb kunnen lezen. Er is in Nederland iets aan de hand geweest en men probeert dat voor de Nederlanders verborgen te houden dat is de conclusie, waartoe ieder gezond Nederlander komt. Maar De Waarheid acht het passend daaraan te verbinden een lastercampagne tegen Vorrink en de zijnen. Andersom kan Het Vrije Volk aan zijn lezers mededelen, dat Jan Baars in samenwerking met Paul de Groot, mr Einthoven en prof. Gerretson samenspannen om Schreieder te redden. Het is door en door „unsane” (om dit Engelse woord te gebruiken, omdat het woord onzindelijk zelfs te netjes hiervoor is).

De Franse krantenlezer schijnt nu ook niet bepaald een goede smaak te hebben. Althans als men ervan uitgaat, dat de lezer koning is en de redactie hem dus geeft wat hij wenst. Als dan de Franse krant een weerspiegeling vormt van wat de Franse lezer is, dan ziet het er met de Franse lezer maar droevig uit. Ik citeer een paar „Lunshof"-koppen: „Twee dagen na haar huwelijk had Mauricette een minnaar genomen”. „Het mysterie van de naakte dode vrouw in het bad in Hotei Angietterre in Lyon”. „Uit het dagboek van Eva Braun” (een verzameling van intimiteiten, die Eva zowel als Adolf niet bepaald fris voorstellen). Om van de op het randje-van-obscene plaatjes maar niet te spreken. Dit soort vuil wordt gretig gekocht door de Franse „meneren en mevrouwen” op Bouievards, op terrassen van café’s, in winkelstraten. Gelukkig zijn er ook betere kranten, die, naar ik. kon constaterenj niet zo’n gretige afzet vonden. Deze categorie geeft ook wel veel sensatie,

ANTWOORD VAN EEN „OUDE” ONDERWIJZERES OP EEN VRAAG UIT DE „OPEN BRIEF” IN „TIJD EN TAAK” VAN ZATERDAG 26 JUNI 1948

W. A. Brug, geb. 1924, gest Ik rekende uit: dus ± 24 jaar. Ikzelf 57. Zal ik antwoorden? Je schrijft: Heb je wel eens zo’n resultaat gezien? En opeens brengt deze vraag me in de „loods” open overdekte ruimte van de Mulo in Bandoeng.

Vierhonderd jongens en meisjes tussen veertien en twintig jaar. Hollands, Indisch, Indonesisch, Chinees. i Links vooraan een orgel. Rechts een piano, ’s Morgens 7.15. De directeur noemt het lied, dat gezongen zal worden. Het nummer staat bovendien op het bord, zodat ieder weten kan wat in Hasper moet opgezocht worden.

Hoe vaak stond daar Lied 25? Was dat het lievelingslied van de school? Nog hoor ik het rhythme van: „Vreugde, vreugde, louter .vreugde.” Toen ik dat jaar zelf „van school afging”, besprak ik in het afscheidswoord de inhoud van dat lied. Het begint als een lofzang, het eindigt in een gebed.

„Open Gij der blinden ogen voor het ware vreugdelicht” ...

maar daarnaast staat er tenminste in, wat er in de wereld en in Frankrijk gebeurt. Overigens blijkt uit de kranten wel heel duidelijk de matheid van het Franse politieke leven. Maar daarover wil ik gaarne in een volgend artikel nog een paar opmerkingen maken.

Eén der trieste dingen, die de vreemdeling treffen, is ook het leegstaan en vervallen van huizen. In de meeste dorpen ziet men al bij een oppervlakkige waarneming, dat er meer woongelegenheid dan behoefte is, iets waarover vooral de Nederlander zich moet verwonderen. Nieuwbouw ziet men wel eens een enkele keer, maar dan betreft het meestal bouw van ) uxe huizen. Men zou een drama van het leegstaande huis kunnen schrijven, het huis dat tot ruïne vervalt en dat als achtergrond heeft de ontvolking van Frankrijk. Het schijnt,' dat na de bevrijding echter in het geboortecijfer een wijziging ten goede is gekomen, welke verbetering zich nog steeds voortzet. Zo er ergens een bewijs wordt geleverd dat het probleem van onze tijd eerder een tekort dan een teveel aan mensen is, dan wel in dit grote land, dat zijn rijkdommen niet meer kan ten goede doen komen aan zijn inwoners, omdat er te weinig zijn. Ook hierdoor moeten de tot werken bereid zijnde Fransen met de moed der wanhoop vechten voor een dragelijk productievolume, dat althans de noodzakelijkste behoefte der Fransen kan bevredigen.

