is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1948, no 45, 14-08-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een zeer belangrijke factor is in deze verscheurdheid. Deze mensen hebben nergens op aarde een „thuis”, want het blanke Europa kan dat voor hen nooit worden, en de tropische wereld is het niet meer, omdat zij geen kinderen meer zijn, met andere maatstaven hebben leren meten, en in het land van hun jeugd een andere positie zijn gaan innemen. Debrots novelle „Mijn zuster de negerin”, al van 1935, geeft van die situatie een aangrijpende uiteenzetting. Maar voor wie menen mocht, het verschijnsel met een psychologische uiteenzetting onschadelijk gemaakt te hebben, geeft Debrot dan weer de leerzame beschouwing over de verhouding van aards en hemels heimwee, die in eikaars verlengde kunnen liggen. Psychologisch kan men alle heimwee zien als een niet voldoende geworteld zijn in het heden, te weinig relatie hebben met wat het leven hier-en-nu te bieden heeft, en anderzijds ook eist. Wanneer, zoals ik de vorige maal schreef, mijn vrienden anders zijn dan de figuren van Debrot,

dan is het omdat zij meer dan deze mensen hun naastbijliggende taak verstaan; en in verband daarmee ook de naastbijliggende vreugde weten te vinden. Zij zijn gelukkiger, en maatschappelijk productiever. Maar zij zijn daarom niet beter, als mens misschien niet waardevoller, en ondanks de schijn van het tegendeel misschien ook niet dichter bij de oplossing van het levensraadsel dan deze gekwelde en op dwaalwegen rondtastende zoekers. Hoe meer ik de ingehouden, voorname humor van Debrot ga bewonderen, zijn intelligentie, die zich nergens pronkerig etaleert, zijn geestigheid, die nooit liefdeloos is, zijn onverbiddelijke waarheidszin en daarbij de mildheid van zijn oordeel (hoe anders hebben wij het in de vaderlandse letteren wel leren kennen!), hoe meer ik geloof dat de verstandigen kunnen leren van een die het niet weet, met zichzelf en het leven niet tevreden is, en de raadselen niet heeft opgelost.

M. H. VAN DER ZEYDE.

cleed in dad en Land

Begin September, over enige weken dus al, zal het feest zijn in ons land* We lezen er over in de krant, We zien voorbereidingen op straat de Amsterdamse grachten hebben hun guirlandes van electrische lampjes menigeen heeft zich getooid met het Koningin Wilhelmina-insigne voor het kankerfonds.

Is dat alles? O nee, we weten van feestcomité’s, die al lang druk vergaderen, we zien in de étalages jubileumboeken, -bekers, -lepeltjes, enz. Maar u en ik, in ons gezin, hebben wij al gedacht over de a.s. feestelijkheden?

We kunnen natuurlijk kalm afwachten, ons verheugen op de „extra” vrije dag en als die dag er is, gaan kijken naar een optocht en langs de kant onze op- en aanmerkingen maken.

We kunnen ook mee wilien doen, omdat we zin hebben om dit feest van ons land te vieren. Maar dan moeten we ons er ook op voorbereiden.

In een boekje „Jeugdfeesten” (’32 uitgave V. Gorcum, Assen) schrijft mej. E. C. Knappert in een hoofdstuk feesten; „Willen wij werkelijk feestvieren, waardig en vreugdevol, dan hebben wij ons steeds en allereerst te bezinnen op de betekenis van het feest. Die zin hebben wij hoog te houden, waar wij hem tot uitdrukking trachten te brengen Waar men zich van de zin van het feest geen rekenschap geeft, wordt de viering zinloos. Kan een lentefeest een lentefeest zijn, als het gevierd wordt in de schouwburg? Bij kunstlicht? Kan het de deelnemers de zin doen verstaan, wanneer deze versierd zijn met papieren bloemen? Kunnen papieren kerstklokken metalen klokgelui suggereren, dat over de winterse velden heengalmt en de ruimte vult? Kan ooit kerststemming worden gewekt door rode winkeletalages? Zolang men in gedrochtelijke wanstaltigheden begerenswaardige attributen ziet, zullen onze feesten stijl missen en waardigheid.”

