is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1948, no 5, 23-10-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lientveld-memvs

HET VRAAGSTUK VAN DE ARBEID

Dit belangrijke onderwerp werd op 9 en 10 October in de Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers te Bentveld aan de orde gesteld.

Een aandachtig gehoor van ca. 100 personen uit vele takken van het bedrijfsleven volgde de inleidingen gehouden over: Gemeenschap in het Arbeidsproces, door dr J. F. de Jongh; Plicht tot en Recht op Arbeid, door ir D. Tinbergen; Bedrijfsorganisatie, door drs G. M. Nederhorst.

Dr de Jongh stelde allereerst de vraag: Waarom is de gemeenschap in het arbeidsproces verloren gegaan? De schijnvrede, die een 60 jaar geleden in de bedrijven bestond is gelukkig doorbroken, en er is zeer zeker een goede vooruitgang geboekt wat betreft werktijden, sociale zorg, ontspanning en ontwikkeling. Toch blijven er nog steeds grote svanningen bestaan, speciaal doordat de bedrijven zo groot geworden zijn, en men verloren gaat in de grote massa. Er is in de bedrijven een angst te bemerken voor iedere vreemde, men heeft veel moeilijkheden doordat men slechts prettig werken kan in een groep, een team dat men door en door kent. Bij iedere nieuweling moet een innerlijke weerstand tegen de vreemde medemensen doorbroken worden. Als tweede zeer belangrijke oorzaak voor het optreden van spanningen noemde de inleider het veelal ontbreken van voldoende voorlichting. De mens wordt beschouwd als een machine waar men loon in stopt en arbeid uit haalt, de arbeider wordt vaak niet ingelicht omtrent dat, wat er zich in het bedrijf afspeelt, kent veelal slechts zijn eigen afdeling in het bedrijf. Hierdoor wordt het kankeren veroorzaakt; doen we dat niet aUen op die dingen die we niet begrijpen (bijv. de internationale politiek)! Door een betere voorlichting, meer zeggenschap, het geven van een bestaanszekerheid, kan het probleem van de gemeenschap in het arbeidsproces wel opgelost worden, doch men zal het van vele kanten dienen aan te pakken.

Ir Tinbergen begon met naar voren te brengen, dat we in de tijd der er grote werkloosheid heerste gezien hebben hoe dringend nodig het is, dat de maatschappij het recht van iedere mens op productieve arbeid erkent. Vroeger sprak dit van zelf, waren er overvloedige mogelijkheden tot werk. In onze huidige gecompliceerde maatschappij waar we, speciaal wat West-Europa betrèft, van een overbevolking kunnen spreken, is dit veranderd en moet er voor gewaakt worden dat ieder deel kan nemen aan het arbeidsproces. De vreugde van het werken mag niemand onthouden worden. Naast dit recht op werk bestaat er echter zeer zeker ook de plicht voor een ieder om te werken, het is als het ware de andere zijde van het contract. Deze plicht wordt door te velen echter nog gezien als lot, er leeft ten onrechte bij sommigen een ideaal om zonder werk door het leven te kunnen gaan; men is op zoek naar het verloren paradijs. Toch weten we uit veler ervaringen hoe ongelukkig het grootste deel der mensen zich voelt zonder werk, ook al zou eventueel in de nodigste levensbehoeften voorzien zijn.

Door het materialisme van een deel der mensen is de arbeid gedegradeerd tot koopwaar, wordt bij de keuze van beroep allereerst gekeken naar wat het opbrengt, en niet naar de maatschappelijke en ideële waarde er van. Anderzijds is de maatschappij ook door het collectivisme zeer achteruitgegaan, de werker is onderdeel van de massa, de verantwoordelijkheid voor het eigen product is weg, men is slechts een kleine schakel in het productieproces en weinigen zijn er die in de schakel de hele ketting zien, die afhankelijk is van de kwaliteit van de zwakste er van.

Als enige mogelijkheid om uit de impasse te raken waarin we ons op het ogenblik bevinden, zag de inleider het groeien van een nieuw arbeidspathos, een weldoordacht bewust maken van het doel waarvoor wij werken.

De derde inleider maakte ons duidelijk wat wij van een verdere doorvoering van de bedrijfsorganisatie voor de arbeidsgemeenschap kunnen verwachten .Velen denken dat bijv. door socialisatie van bedrijven betere omstandigheden voor het personeel geschapen zouden worden. In de practijk blijkt echter dat deze maatregel voor de werknemers lang niet altijd veel verschil maakt. Wanneer we zien wat er in Engeland gebeurt en hoe weinig verschil er bij ons tussen de omstandigheden voor de mensen in de particuliere en overheidsbedrijven is, dan moeten we hier niet te veel van verwachten.

De belangrijkste factor is en blijft de omgeving waarin iemand werkt, en hierbij is de verhouding tot zijn chefs voor de werker van het grootste belang. Er heerst een diepgeworteld wantrouwen tussen werkgever en -nemer over en weer. Wanneer

we dit historisch bezien, is dit best te verklaren. Dit moet echter overwonnen worden om werkelijk vruchtbare arbeid te kunnen leveren die bevrediging schenkt.

