is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1948, no 45, 14-08-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

quent, die nog gevangen zit. Wij geven enkele losse citaten;

„Een aanklacht is het. Niet alleen tegeii Hitler en zijn trawanten. Het is een aanklacht tegen mij. Niet van de schrijver Wielek, maar van God zelf, de aanklacht van Gods eigen Zoon, die ik vervolgd, geslagen, beledigd, verguisd, vermoord heb. En dan meende ik nog te zwaar gestraft te zijn.”

„Uw boek heeft iets vreselijks bewerkt, het heeft van mij een moordenaar gemaakt, het heeft mij al de ellende van die duizenden mensen doen zien als de grote schdid van mijn leven.”

„Nu zit ik in een kamp en naast mij ligt een dagvaarding: De oorlog, die Hitler won... en tot mijn verdediging kan ik niets aanvoeren, zelfs niet het: ik habe es nicht gewusst. Waarom moet ik denken aan die korte regels:

Wij straffen zelf ons voor begane schuld In ’t bang berouw, dat vruchtloos die herroept.

in ’t heet verlangen naar verbeurde liefde van die wij krenkten. Wee ons, zo wij sterven

en laten levende verwijten achter.

Levende verwijten... De oorlog, die Hitler won... mijn hand strekt zich uit naar uw boek, het is alsof ik mij brand. Het 21et er zo somber uit, zo doods, zo zwart.” „Nog jaar en ik zal vrij zijn en mijn schuld geboet hebben. Nog 2i jaar, nog 10 jaar, nog 100 jaar... ik zal deze schuld niet kunnen boeten, nooit kunnen verdelgen, nooit kunnen zeggen: nu ben ik vrij.

„Ik kan u geen vergeving vragen en nog minder iets beloven. Ik kan u alleen iets vertellen en dat is wel dit: de tijd van mijn leven zal altijd te kort zijn om goed te maken wat ik misdeed. En dan zou ik u nog kunnen bedanken voor uw boek, maar zelfs dat laat ik achterwege, hoewel ik het zou moeten doen, immers, u hebt mij van een verblindheid genezen.”

Hitler is dood, maar Israël leeft.

Hoor Israël, de Eeuwige is onze God, de Eeuwige is eeuwig! J. J. BUSKES Jr.

verwachtingen in rook doen opgaan. Twee jaar en ook nog één jaar geleden was het de Engelse film die ons met een stuk realiteit en waarheid confronteerde. Nu schijnt de bloeiperiode ook van de Engelse film reeds tot het verleden te behoren. Op het ogenblik staat de Italiaanse film op het eerste plan. Maar hoe lang ? Als de Italianen maar niet de weg teruggaan naar de verfilming van pathetische opera’s en dergelijke!

Wat de Amerikaanse film betreft: wij weten wat Hollywood is en hoe het werkt, met technicolor, Bing Crosby en Ingrid Bergman. (Wij houden ons hart vast, wanneer wij vernemen, dat binnenkort de allerallergrootste film met mej. Bergman naar Nederland komt, waarin zij als Jeanne d’Arc optreedt ) Wij weten, dat de Amerikaanse film doorgaans sentimentelerig, leeg-pathetisch en primitief is. Maar het is juist Amerika dat ons een enkele keer verrast met de grootste prestaties op cinematografisch gebied.’ Denk maar aan „Mr. Smith goes to Washington”, aan Fritz Lang’s „Fury”, aan „The lost week-end”, aan „Boomerang”!

Terwijl in 95 pet. van elke films een schijnwereld schittert, sprak uit deze films inderdaad de wereld tot ons; echte problemen van echte mensen kwamen hier naar voren en wilden ons, het publiek, benaderen, bereiken, ontroeren, tot denken dwingen, activeren.

EEN GESPREK

Eigenlijk hoor ik tot de mensen, die in de trein zich ’t liefst terugtrekken achter een boek. Dat is eensdeels ’t gerechtvaardigde verlangen om eens een paar uren achtereen te kunnen lezen, maar ook een bewuste onwil tot gesprek dat nergens toe leidt. In dat laatste schuilt een stukje hoogmoed en tegelijk een gevoel van onmacht om ’t praten van de mensen om je heen tot een werkelijk gesprek te maken.

Maar enkele dagen geleden op de Veluwe, van Amersfoort tot Zwolle, ongestoord door instappende mensen die altijd een coupéformatie veranderen, kwam er een werkelijk gesprek. Een gesprek met een jongere, zo typerend voor de nood en de problemên van de jongeren van vandaag, dat ik eenvoudig niet laten kan iets weer te geven van wat ik mij hiervan nog herinner.

Tegenover mij in een tweede klas, terwille van ’t rustig lezen! een jongeman, ik schatte drie, vier en twintig, lezend in De Lach. Gewoon beeld van veel jongeren in de trein. Reiziger, dacht ik, en las door. Toen maakte hij een opmerking over de warmte waaruit zich een beschouwing ontwikkelde over de mensen in de overbevolkte buurten van Amsterdam en de mensen

op ’t platteland. De mensen in de stad kennen de rust niet meer zei hij. Dit was ik slechts in zoverre met hem eens, dat ’t voor de stadsmens moeilijker is de rust te verstaan dan voor de boer, die deze grotendeels vindt eenvoudig door het dicht leven bij de natuur en meer nog door de vaste regelmaat van hard werken. Vroeg op, vroeg naar bed. Mijn overbuurman stemde toe dat de stadsmens behoefte heeft aan een andere rust, een innerlijke rust, die velen evenwel niet aan kunnen. Bent u maatschappelijk werker werd mij toen gevraagd. Toen ik antwoordde, merkte hij op: U zult het als dominee wel moeilijk hebben, want hoe kun je de mensen in deze wereld nog geloof bij brengen? Wetenschappelijk is dat toch niet meer te aanvaarden, ’t Is toch moeilijk aan te nemen dat water in wijn kan veranderen —. Mijn. medereiziger bleek chemicus te zijn, pas afgestudeerd.

