is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1948, no 1, 26-09-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De maatschappelijke wanorde

Er is voor ons, christen-sociaiisten, alle reden bijzondere aandacht te vragen voor het Assembly-rapport, dat handelt over de maatschappelijke wanorde.

Het werk voor deze 3 e sectie is verricht door een commissie, waarvan Reinhold Niebuhr voorzitter was. Tot de leden behoorden o.a. Banning, Berdjajew, Kathleen Bliss en Emil Brunner. Ter Assembly werd de stof besproken in een actie onder voorzitterschap van de Nederlander dr C. L. Patijn, terwijl dr Bennétt uit New York secretaris was.

Wat is daar nu uitgekomen, en hoe werd het ter vergadering ontvangen? In helaas enige artikelen willen wij hier iets van zeggen. De maatschappelijke wanorde behoefde niet meer aangetoond, te worden. Niemand ontkent haar bestaan. Het ging er alleen om, haar wortels en haar oorzaken bloot te leggen.

De diepste wortel van de wanorde is het feit, dat de mens zijn verantwoordelijkheid jegens God niet kent, en wereldse machten als laatste gezag boven zich erkent. De moderne maatschappij ontkent zowel de kracht van het kwade in de menselijke natuur als vrijheid en waardigheid, die het kindschap Gods schenkt. Nu komt de christen de chaos der samenleving tegemoet met geloof in Jezus Christus als Heer. In Hem . vestigde God Zijn Koninkrijk, dat onoverwinnelijk is. Door dat geloof weet hij, dat geen enkele menselijke chaos hem kan scheiden van God; weet hij ook, dat hij Gods Koninkrijk en Zijn gerechtigheid te zoeken heeft. Hij is zeker van de uiteindelijke overwinning van Zijn Koninkrijk. Daardoor staat de christen anders in de wereld, dan zij, die op menselijk-idealistische wijze maatschappelijke veranderingen nastreefden en ontdekten, dat elk nieuw systeem niet alleen louter goed, maar ook nieuw kwaad met zich meebrengt. Deze ontdekking heeft menigeen tot onverschilligheid, ja wanhoop bracht. Maar het christelijke geloof laat geen ruimte voor deze wanhoop.

Dit is de aanhef, de aanduiding van het punt van uitgang. Zeker, het roept vragen op. Wij kunnen vragen, of dit alles niet te stellig is gezegd, of het wel recht doet aan al die taaie vechters, die) visionair' grote

dingen hebben gezien en menselijke gerechtigheid zochten; of „de christen” hier niet meer een ideaal-gestalte dan een concrete werkelijkheid is.

Nochtans: met de grondlijnen kunnen wij het eens zijn, ook al zouden vnj de woorden voorzichtiger kiezen. Dat God roept door Jezus Christus, die Zijn Rijk gestalte gaf, geeft een onvervangbare vastheid in het leven van de christen.

Vervolgens gaat het rapport de twee voornaamste factoren van de huidige maatschappelijke crisis na: de machtsconcentratie in communistische en kapitalistische handen én de overheersing van de techniek. Bij de bespreking van de eerste factor wordt reeds gepraeludieerd op wat straks het positieve gedeelte is: tegenover de machtsconcentratie moeten wegen gevonden worden om persoonlijke verantwoordelijkheid te verwerkelijken in de grote machtsconcentratie, die de moderne maatschappij voortbrengt.

Wat de techniek betreft: zij leert de natuur overmeesteren. Daardoor heeft zij de kracht de natuur te vernietigen, de levenloze zowel als de levende', waaronder de mens. God scheen te verdwijnen in dat proces.

A 1 is er ook zegen in de technische ontwikkeling gelegen, er is ergens een grens, waar de techniek de mens niet verder kan helpen. Deze grens is lang niet overal, en vooral nog niet in Azië en Afrika bereikt. Bij wat er nog vertechniseerd kan worden, moet de christen echter helpen het persoonlijk leven te beschermen. Bij dit alles moet de kerk nimmer vergeten, wat zijzelf bijgedragen heeft aan al het huidige kwaad. Onze kerken hebben vaak godsdienstige wijding gegeven aan de bijzondere voorrechten van heersende klassen, rassen en politieke groepen en op die manier zijn ze hindernissen geweest voor veranderingen die noodzakelijk waren in het belang van sociale rechtvaardigheid en politieke vrijheid.

De kerken hebben vaak zich alleen maar toegelegd op een louter geestelijke of hiernamaalse of individualistische uitleg van haar boodschap. Zij hebben vaak de krachten voorbijgezien, die de omringende maatschappij vorm gaven en daardoor wa-

ren zij er niet op voorbereid de problemen die in de technische beschaving opkwamen, onder handen te nemen.

