is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1948, no 50, 19-09-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarden van eerbied voor de medemens, barmhartigheid, rechtvaardigheid, enz. hen niets deerden, maar belangrijker is, dat deze waarden vervangen werden! Er zijn mensen met een vaag, immer vlottend waardenstelsel, bij wie in de practijk de vitale- en lust-waarden meestal domineren. Niet zij zijn de gevaarlijksten, wijl hun innerlijke onzekerheid hun energie ondermijnt; zij zijn slechts gevaarlijk als meelopers, omdat ze de remmen missen. Maar diegenen zijn de gevaarlijksten die de morele waarden aan de top van hun waardenstelsel vervangen hebben door andere pseudo-waarden. En zo komen we tot het derde kenmerk: een sterk ontwikkeld nationalisme', dat alles rechtvaardigde, wat in naam van Duitsland werd gedaan. Men kan morele waarden ondergeschikt maken aan een humaniteitsideaal, of aan een religieus ideaal, men kan ze ook dienstbaar maken aan een pseudoideaal.

Lage morele standaard? Afwezigheid van moreel besef? Ik weet dat nog niet. Himmler heeft op niet te ontkennen grootse wijze morele deugden als trouw, toewijding, idealisme, arbeidzaamheid, plichtsbesef, soberheid, zelfverloochening beoefend. Sadisme als lustgevoelen bij de pijn van anderen schijnt bij hem niet voor te komen. Maar al deze menselijke kwaliteiten vergroeien bij hem door een soort psychische zelfvergiftiging tot gezweilen, omdat hij ze ondergeschikt maakte aan zijn waanzinnig ideaal.

Den Uyl bepleit relativering der deugden tegenover de menselijke. Dit is mij volstrekt onvoldoende. Ik moge hem herinneren dat er zich een tweede Himmler laat denken, in dienst van een menselijkheidsideaal, noem het arbeidsethos, noem het de bevrijding van het proletariaat, noem het de verdediging der economische vrijheid, als functie en voorwaarde der menselijke vrijheid. Moet ik nog duidelijker zijn en namen noemen als Robespierre, Lenin, om van tijdgenoten te zwijgen.... Ik zie eerlijk gezegd, geen andere mogelijkheid tot veiligstelling dan in de verankering der morele waarden of wil men liever het ondergeschikt maken dezer waarden aan de absolute geldigheid van het Heilige. En als men mij herinnert aan de religieuze fanatici en de inquisiteurs, dan kan ik nochtans mijn antwoord slechts aanvullen met de toevoeging, dat bij hen de visie op het Heilige vertroebeld was, dat zij in mateloze hoogmoed het Heilige verengd hadden tot hun kerk, hün religie.

Tenslotte: de Himmlers leven onder ons. Öe overspanning van het nationaliteitsgevoel bij de Duitsers verschilt slechts gradueel van dat der andere grote volken. De ontwrichting der morele normen is algemeen. Men hoort vaak en helaas terecht een medemens kenmerken: „Die man is bereid om over lijken te gaan.” Nu heeft hij slechts(?) zijn vrouw ongelukkig gemaakt, een concurrent doodgedrukt, een arbeider weggetrapt, een goede naam besmeurd, een mjlitaire actie bevolen, een krantenartikel gejschreven, een kind af gestraft.... Wee ons als hij de kans zou krijgen over millioenen te beschikken. De vraag, hoe deze mensen aan zijn gekomen, is daarom zo benauwend, omdat hun kansen bij de ontwikkeling dezer maatschappij in de richting der voortschrijdende bureaucratie: „de samenklontering van invloeden en bevoegdheden in de handen van enkelen” (Den Uyl) nog steeds doorgaat.

Op het moment dat deze machtsuitoefening plaats vindt zonder controle en zonder verantwoording aan de volken, zijn we opnieuw verloren. Juist in deze tragische situatie van een mensheid die zich niet meer beroepen kan op algemeen-erkende

normen, is democratie onze laatste redding en daarbij inbegrepen het steunen van die krachten, die de mechanische opbouw van het steeds ingewikkelder en meer omvattende staatsapparaat tegengaan.

J. G. BOMHOFF

') Felix Kersten: Klerk en beul. Himmler van nabij, vertaald en ingeleid door J. M. den Uyl. Uitgave J. M. Meulenhoff, A’dam 1948, 223 blz. ƒ5.90 geb.

C. M I Lo T

ótezk verhaat

Ik kwam van de bibliotheek, met een volle boekentas, ’n Onstuimige wind vandaag; voor me uit dwarrelden vele papieren en ’n eenzame hoed rolde langs de weg, zonder bijbehorende eigenaar... die trouwens heel veel kans gehad zou hebben om ook weg te waaien.

