is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1948, no 50, 19-09-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

/ tien Heer j I behoort de aardei l en haar Ê \ volheid. Psalm 24 : l y/

Tijd en Taak

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR EVANGELIE EN SOCIALISME

TEVENS ORGAAN VAN DE PROTESTANTS CHRISTELIJKE WERKGEMEENSCHAP

No. .30 Verschijnt 50 maal per jaar 46ste jaargang van de Blijde Wereld «

Redactie Prof. dr W. Banning Ds J. J. Buskes Jr Ds L. H. Ruitenberg Mr G. ,E. V. Walsum Seer. der redactie: J. G. Bomhoff, Roerstraat 48 111 A’dam»Z. Tel. 24386

Ab. bij vooruitbet. p.j. f B.—. haljj. f 4.25. kwart, f 2.30 vl. f 0.15 inc. Lossenra f 0.15, Postg. 21876. Gem.giro V 4500, Adm. N.V. De Arbeiderspers. Hekelveld 15. A’dam-C.

gEESTELIJKE

verwarring?

Neen, wij kunnen nóg niet ophouden met het schrijven over de Assembly. Want nu komen de reacties los.

■Voor mij ligt „De 'Vrijdenker” van 11 September. Een lang artikel wijdt de heer (A. L.) C(onstandse) aan de Amsterdamse vergaderingen met als titel: „Demonstratie van geestelijke verwarring”.

De lust om met de heer C. te polemiseren is bij mij vrij gering. Er moet, om een gesprek te beginnen, ergens een punt zijn, waar wij samen ja zeggen. Dit punt nu heb ik in dit artikel althans niet kunnen vinden.

Hij begint met de Assembly te vergelijken met het even tevoren gehouden Congres van wijsbegeerte. Dddr werden belangrijke problemen aangesneden, daar verbond de rede allen, terwijl de Assembly „een ietwat treurige demonstratie van beklag en zelfbeschuldiging is geworden, met redevoeringen zo onbegrijpelijk en wanhopig, dat men hieruit inderdaad zou afleiden, dat het christendom geen uitweg meer ziet.” Nu kan ik over het Filosofencongres niet oordelen. Uit Bomhoffs verslag heb ik begrepen, dat het niet steeds meeviel, allen door de rede te binden, wanneer andere bindingen, nl. aan politieke machten een rol gingen spelen. Op zulk ogenblik zo leek mij ging de dunne schaal van het denkleven barsten vertonen en kwam er iets anders onder uit, nl. gebondenheden aan machten, die men met het denken wel wilde benaderen, maar er niet mee kon bedwingen.

Bovendien vraag ik mij af, of precies als in de theologie, ja, meer nog dan bij de theologie de wijsgeren zich geen woordgebruik eigen hebben gemaakt, waardoor het hun, die in de filosofenscholen niet hebben meegedacht, eveneens „wanhopig” voorkomt als zij er iets van willen verstaan.

Waarom de heer Constandse inderdaad Barth en Niemöller niet kan verstaan, komt, omdat hij de eis stelt, dat men „door de rede” gebonden is aan elkaar. Ach, eigenlijk stelt C. deze eis niet; hij acht het volstrekt vanzelfsprekend tussen mensen. iEn van dit standpunt uit kan de Assembly inderdaad niet begrepen worden. Wie hem zo nadert, kan niet anders dan tegenstrijdige en onbegrijpelijke meningen ontdekken. Hij kan hoogstens bij sommige opmerkingen over morele en sociale vraagstukken goedkeurend knikken, maar alleen als hij ze los maakt van de fundering, waarop deze meningen rusten. Hij moet vallen over het schijnbaar verwarde beeld, dat de uitspraken biedt, want de rede-gelovige kan niet anders dan naar rationele orde, naar plaatsing binnen het denkschema streven.

De Assembly nu werd niet door de rede gebonden. Niet, omdat er geen mannen en vrouwen met verstand rondliepen, maar omdat men door iets anders gebonden was. nl. door het weten, dat zij allen door Jezus Christus geroepen waren om een eenheid te vormen in de wereld. Zij allen niet als individu, maar als mens, die in zijn levensverband staat, zijn kerk, zijn volk, zijn gezin, zijn beroep. Al die verbanden hebben hun kracht en hun historie (langer of korter), en zij kunnen de betekenis daarvan niet loochenen. Bovendien hebben zij de roeping van Jezus Christus niet op gelijke wijze verstaan. Zij leggen zich niet neer bij deze verschillen, maar zij zijn erover verontrust.

Ziedaar de oorzaak, waarom zulk een vergadering op de buitenwacht zulk een chaotische indruk maakt, aanvaardt, dat er geen „eenheid” en soms ook onbegrijpelijkheden zijn. Want de eenheid is 'er. Zij is niet aanwijsbaar in een door allen gehanteerd begrippen-apparaat, of in een

algemeen aanvaarde formule. Zij is er als weinig uitgesproken geloofsveronderstelling.

Men merkt dit niet, als men de redevoeringen nagaat. Redeneren is veelal uit-een Maar men merkt het wel juist uit de eerlijkheid, waarmee men voor zijn fouten uitkomt, zijn tekortkomingen en zwakheden aanwijst, ja zelfs zijn wanhoop kenbaar maakt. Men merkt het bovenal in het lied en in het gebed, dat deze ganse conferentie gedragen heeft.

Ziedaa%. de oorzaak van het verschijnsel, dat wijze rationalisten hun schouders ophalen over zulk „verward” gedoe, en waarom degeen, die de Assembly bijwoonden over zulk een schouderophalen glimlachen. Zij weten: die verwarring hoort er bij. Wij durven er mee voor de dag te komen. Wij behoeven deze niet te verbloemen, want ergens is klaarheid gegeven. Niet door ons, maar door God.

Het moet ieder opvallen, die de eerlijke situatie-tekeningen ter Assembly heeft aangehoord (het ongezonde zelfbeklag was waarlijk niet kenmerkend voor deze vergaderingen), hoe ’n groot verschil in toon er heerste, in vergelijking met de „schuldbelijdenissen” die wij zo nu en dan van communistische zijde te horen krijgen. En ook met de vaak krampachtige verdediging van eigen voortreffelijkheid, die wij in politieke debatten gewend zijn te horen. Constandse hoort noch Barth noch Niemöller dingen zeggen, die hij begrijpt. Hij vindt de eerste tweeslachtig. Dat Barth opkomt voor radicale politiek „pleit voor zijn goede hart”. Maar wat hij verder zei „pleitte niet voor zijn goede rede.” En bij Niemöller hoort hij alleen maar wanhoop. De waarheid is, dat beiden en zij niet alleen de moed hebben de vreselijke wereld van heden onder ogen te zien, omdat zij iets weten van Gods trouw. Daarom kon er ter Assembly wel eens over de menselijke wanhoop gesproken worden, maar was zij tegelijk een demonstratie (liever zeggen wij: teken) van hoop.

„Dat het Christendom heeft afgedaan, kan niet duidelijker worden erkend. Het heeft niets meer te zeggen. En daarvoor een internationaal congres te houden...” Daarmee eindigt Constandse.

Het enige antwoord is: de Wereldraad is pas begonnen. Hij zal bij zijn werk ook de stem van een vrijdenker niet mogen vergeten. L. H. RUITENBERG.