is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1948, no 46, 21-08-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONZE SOLDATEN IN INDONESIË

De onderhandelingen in Indonesië vorderen als de slak op de beruchte teerton. In deze Julimaand, nu wij midden in de Mohammedaanse vastentijd zitten, neemt de onrust weer toe. Beschietingen en overvallen zijn helaas weer aan de orde van de dag. Het is mijn bedoeling niet om d.e oorzaken van dit alles op te sporen en tot de achtergrond van deze Wild-West-methoden door te dringen. Onze gedachten gaan nu vooral naar de Hollandse soldaten, die meestal de klappen van dit roekeloos bedrijf opvangen en dan terugslaan. Wij kennen de vicieuze cirkel van wreedheid en wraak.

Intussen wordt het voor deze jongens een lange, verdrietige geschiedenis, die veel van hun zenuwen vergt te midden van de dreiging, waarin zij leven. Een lange geschiedenis, dit hun geduld op een zware proef stelt. Deze jongens leven in de spanning van het verlangen naar huis en de teleurstelling, die zij ondervinden. Zij houden er, geleerd door een harde ervaring, rekening mee, dat hun diensttijd wel iets lager zal duren dan hun aanvankelijk werd voorgesteld.

Zeker, er is nog altijd een groot gedeelte, dat zich voortreffelijk door moeilijkheden heenslaat. Ook hier kunnen wij de zegeningen van een degelijke opvoeding constateren, al liggen de dingen in de werkelijkheid niet zo braaf afgepast naast elkaar, als onze opvoedkundige principe’s dat onderstellen.

Maar het zijn juist die teleurstellingen, die de last van de eenzaamheid en van het gevaar (zedelijk en physiek) nog des te zwaarder maken. Welke zijn die teleurstellingen?

Allereerst een gemis aan huiselijkheid, welke enigermate een vergoeding kon bieden voor het verlangen naar huis. Hier zou het onbillijk zijn, om al spoedig met de schuldvraag klaar te zijn. Men kan noch een kampement, noch een kazerne omtoveren in een huiskamer. En wie de woningtoestanden hier kent, weet hoe moeilijk het is om enige huiselijkheid aan te bieden, waar verreweg de meesten geen huiskamer hebben. Niettemin, het gemis blijft.

Noodlottiger wordt de teleurstelling als de jongens geen oudere vriend ontmoeten, die hun moeilijkheden meedraagt. Echte vriendschap is juist hier en nu van onschatbare waarde gebleken. Maar vriendschap is een zeldzaam goed. Hier vooral begint de taak van een veldpredeker. Zeer velen doen, wat zij kunnen. Maar niet elke veldprediker is een goed pastoor. Wanneer een jongen, die in een brief zijn nood klaagt, omdat hij geestelijk volkomen in de knoop zit, van een veldprediker 10 preken toegestuurd krijgt, zonder een persoonlijk bijschrift, dan hapert er in zo’n geval nog iets aan.

Maar veel erger is, dat er aan de omgang tussen meerderen en minderen nog wel ’t een en ander mankeert. Tijdens de dienst, de noodzakelijkste distantie. Accoord. Maar waarom buiten de dienst niet wat meer menselijkheid en bij sommige meerderen, een beter voorbeeld?

Hier konden onze Hollandse officieren (de goeden niet te na gesproken) nog wel

iets van sommige buitenlandse collega’s leren. Hier zien wij Holland op z’n smalst. Typisch Hollands individualisme? Leve het isolement! Een stomme klassegeste? Met echte democratie heeft het in elk geval niets te maken. En dit ijdele gedoe is des te belachelijker, omdat sommige jongens (dank zij de goede vruchten van de democratie) hun meerderen in kennis en beschaving voorbij gestreefd zijn.

Een van de bitterste teleurstellingen, die de soldaten niet zelden ondervinden is het feit, dat zij op een billijk verzoek soms geen antwoord krijgen, soms na maanden van taai geduld en volhardende pogingen. Eén van de besten, die ik ken, zei onlangs: „Is ’t dan wonder, dat sommigen zich door wanhoop gedreven, in een kampong verslingeren?” Hij zei ’t in soldatentaal nog iets duidelijker. Deze teleurstelling is te wijten aan het schandelijk bureaucratisch systeem, waarmee het militaire apparaat, dat toch wel allereerst op efficiency gericht mocht zijn, werkt. Maar helaas heeft hier al wederom de onbewogenheid en grofheid van sommige meerderen schuld, die hun onderlinge rivaliteit botvieren op de ruggen hunner jongens.

Het zou mij niet moeilijk vallen staaltjes te vertellen van jongelui, die eigenlijk in Nederland al afgekeurd hadden moeten worden (maar immers simuleerden!) en die nu ziek geworden, nu al maanden wachten op het laatste officiële bewijs, dat zij werkelijk voor de dienst niet meer deugen.

