is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1948, no 50, 19-09-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SOCIALISATIE EN NATIONALISATIE

fén van de dingen, die bij het overzien van e vijftigjarige regeringsperiode van koningin Wilhelmina wel het meest de aandacht moest trekken was de vooruitgang van de arbeidersklasse. Wanneer men geleidelijk aan de toestanden zich ziet wijzigen, valt dat niet zo op. Als men dan echter door de viering van een jubileum als dit terugziet naar een tijdvak van vijftig jaren, dan treft het, hoeveel er is veranderd. De arbeiders hebben niet alleen een groter aandeel in de welvaart gekregen, maar ook de woningtoestanden zijn, afgezien van de rampzalige gevolgen van de woningnood van dit ogenblik, die wel van lange duur is, maar die wij toch als voorbijgaand mogen zien, belangrijk verbeterd. Daarnaast hebben de arbeiders door de beperking van de arbeidsduur een veel groter mogelijkheid tot levensontplooiing gekregen en het bestaan van het probleem van de vrijetijdsbesteding mag ons de ogen er niet voor doen sluiten dat zeer velen op allerlei terreinen van die mogelijkheden een behoorlijk gebruik weten te maken.

Deze vooruitgang is hoofdzakelijk te danken aan de bewustwording der arbeidersklasse en aan het feit, dat zij zich is gaan organiseren. Dat heeft de stoot gegeven tot de veranderingen op politiek gebied, die de invloed van de arbeiders op de gang van zaken hebben verstrekt. Door hun organisatie zijn zij ook op sociaal en economisch terrein een macht geworden waarmee rekening moet worden gehouden. Men kan dus zeggen, dat de arbeiders zelf tot deze vooruitgang de stoot hebben gegeven. Zeker, ook mannen en vrouwen, die niet tot de arbeidersklasse behoren of daaruit voortgeko-

men zijn, hebben in deze ontwikkeling een belangrijk aandeel gehad, maar wanneer zij niet de steun van de arbeiders hadden gehad, zou er nooit bereikt zijn wat bereikt is. En men bewere niet, dat zonder de drang van de arbeiders de ontwikkeling zich toch wel in deze geest voltrokken zou hebben. De tegenstand, die de maatregelen op sociaal terrein in het verleden hebben ontmoet en thans in niet mindere mate ondervinden, bewijst het tegendeel.

Het ligt voor de hand, dat wanneer men het oog naar de toekomst richt, de vraag zich opdringt wat het doel is dat men voor ogen heeft. Wil men zich tevreden stellen met de verdere uitbouw van wat werd bereikt? Gaat het er om het aandeel van de arbeiders in het maatschappelijk inkomen verder te vergroten, de sociale voorzieningen uit te breiden en te verbeteren, de arbeidstijd nog verder te beperken, de medezeggenschap van de arbeiders op sociaal en economisch terrein uit te breiden? Of wil men nog meer?

De socialistische arbeidersbeweging heeft zich altijd op het laatste standpunt gesteld. Haar uitgangspunt is steeds geweest, dat de bestaande kapitalistische orde vervangen moest worden door een socialistische en als het middel om daartoe te geraken heeft zij lange tijd gezien de socialisatie, althans van de voornaamste productiemiddelen.

Hoe langer hoe meer is het ook in socialistische kringen duidelijk geworden, dat men er niet is met de voornaamste bedrijven in handen van de staat te brengen. In het beginselprogram van de Partij van de- Arbeid vindt dat erkenning, want daarin wordt de

socialisatie niet gesteld als een zaak van principe, doch van doelmatigheid, terwijl de mogelijkheid van particuliere sectoren van het bedrijfsleven nadrukkelijk wordt opengehouden.

Prof. Dr H. Brugmans heeft in het nummer van „Vrij Nederland’” van vorige week deze zaak weer eens aan de orde gesteld. Hij betoogt in dat artikel, dat elke nationalisatie een versterking van de staatsmacht en dus een gevaar voor de vrijheid betekent.

Het gevaar van deze stelling is, dat men daaruit gemakkelijk de conclusie kan af leiden, dat dus elke nationalisatie achterwege moet blijven. Zo bedoelt, prof. Brugmans het niet en zo mag het ook niet gesteld worden. Wanneer het algemeen belang nationalisatie eist, mag men daarvoor niet op zij gaan. Gevaar voor de vrijheid ontstaat eerst wanneer men over de hele linie nationaliseren wil.

Waar het op aan komt is dit, dat men het niet voor het wezenskenmerk van een socialistische maatschappij houdt, dat alles zoveel mogelijk genationaliseerd wordt. Een socialistische maatschappij is een maatschappij, die aan ieder de grootst mogelijke kansen biedt voor de ontplooiing van zijn persoonlijkheid en waarin daarom het gemeenschapsbelang behoort te praevaleren. Op economisch terrein zal nu eens de nationalisatie en dan weer de beperking der beschikkingsmacht het aangewezen middel zijn om het gemeenschapsbelang tot zijn recht te laten komen. Niet de nationalisatie is een garantie voor de vrijheid, maar wet de socialisering van de samenleving.