Want de kade waarop ik liep, was een waar tochtgat. Op een hoek, bij de brug stond een wankele koffietent. De geluiden van het weinige verkeer waren onhoorbaar. Zo nu en dan hoorde je boven het geloei van de storm uit het geklapper van latten, dakgoten en uithangborden. Eenmaal ’n geweldig kabaal... Een zinken schoorsteenpijp was tegen de vlakte geslagen.

De bomen op de wallekant bogen en hun kruinen, dwaas uiteengeslagen, leken wel omgeklapte paraplu’s. Het water in de vaart werd opgestuwd zoals het opgestuwd wordt door een plompe zeilschuit.

Aan de overkant werkten zich een paar voetgangers vooruit. Ze waren klein en gebogen onder de buigende bomen en de jagende wolkenmassa.

Het was alsof een geniaal schilder met een paar ruwe vegen een stadsgezicht had ge' maakt: een wereld vol dreiging, zich buigend onder het geweld van de wind, gezien in ’n onheilspellend grijs licht.

De wind rukte aan m’n kleren allemensen, je tas zou nog wegwaaien met zo’n storm! Ik werd er koud van, en dacht aan de beschutting van thuis nog een eind weg. Eerst maar eens een kopje koffie halen in dat teijtje bij de brug.

De koffietent... Ik deed de deur open en woei met ’n tochtvlaag naar binnen. De eigenaar keek me verstoord aan en sprong z’n wegwapperende krant achterna. „Doe de deur dicht anders waait de koffie uit de kraan... Hèhè, wat een woei-waai!” verzuchtte hij.

De ruiten rammelden en ’n kaduuke gootpijp sloeg regelmatig tegen de achtervfand. Ik bestelde m’n bakkie troost, ging aan de tafel zitten en begon ’n weerpraatje. De koffiebaas zei het zijne over dat weer, terwijl hij de koffie bracht. „Nou meneer, ik heb ’n zwager, en die kan met zulk weer niet op een steiger staan. De tahak zou gewoonweg uit z’n pijp waaien... Bovendien wiebelen de steigers ’n beetje.”

Ik glimlachte om de opmerking en ging er eens op m’n gemak bij zitten. Het

was behaaglijk warm, en het werd nog behaaglijker toen ik ’n slok nam. Ik keek gedachtenloos naar buiten...

Ik moet gesuft hebben. Ineens ’n geweldig spektakel, gerinkeldekinkel en gebonk, ’n schok en ’n tochtvlaag.. De ruiten waren blijkbaar ingewaaid. Ik lag op de vloer, naast me het gebroken kopje. De tent schudde nog steeds. Toen ik rondkeek, zag ik dat het sobere interieur volledig naar de vaantjes was.

De koffiebaas lag dwars over het buffet en staarde naar ’n kapotgeslagen boiler. Toen ik wilde gaan staan, ging ik weer tegen de vlakte, ik zag met ontzetting hoe de kachel omviel en naar buiten rolde, door de open deur. Ik hoorde de klop van de val veel later dan ik verwacht had maar flauw, want de wind was barbaars hevig. De koffiebaas, naast me te land gekomen, keek door de ingewaaide ruit. „Nou zie je wat je nog nooit gezien hebt”, zei hij. Ik werkte me omhoog, en zette koeienogen.

De vaart was diep beneden ons. Op een brug stond een man verbaasd naar onze vliegende santekraam te kijken. We waren weggewaaid !

Voor ons uit warrelde als in een draaikolk allerlei rommel. Een paar kasten vielen om, en alles wat een beetje licht was, woei eruit. De koffieman schreeuwde iets, maar ik kon het niet horen. „We zitten in ’n wervelwind!” brulde ik. Hij knikte, hij had het begrepen.

De baas pakte z’n hoofd beet alsof-ie bang was dat ook dat zou wegwaaien en keek somber naar de ravage”... bak... gaan...” hoorde ik: „Wat zeggie?O,jetabak naar de maan.” Ik keek nog even naar beneden, naar het wonderlijke schouwspel van een paar schoongeveegde straten, versierd door omgewaaide bomen. Toen kregen we een oplawaai: de tent begon te draaien.

Het had tot nog toe op een boerenkermis geleken, thans werd het een heksenketel. We grepen ons vast aan een uitstekend stuk hout en probeerden binnen boord te blijven. Hetgeen lukte, hoè kan ik nu nog niet vertellen. Soms stond alles op z’n kop, soms lagen we tegen de wand aan. Alle losse meubelstukken ging voor en na de deur uit.

Toen het een beetje minder werd, waagden» we het, uit de deuropening te kijken. De koffieman, die naast me te land was gekomen, vroeg of dat soms de Kagerplassen waren: we zagen een meertje.

Het was nog erger. „We vliegen op Leiden aan!” zei ik. In de verte zag ik het bekende silhouet van de stad. Ik dacht met weemoed aan m’n huis dat nog vast stond, en aan m’n vrouw die misschien op dit ogenblik tegen de kinderen zou zeggen dat het erg waait... ónbewust van de noodlot-