Ter illustratie lijkt het mij beter een verhaal, dat niet eens zo dramatisch is, door de betrokkene zelf verteld, wat uitvoeriger weer te geven. Mijn jonge vriend, met een behoorlijke middelbare school-ontwikkeling, is zeer muzikaal en speelt voortreffelijk orgel en piano. In Holland reeds afgekeurd voor infanterie-dienst, komt hij hier helaas al spoedig in het hospitaal terecht. Daar waagt hij, nu ruim een jaar geleden, de eerste pogingen om bij de N.I.W.A. te komen en aldus zijn kameraden van zijn muzikale gaven te laten genieten. Een officier, bij de Krijgsraad werkzaam, belooft hem daarbij alle hulp. Maar als hij eindelijk hersteld, zijn verzoekschrift bij zijn commandant indient, begint de ellende. Deze meneer voelt zich gepasseerd en laat de jongen weken wachten. Op zijn vragend verwijt: „waarom hebt ü mij dan nooit eens in het hospitaal opgezocht”, krijgt hij ten antwoord: „ik heb wel prettiger dingen te doen”.

Wanneer deze jongeman merkt, dat hij bedrogen wordt, dan zet hij door en schrijft wachtensmoede aan prins Bernhard zelf. Deze geeft antwoord en maakt er werk van. Geprezen zij zijn naam. Maar er verandert niets. Mijn vriend is een koppige Hollander en zet door. Hij schrijft regelrecht aan generaal Spoor, wat eigenlijk niet mag, omdat een soldaat nu eenmaal de hiërarchische weg van onderop moet bewandelen, maar dan zou immers zijn verzoek bij zijn commandanten stranden! Generaal Spoor is even humaan als prins Bernhard, maar hij bewandelt de hiërarchische weg van boven naar beneden. En nog altijd gebeurt er niets. De stukken

verdwijnen telkens in de beruchte bureaulade en zij raken zoek. Maar deze knaap geeft ’t niet op. En op een goede dag stapt hij regelrecht naar kolonel Drost en dan eindelijk is ’t in 14 dagen voor elkaar. Na precies een vol jaar werkeloos omlummelen.

Als deze geschiedenis uniek was, dan zou men ’t als een tragikomische anecdote kunnen vertellen. Het zou onbillijk zijn om te generaliseren. Maar helaas, dit verhaal is geen uitzondering, doch vormt een hoofdstuk van het dikke boek der teleurstellingen, die onze soldaten onnodig ondervinden, omdat er nog zo ontzettend veel hapert aan humane bejegening en vriendschappelijke omgang met deze jongens, die hier niet voor hun plezier te logeren zijn. Nu kan men zeggen; deze stroeve zakelijkheid, deze harde en stramme behandeling is inhaerent aan het militaire systeem. Het is beter om de mens met zijn liefdeloosheid fin welke systeem hij ook ingevoegd is) verantwoordelijk te stellen voor de schade, die hij de ziel van zijn medemens (al is deze ook maar een soldaat) aandoet. Want onder dat Oordeel staan wij allen, ondanks al onze verontschuldigingen en met al onze systemen. ■

De beproeving van het geduld onzer jonge dienstweigeraars, mag in dit verband niet onvermeld blijven. Wat zij ondergaan hebben, spant werkelijk de kroon op dit gebied. Hun wachtenstijd duurt nu al ruim anderhalf jaar. Op het snelvuuronderzoek van prof. Jitta, dat in hun nadeel uitviel, volgde een tweede onderzoek, meer gedegen en consciëntieus. Het is tot de betrokkenen doorgedrongen, dat het oordeel van de commissie van onderzoek, hun gewetensbezwaren ernstig nam en erkende. Dat is tenminste een stap in de goede richting. Dit is echter nu al twee maanden geleden. Nog altijd wachten deze jongens, werkeloos en doelloos rondlopend, op de officiële uitspraak uit Den Haag. Maar men schijnt voor dergelijke futiliteiten geen tijd en geen aandacht te hebben.

Hier wordt moedwillig verbittering gekweekt. Hier wordt door mensen op verantwoordelijke posten op een baldadige wijze schade aan zielen toegebracht. Toch hebben wij in Nederland een afschuw van totalitaire methoden, waar mensen alleen maar nummers zijn. Maar als dergelijke jongens in het rechte spoor blijven, is dit meer aan een wonder en aan genadige leiding te danken, dan aan de humaniteit van hun superieuren.

Er wordt tegenwoordig veel over jeugdnihilisme gepraat. Geen intellectualistisch onderwijs kan hier vergoeden, wat de oorlog onze jeugd ontnam. Maar het ergste is, als onze jongens niet de steun vinden bij hun leiders, waarop zij recht hebben. Dan komen zij zo maar via de wanhoop bij het nihilisme terecht. Wij moeten nu maar liever niet te veel over gewichtige theorieën praten, maar mensen in hun onverantwoordelijk en onbarmhartig gedoe aansprakelijk stellen, als hier jongeren schipbreuk lijden, omdat hun lege schepen niet langer tegen de storm en golven bestand bleken.

Het is daarentegen voor sommigen, die hierheen zijn gekomen om enige geestelijke leiding te geven, een voldoening te meer, dat zij zo nu en dan ook in deze nood wat troost en steun mogen bieden in het bestaan van deze jongens, wier innerlijk weerstandsvermogen wel op een zware proef wordt gesteld.

Van een collega in Indonesië ontving ik dit artikel, dat ik gaarne in „Tijd en Taak” een plaats gaf.

J. J. BUSKES Jr.