is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1948, no 4, 16-10-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kom ik tot u? . . . Van waar gij zijt, Reikt gij tot mijn verlatenheid

Den stillen steun van sterke handen. Naar mij mijn eigen kracht ontzijgt. Voel ik uw kracht die me overneigt,

Weldadig blinde zon te branden.

Gij trekt en beurt mij aan uw hart Over het huiverdiepe zwart

Onder mijn steunverloren voeten,

Of zonder dood de dood voorkwam En in zijn groote duizling nam

Het leven dat hem durft gemoeten

Als aan zijn moeders borst een kind Zich overgeeft en de oogen blindt

Voor ’t bonte vizioen der dagen. Zoo weet ik (niemand buiten u Houdt mij omvangen zooals nu)

Mij veilig en door u gedragen.

P. C. HOUTENS

Liederen van Isoude (het twee en veertigste)

Aart van Dobbenhurgh. tiatascha als Bruid (Litho). Zie T. enT. van 2 Xart. van H.R.H.

den en schouders dobberde eenzaam de kleurvlek van een feestmuts.

lemand toeterde in m’n oor, een treurig niet te stuiten geblaat drong tot in m’n hersens. Naast me kletste een juffrouw over de New Look en de lichten en de New Look van d’r tante, d’r nichies en d’r buurvrouw, en de lichten die bij d’r zwager de slager in de etalage stonden.

Een vrolijke jongeman, die enige die werkelijk lèut had, joedelde, boven het geblaat van de toeter uit. Toen-ie ophield, hoorde ik iemand zingen, ’n Bekende stem. Van ’n zangleraar.

Van lesgeven word je in ’t algemeen niet rijk. Vooral niet als je muziekleraar bent. Door middel van advertenties en relaties had de leraar, die bij me in de buurt woonde, een aa,ntal leerlingen om zich heen verzameld, variërend van talenten tot sympathieke slagersjongens-met-’n-goeie-stem. De lui die goed zongen betaalden meestal slecht, en die slecht zongen goed die dachten dat het talent met de goeie leraar kwam.

Hijzelf heeft talent. Maar hij is mislukt. Het is heel erg als men langzamerhand al zijn plannen ziet mislukken, alle illusies verdwijnen, ondanks wil en doorzettingsmogen.

Toen hij jong was, pas getrouwd, had hij) geen geweldige plannen gemaakt. Maar hij kende z’n hoedanigheden en rekende op werk. Hij gaf les en was al een paar maal opgetreden. De namen van de nieuwelingen, die iedere

week een recital komen geven in de stadsconcertzaal, zijn als de sterren ... van de Melkweg. Men vergeet ze. Zij verdrinken in de hoeveelheid. Desgevraagd zal iedere impresario u mededelen, dat men met talenten de grachten dempt. Nu gaf hij les en zong op bruiloften, feesten en partijen. Alleen Italiaans. Want de handelsgeest was gekomen, omdat hij geld möèst verdienen. En het publiek houdt van Italiaanse liederen, met veel pathos, geween en bel-canto.

Hij walgde van de flauwe trucjes en had toch nog altijd plezier in het succes ervan. Er ging op de feestdagen een heer de stad In, een zenuwachtige heer. Hij droeg een actetas waarin brood en muziek zaten, ’n keurige jas (z’n enige) en ’n oude hoed. Er was geld nodig. Hij zou het verdienen. Nu een portiek of lets dergelijks.

Hij liep In ’n winkelstraat. Te druk. Bij die etalage daar? Er stonden straatjongens en hij vreesde dat ze ’m zouden uitlachen. Bij de hoek In het portaal van het warenhuis? Dat tochtte.

Bij ledere plek had hij ’n reden om er niet te gaan staan. Hier tochtte ’t, daar was te veel herrie, en ’n eind verder was er concurrentie op de kust. Hij durfde niet. Hij vreesde de ogen van de mensen, hatelijke opmerkingen, de stekende blikken van lui, die ’m zouden herkennen, en vooral de vernedering.

Het Is een vernedering om uit bedelen te gaan. Hij besloot de knoop door te hakken. Dit

portaal, ’n dassenmagazijn, goed verlicht. Dat Is waar ook, hij moest nog es ’n overhemd kopen. Hij was finaal door z’n laatste heen. Eerst geld! spotte hij.

Hij ging staan en keek rond. Men zag niets. Hij legde z’n hoed neer. Men zag ’t nog niet. Nu zingen. Hij begon met een beetje erg populair ding, uit de Parelvissers. Z’n goed geschoolde stem schalde door het portaaltje, langs de ruiten. Men hoorde ’t niet. Of men wilde ’t niet horen. Nou, hij had geduld. Ze zouden wel bijten.

Al zingende vergat hij de beroerderlgheld. Hij keek naar de mensen, schuifelend langs de verlichte dassenetalage. Het gele licht straalde over de gedempte kleuren, en terwijl hij nog zong dacht hij aan thuis, waar het licht ook zo over de tafel scheen. Terwijl hij zonder nadenken de wijs volgde, dwaalden z’n gedachten af, van de mensen naar de dassen, ze sprongen over op de plaat, die voorop het muziekstukje stond: Een romantisch geklede vent met ’n kromzwaard, bij een wankele boot tegen ’n donkere hemel. Hij keek naar boven, naar de donkere hemel boven de straat, maar er doken lichten uit op. Hij zag de ramen van het hotel aan de overkant, de bovenkanten van een orgel en een paar auto’s en eindelijk de hoofden en schouders van de mensen.

Voor hem stond ’n jochie. Hij hoopte dat er meer zouden blijven staan. „Die vent heb ’n onderkin!” zei het ventje. Hij werd niet kwaad, want niemand hoorde het. Er bleven geen mensen In een kring staan.