Moed, maar dan zonder wanhoop, is de voorwaarde geweest voor het grote verzet tegen de Duitsers. Daarvan getuigen de vele Maquiskruisen langs de weg, opgericht ter nagedachtenis aan de dappere Franse mannen en vrouwen, die onder de moeilijkste omstandigheden een geweldige en ook bloedige strijd hebben gevoerd tegen de Duitse horden en voor de toekomst van het vrije Frankrijk, dat zij voor ogen hadden. In dat verzet heeft het Franse volk laten zien, dat er toch iets anders leeft dan de Maginot-mentaliteit van het Frankrijk van München 1938 en Juni 1940. Van daaruit zal dan ook de impuls tot regeneratie van Frankrijk moeten uitgaan.

J. G. V. d. PLOEG.

Van dat lied zongen we altijd alle coupletten.

f Van de andere meestal ook minstens vijf of zes, als er zoveel of meer waren. Maar je vraag bracht me toch een ander lied in de herinnering. Het nummer weet ik niet meer uit het hoofd. Misschien kunt je het toch vinden. De eerste regel van het laatste couplet was: ~Houdt Gij het kruis hoog voor mijn brekend oog.” Die bekende Engelse wijs: 3.32 1.5. / 6554 / 3.00.

Maar is dat wel een lied voor vierhonderd jongens en meisjes tussen veertien en' twintig? Het tempo werd ook nogal vlug gehouden. Toen de directeur-dirigent afgeslagen had, zei hij: „Nu moeten jullie dat lè,atste couplet nog eens zingen, maar dan wat zachter.” Meer niet. Geen vermaan. Geen „preek”. Maar ook de beide muziekinstrumenten gehoorzaamden aan de bedoeling. En ik vraag me af: Verstaan de niet-Christen leerlingen hier ook iets van?

Vlak daarop bijbelles in de hoogste klas. „Weten jullie, wat we zoeven gezongen hebben?” Dat viel niet mee uit het hoofd te zeggen, wat van ’t blad was gezongen. De bundels werden elke dag ’s morgens weer opgehaald. Ook zelf zat ik af en toe vast. Maar met elkaar haalden we het. Bij elk volgend couplet minder vingers van die het begin wisten. Bij het laatste nog één. En een zacht muzikaal stemmetje zegt: „Houdt Gij het kruis hoog voor mijn brekend oog” en ze voltooit het couplet, waarin „schaduwen vlieden” en de toegang wordt geopend naar „Gods eeuwig licht.”

En nu heb ik verder niet véél meer te vertellen. Dit meisje was Soendanese. Ze was Mohammedaans. Toen zij van school af was, en ik datzelfde 'jaar, 1941, gepensionneerd, kwam ze tweeof driemaal per week bij me, om me te helpen de Soendanese zinstoon te vatten. We lazen de in het Soendaas vertaalde brieven van Kartini. In December kwam Japan. Het was beter voor haar, dat ik nu het contact verbrak. In ’43 is ze nog eens één keer op een Zondagmorgen op mijn achtergalerij bij me geweest.

Eindelijk, na vijf jaar, heb ik vernomen, dat ze nu in Djocja is. Schrijven kan nog niet. De directeur van de Mulo is in het kamp bezweken. Hij had in zijn gevangenschap veel troost aan Het dikke Boek. Een van de collega’s, die toen begeleidden is eveneens in het kamp overleden. Zijn dochter van zestien jaar werd bij de Indonesische overval op kamp 8 in Ambarawa doodgeschoten.

Heeft het zingen van dat lied resultaat gehad? Ik geloof, dat ik het gezien heb.'ln elk geval heb ik het bij mijzelf ondervonden. En, ik geloof dat ik méér gezien heb. Maar ik ben van 1891! Bid met mij, dat de boodschap van „Het dikke Boek”, de wereld mag leren zingen, heel die wereld van Azië en Afrika, die er nog op wacht om dat te leren, en ook de wereld, waar zovelen het verleerd hebben. En weet, dat ginds Indonesiërs en Chinezen zijn, die recht hebben van Nederland te verwachten, dat het de boodschap, die reeds zovele eeuwen zovele duizenden in Nederland heeft doen zingen, uitdrage, voortplante, tot, zoals Het dikke Boek zegt: „de aarde vol worde van des Heren heerlijkheid.”

C. C. DE QUAASTENIET.