Toen begon het werkelijk gesprek. Drie grote, brandende vragen hielden deze jongeman bezig. Ten eerste een verlangen om eenvoudig het cultuurproces te ontkennen waarin wij ons bevinden en waarin de mens in veel opzichten eerder een drang tot zelfvernietiging waarneemt, dan een vreugdevolle ontplooiing tot nieuwe moge-

CROSSFIRE

Tot deze films behoort „Crossfire”, die binnenkort in ons land vertoond zal worden. En ik hoop van harte dat velen deze film zullen gaan zien, en dat zij ook naar haar luisteren, dat zij haar begrijpen.

„Crossfire” van Edward Dmytryk bewijst dat een film keihard kan zijn en niet per se de problemen van onze tijd uit de weg gaat, dat zij ook de achtergronden van psychologische en maatschappelijke aard kan zien en ontleden, zo sober en eenvoudig mogelijk.

In enkele opmerkelijke geschriften (b.v. van Sartre), toneelstukken („De school der dapperen”), en, zoals wij kunnen constateren, ook in de film, wordt de ziekte van het anti-semitisme onder ogen gezien.

In „Crossfire” geeft Dmytryk ons geen theoretische verhandeling, geen acclamatie, „toegelicht” door een „voorbeeld uit de werkelijkheid”, neen, hij geeft ons de werkelijkheid, een criminalistisch geval, een kruisverhoor in een Amerikaanse stad, en wij staan mét de recherche voor een raadsel: waarom zou deze mr Samuel door een dier soldaten, die hem nauwelijks kennen, vermoord zijn? Zij stonden naast elkaar in een bar, zij spraken enkele woorden met elkaar, zij werden geïnviteerd even met hem mee te gaan, nog wat te drinken. En toen werd de gastheer gedood.

De redenen tot deze moord blijken geen gewone te zijn. Maar anderzijds zijn zij zo gewoon mogelijk. De moordenaar, deze grote, sterke, opschepperige en domme soldaat, lust mr Samuel niet, hij mè,g het sóórt niet, hij haat met de haat der door geen reden te remmen mensen deze man, omdat hij alle Joden haat. Zoals door anderen in Amerika negers worden gehaat en gelyncht, en door wéér anderen lerse katholieken.

Het begin speelt in het donker: een man wordt neergeslagen; vermoorde en moordenaar zijn onherkenbare schaduwen. En zó geschiedt deze misdaad: uit het donker der laagste instincten. Het einde wanneer de rechercheur de moordenaar die ondanks zijn sluwheid tegen de lamp loopt, te pakken heeft speelt in het licht en het gewoel van de stad; de moordenaar tracht te ontvluchten, en de rechercheur schiet op hem. „Hij is allang dood”, merkt de rechercheur op. En hij gaat een kop koffie drinken.

„Hij is allang dood”. Dat is de antisemiet, méér nog en nauwkeuriger: dat is iedereen die een medemens haat omdat hij tot een bepaald volk of ras, tot een bepaalde klasse behoort. De hater uit bekrompenheid, stupiditeit, jalouzie kent geen echt en waarachtig leven.

in de taal van de film.

Dmytryk die een tijdje geleden een minder belangrijke maar toch boven het gemiddelde staande speelfilm over de strijd In Batan heeft geregisseerd, heeft het aangedurfd, het probleem van het antisemitisme in een film te behandelen, zakelijk, op de man' af, kort en af doende, nooit vergetende, dat de film geen gefotografeerd toneel is. Hij gebruikt close ups, wanneer de inhoud zulks inderdaad noodzakelijk maakt en niet te pas en te onpas, zoals in veel rolprenten het geval is; in „Crossfire” kunnen wij eindelijk weer zien wat dit toch is waarover filmcritici het zo vaak hebben: het rhythme der heelden. Muziek en geluid hebben hier een functie en zijn daarom op hun plaats.

Er wordt niet gedeclameerd en niet gejammerd. Tegenover de hater die tot alles in staat is, staan anderen, mannen met gezond mensenverstand, vernuftig en ironisch: Amerika op z’n best.

De vormgeving van „Crossfire” deed ons soms aan „The lost weekend” denken. De inhoud in het bijzonder de gesprekken van enkele Amerikaanse soldaten die binnenkort gedemobiliseerd zullen worden en die niet weten: waarheen? wat nu? brachten ons terug naar „De beste jaren van ons leven”, en ik besefte weer, hoe zwak deze langgerekte, nadrukkelijke en somwijlen onsmakelijke film toch was. In enkele korte scènes, dialogen, aanduidingen, worden in „Crossfire” essentiëler factoren blootgelegd dan in lange taferelen van de „Beste jaren”: veel van de problematiek van deze film komen wij namelijk ook in het werk van Dmytryk tegen. Maar wat Wyler, die uitstekende films als „The little foxes”, maar ook leugenachtig-sensationele rolprenten als „Mrs. Miniver” heeft gemaakt, met zijn „Beste jaren” niet is gelukt, heeft Dmytryk volbracht: een filmwerk dat aan de eisen van beschaving én filmkunst voldoet.

H. WIELEK.