V. W.

De beul van Europa

Himmler, de Reichsführer S.S., had op het hoogtepunt van zijn macht in zijn onmiddellijke nabijheid eencritische toeschouwer, die nu vertelt van wat hij gezien en gehoord heeft*). De Finse arts Kersten, specialist in massagetherapie, die voor de oorlog een grote cliëntele had, speciaal in de hogere diplomatenkringen, wordt door Himmler als lijfarts aangenomen. Met deze man gaat Himmler, die gekweld wordt door hevige maagkrampen, vertrouwelijk om. Geleidelijk aan slaagt Kersten er in, zijn reusachtige invloed bij Himmler aan te wenden om duizenden slachtoffers te redden, en de uitvoering van enige der misdadigste plannen der opperste N.S.-machten tegen te houden.

Van dit alles vertelt dit zeldzaam boeiende boek. De schrijver maakt de indruk, een door en door fatsoenlijk, eerlijk man te zijn, met een hoge opvatting van zijn beroepsplicht, niet zonder enig begrijpelijk zelfbehagen, naïef in politieke zaken, maar met een gezond verstand, kortom een betrouwbare getuige.

Om twee redenen is dit boek belangrijk, nl. omdat men hier een beschrijving uit de eerste hand krijgt van het intieme leven van Himmler en zijn omgeving, en omdat men hier details verneemt van reddingspogingen, van politieke intrigues, enz., waaraan de verschrikkelijke tijd, die pas achter ons ligt, zo rijk was. Kersten, die

vóór de oorlog ons land vaak bezocht, was ons land goed genegen en heeft heel wat Nederlanders gered, zou er meer gered hebben als niet.... en hier duikt opnieuw het drama op van de nog nooit opgehelderde laksheid der Nederlandse autoriteiten in onbezet gebied. Terwijl de Noorse en Deense regering hun landgenoten op de meest energiek-e wijze pogen weg te slepen uit de gruwelijke concentratiekampen en daartoe geld noch moeite sparen, terwijl de Zweedse regering (minister Günther) alle medewerking verleent, terwijl Kersten zijn best doet voor onze mensen, werken onze autoriteiten niet mee. Onze gezant in Zweden toont geen belangstelling, de Nederlandse inlichtingendienst verstrekt eenmaal een lijst met 94 namen, maar terwijl Kersten aanbiedt voor meer lijsten zijn best te doen, laat men verstek gaan. Het gezantschap heeft geen gelden beschikbaar om van Zweden uit pakketten naar de Nederlandse gevangenen te zenden, kortom dit alles bevestigt de klachten van andere zijde vaak vernomen, en in het zgn. Rode Kruis-rapport van de commissie Vorrink vastgelegd. „Verbijsterend” noemt Den Uyl dit. Ik waag het, dit boek aan de aandacht der Enquêtecommissie aan te bevelen. Ik zou nog veel meer uit dit boek willen vertellen: Hitler’s plan, heel de Nederlandse bevolking naar Polen te verplaatsen, Den Haag met inwoners en al volledig te vernietigen, enz. Het is een eigenaardig idee, dat wij allen zo ongeveer ons leven te danken hebben aan de maagkrampen van Himmler en het ingrijpen van dr Kersten, die net op tijd Himmler van de uitvoering dezer plannen wist af te brengen. Ik weet, dat dit alles fantastisch klinkt, maar Kersten geeft voor een en ander aan zekerheid grenzende bewijzen (de tekst van getuige Brandes zegt

evenwel soms iets minder dan Kersten, bla. 68).

I En dan is daar de figuur van Himmler. Hoe slinkt in dit boek zijn monsterachtige gestalte uit de nachtmerries der bezettingstijd, tot een griezelig gewoon burgermannetje, aan wie Kersten zelfs een sympathieke apotheose toestaat aan het einde. Den Uyl draagt in zijn uitnemende inleiding meer bij tot de ontraadseling van dit moreel gedrocht dan Kersten, die onvoldoende afstand neemt tot zijn patiënt. Deze man, die koelbloedig doodvonnissen ondertekent van millioenen, spreekt zijn afkeer uit over de jachtgenoegens, omdat daarbij onschuldige dieren gedood worden. Een gewoon mannetje? Maar hoe kan dat?

In aansluiting bij Douglas McKelly betoogt Den Uyl, dat de Duitse oorlogsmisdadigers drie opvallende karaktereigenschappen gemeen hadden èn de gelegenheid om de macht te grijpen. Ze zijn: aanmatigende eerzucht, een lage morele standaard, en een sterk ontwikkeld nationalisme, dat alles rechtvaardigde, wat in naam van Duitsland werd gedaan.

Eerzucht moge Hitler, Goebbels en Goering verklaren, bij Himmler schijnt deze karaktertrek minder opvallend. De bereidvaardigheid, die hij met zijn trawanten deelt, om over lijken te gaan, heeft bij hem een andere oorsprong. Men verklaart wreedheid vaak uit het onvermogen, zich het leed van anderen in te denken. Himmler echter was sentimenteel, dus was het niet zozeer onvermogen maar onwil, liever opzettelijk afgewende aandacht. Een lage morele standaard. Inderdaad! Maar de ontwrichting van een normaal menselijk waardenstelsel is slechts de negatieve zijde van een beangstigend historisch verschijnsel. Men kan er op wijzen, dat de eenvoudige menselijke