Nu is er deze Feestgids, waaraan meewerkten: mej. Toos Blom, mevr. I. Last Haar, mej. F. Last en mej. A. M. Bos. U vindt er raadgevingen in over het maken van versieringen op straat en in huis, over optochten voor groot en klein, over het organiseren van feestmiddagen met volksdans en -zang, kinderkermis en -toneel, over volks- en kinderspelen. Daar tussendoor staan de wijze opmerkingen van mensen met ervaring: Wees zuinig met materiaal-hout, textiel b.v. met geld, vraag raad aan goede vaklui voor je materiaal verprutst met eigen geknutsel, maak niet alles klaar voor de jeugd, maar schakel hen in, laat niet een klein groepje alles bedisselen, maar bevorder samenwerking tussen verschiiiende groepen. De een zal kunnen meewerken, doordat hij zijn vakmanschap aanbiedt, een ander doordat hij eenvoudige prijzen aanbiedt uit zijn zaak, een andere, doordat hij ordecommissaris is. Steeds weer legt het boekje de nadruk op zelf doen: niet slingers kant en klaar kopen, maar zelf maken. Welk kind zal het niet een heerlijke vacantiebezigheid vinden? Het hoeft niets te kosten en een eenmaal gemaakte slinger kan jarenlang een huiskamer versieren bij verjaardagen en andere feestelijkheden. Twee openluchtspelletjes bevat het boek, maar het geeft ook een lange lijst van boeken, geschikt om te bewerken als eenvoudig toneelstuk. Alweer een' mooi vacantiewerkje. Menig groter kind zal het meer vreugde geven dan het instuderen van een bestaand stuk. En laten we niet vergeten te noemen de alieraardigste tekeningen van Joh. Bottema. Zij illustreert de tekst en doet daarmee de beschrijving van de speien en optochtten, van de versierselen en dansen voor ons leven!

Feestcomité’s en onderwijzers, jeugdleiders, maar ook ouders kunnen veel plezier van dit boekje hebben. En als de feesten in September voorbij zijn, blijft deze gids een waardevoi bezit, want gelukkig komen er

daarna weer feesten, waarvoor we versieren en spelen en zingen mogen.

„Laat het leven sober zijn, doch rijk aan feesten”. Het feest met zijn voorbereiding tilt ons uit boven de dagelijkse sleur. In een zelfversierde kamer, in een feestelijk getooide straat, in een optocht met zelf versierde auto-peds en fietsen, kinderen met een eigengemaakte feestmuts, groteren niet in gehuurde, maar in zelfgemaakte costuums uit bij elkaar gescharrelde lappen en oude kledingstukken, mits dat alles met zorg is voorbereid en uitgevoerd, worden we andere mensen: blij, verdraagzaam, dankbaar.

De gemakkelijkste weg is om naar een feestartikelenwinkel en naar een banketbakker te lopen, maar echt feest zal het pas wezen, als ieder mee heeft gedaan, misschien met een erepoort op straat, met een gevelversiering, met een feestpudding, of met een maskeradepak en een feestmuts. Laat ook ons feest sober wezen. Het zit hem niet in het dure: een feestelijk gedekte tafel met een enkele met zorg opgedane schotel, kan meer feestvreugde geven dan een duur diner in een déftig restaurant.

Als ieder naar eigen krachten meedoet, dan zal het feest wezen en dat feest zal ons heugen. Wie denkt niet aan de gezeliige buurtfeesten na de bevrijding? We hadden eigenlijk niets en toch hadden we plezier: geen snoeptentjes, geen sterke drank, geen dure versierselen, waar de één mee geuren en de ander afgunstig naar kijken kan.

Amsterdam had de afgelopen eerste weken van Augustus zijn vacantieweken. Geen kleine opgaaf: feestelijke dagen te maken voor mensen, die niet uit de stad kunnen gaan. Ik was bij een openluchtfilmvoorstelling op een schoolspeelplaats. We zagen een van de oudste filmjournaals, een Chinese film met explicatie van de chinees: Han-Sti-Mei-R. en een van de eerste filmpjes van Charley Chaplin. Ruim anderhalf uur film voor ƒ 0.25. Halverwege begon het te regenen, eerst zachtjes, later hard en harder. We merkten het nauwelijks: sommigen gingen naar huis, anderen zochten een plaatsje onder de bomen van het schoolplein, maar verreweg de meesten bleven staan kijken. We hadden geen hinder van de regen: we hadden feest!

Als straks de vacantie voorbij Is, zullen we er niet over om staande in de regen naar een fiim uit de oude doos te kijken, net zo min als we dan een costuum voor een optocht zullen aantrekken: Dat is het geheim van een goed feest: we worden er andere mensen door!

R. B.—V. R.

*) Feest in stad en tand, een richtingaanwijzer voor het organiseren van Feesten en Spelen, ten dienste van Gemeentebestmen, Peestcomité’s en Scholen, geill. door Johanna Bottema, door dr P. H. Schröder, algemeen secretaris der Maatschappij tot nut van ’t algemeen, uitgave De Driehoek, ’s Graveland 1948, in cartonnen omslag, 100 pag. ƒ3.—.

Henlvelil-nkuws

Graag voldoe Ik aan het verzoek mijn indrukken weer te geven van de vacantieweek van 3 tot 9 Juli. Mijn vrouw en ik waren van plan eens flink rust te nemen, en konden weinig vermoeden dat het heel anders lopen zou. De rust hebben wij wel gekregen, maar op andere wijze.

Het weer wais goed, alleen bij de excursie naar de terreinen van de Amsterdamse waterleiding, viel er te veel regen. Bij het bezichtigen van de sluizen en vishallen van IJmuiden kregen wij een goede indruk