Tot zover de „aanloop” van het stuk. Het valt hierbij op, hoeveel gedachten ons wel zeer vertrouwd zijn. Hoe vaak hebben wij in Barchem en in Bentveld samen gesproken over de plaats van de mens in de zich veranderende wereld. Het was onze dienst aan de arbeidersbeweging, dat wij daar zeiden: pas op voor uw vlotte verwachtingen! Het gaat om de mens. En zeiden wij erbij om de mens in zijn verhouding tot God. Toegegeven: het zoeken van Jezus Christus als middelpunt was daarbij niet zo sterk. Hij was meer de van God gegeven Gestalte als de waarborg voor de komst van Zijn Koninkrijk. Maar misschien is deze bijbelse gedachte in de laatste jaren, door velerlei ontwikkeling, helderder voor ons komen te staan.

Hoe hebben wij niet gezegd: let op de techniek; vergaap u er niet aan! En als wij deelnamen aan de strijd voor socialistische ordening, dan was het enerzijds vanwege de mogelijkheden, die de techniek' gaf, anderzijds om de mens uit de omklemming van de vertechnificeerde wereld te redden. En eigenlijk, als in dit rapport, konden wij niet zo heel veel verder komen dan algemeenheden. Want om de menselijke vrijheid te redden in de techniek, om vooral bij al die gemakken, die de techniek verschaft, de grote massa er begrip voor bij te brengen dat nochtans arbeid (alle arbeid!) met het zweet onzes aanschijns te maken heeft ziet, dat vermochten wij niet steeds.

En ten slotte: vooral in de critiek op de houding van Kerk en kerkvolk (wij zijn er trots op, dat „De Blijde Wereld” dit ruim 40 jaren geleden reeds zo zei), is er veel, dat ons van harte met dit stuk doet instemmen. En het leert ons, dat verschuivingen in het denken slechts langzaam gaan, en dat er daarvoor véél nodig is. Maar wat zegt het rapport nu na deze analyse en deze critiek? Zullen wij dan blijven applaudisseren? Daarover een volgende keer.

L. H. RUITENBERG.

Geef mij maar een schip

We zien de kajuit en een deel van het dek van een oude schoener. Aan boord, bevlnden zich, behalve de eigenaar Flip de Schuimer, die dit kavalje geërfd heeft, een troepje vrienden, bajesklanten als hijzelf. Ze zullen zich daar eens, terzijde van de maatschappij. Inrichten, een eigen samenlevlng opbouwen zonder wetten, die lmmers, naar hun ervaring, alleen maar dienen om degenen, die onderaan In de maatschapplj leven, er onder te houden. Maar deze poging loopt uit op een grandioze herrle. Flip gooit zijn vrienden het schip af, blijft eenzaam mijmerend achter, maar de

waarzegster Riek Neut dringt hem haar vrouwelijk gezelschap op. De vrienden komen terug, om nu onder de tyrannie van de brutale Riek het schip op te knappen en bewoonbaar te maken. Maar ook dit dreigt te mislukken als een lief weesmeisje, dochter van een bevriend zwerver, de Filosoof, de leiding krijgt. Wel dreigt de maatschappij, in de figuur van de walbaas, de idylle te verstoren van dit stelletje rabauwen, die met het schip, dat ze opredderen voor de vrachtvaart, een eerlijk stuk brood willen verdienen onder de bezielende leiding van het lieve weesje, dat meteen in Flip en Riek een stel nieuwe ouders krijgt, maar alles komt op het nippertje terecht, niet zonder enkele listige streken van deze handige jongens, die het met de gewone burgermoraal niet zo nauw nemen. En zingend varen ze de toekomst in.

Aan de realiteit gemeten, is dit verhaaltje natuurlijk klinkklare onzin en de toeschouwer krijgt de kans niet zich in een sprookjeswereld te wanen, want décor, taal en

speeltrant dwingen hem door hun reallstlsche allure het verhaal als werke y op e vatten. Toch Is dit ook weer niet helemaal waar, want de Ingelaste liedjes, die besplegelingen inhouden over het menseij o , over de liefde, en over de lust varen, accentueren weer de onwerkehjkhei er situatie. Ze vervullen a.h.w. de functie van de reien In het klassieke drama,

We hebben ons een avond kostelijk geamuseerd. Het gezelschap Bouber beschikt over een aantal spelers, waarbij men allereerst Aaf en Herman Bouber moet noemen, die op een bijna volmaakte wijze, de eenvou-

Naar aanleiding der première van „Geef mij maar een schip”, vrolijk, spel van Hans Tiemeijer, opgevoerd door de toneelgroep „Herman Bouber” in „Ons Huis”, Rozenstraat, A’dam, 11 September 1948.