Het is nodig dat er voor ieder bedi'ijf colleges komen, waarin dit overleg op basis van gelijkheid kan plaats hebben. Landelijk hebben we hier een mooi voorbeeld in de Stichting van de Arbeid. Ook is het nodig dat er bedrijfs- en productschappen komen, waarin die dingen besproken kunnen worden, die niet alleen één bedrijf raken, doch een hele tak van de verschillende productiesectoren. De candidaatstelling voor de werknemersleden hiervan zou dienen te geschieden door de vakverenigingen, opdat niet het directe groepsbelang doch het gemeenschapsbelang in de allereerste plaats behartigd zou worden.

Naast een klassentegenstelling kennen we ook de tegenstelling tussen het overheidsapparaat en verschillende belangengroepen, een situatie, die hier en daar tot een gezagscrisis heeft geleid. Daarom is het nodig dat overheid, werkgevers en werknemers aan de ronde tafel komen te zitten en te zamen een weg zoeken die door alle partijen aanvaard kan worden. Slechts waar een wil tot samenwerking aanwezig is, heeft men kans op nieuwe en betere arbeidsverhoudingen.

Zowel bij de inleidingen als de nabesprekingen hiervan bleek hoe zeer dit onderwerp leeft en hoe verschillend de opvattingen kunnen zijn omtrent allerlei punten die hiermede verband houden. Deze cursus zal dan ook voor zijn deelnemers niet de oplossing aan de hand gedaan hebben voor de problemen die er in ,en door het werk naar voren komen, doch hen een inzicht gegeven hebben in de verschillende kanten die er aan dit vraagstuk vast zitten en de materie verhelderd hebben.

J. F. V. L.

CENTRUM VOOR GEESTEOiIJKE EN SOCIALE SCHOLING

Wij leven in een harde en sombere tijd. Spanningen internationaal, een tekort aan visie en durf nationaal maken ons geestelijk mat en vermoeid. Daarnaast eist de zorg voor het dagelijks bestaan zoveel energie, dat menigeen de tijd en de gelegenheid niet vindt om kennis vani en inzicht in de diepere achtergronden van het huidige leven te verwerven. Het resultaat is, dat zich over de gehele breedte van onze samenleving een toenemende specialisatie voltrekt en als tegenhanger de geestelijke oppervlakkigheid toeneemt.

Willen wij niet verder afstompen, noch willoos meegezogen worden in het tijdsgebeuren, dan is bezin'ning en geestelijke verdieping broodnodig. De na-oorlogse samenleving is ingewikkelder dan ooit: in het maatschappelijk en in het geestelijk leven voltrekken zich diepgaande veranderingen, die zich kristalliseren in elkander heftig 'bestrijdende groepen en richtingen. Het leven is door allerlei oorzaken meer ingesteld op het verwerven van kennis en daarbij behorende diploma’s dan op de geestelijke ontplooiing van de mens, waarbij hij deel krijgt aan de cultuurschatten van alle tijden. Wie van het leven meer verlangt dan geld verdienen en genoegens najagen, wie streeft naar verrijking van inzicht in het gebeuren van onze tijd en naar verdieping van geestelijk leven, stuit daarbij veelal op een gebrek aan kennis. De scholen en dergelijke instituten voorzien in deze behoefte niet of zeer weinig, zelfstudie biedt vaak onoverkomelijke moeilijkheden.

Om aan deze behoefte tegemoet te komen is het Centrum voor GeesteUjke en Sociale Scholing opgericht. Het biedt een cursus, gedeeltelijk mondeling, gedeeltelijk schriftelijk over de volgende terreinen van het hedendaagse leven:

1. Ons land en volk sociaal beschouwd. D.w.z. uit welke sociale groeperingen begtaat ons Nederlandse volk, en hoe reageren deze op het gebeuren van de tijd? Hoe is de sociale positie van: ondernemers, arbeiders, platteland, middenstand, intellectuelen, werklozen en in welke beweging komt hun streven tot uiting? 'Welke zijn de sociale idealen die botsen, de bewegingen die elkaar in deze tijd bestrijden?

2. Bijbel en godsdienstig Nederland. Kennis van de Bijbel als geloofsboek, en van de verschillende godsdienstige groeperingen in ons volk (buitenkerkelijken inbegrepen).

3. De geschiedenis van de 19e en 20e eeuw. D.w.z. geen vaderlandse of algemene geschiedenis op de gewone wijze, doch een cultuur-sociologische schets van de 19e en 20e eeuw. Welke geestelijke, culturele en sociale krachten hebben de volken beheerst, welke teleurstellingen waren er, waar wijst dat alles heen? Kortom een schets van de geestelijke en maatschappelijke krachten, die aan de wieg van onze tijd hebben gestaan en daardoor onze tijd diepgaande beïnvloed hebben.

4. Nederlandse letterkunde van deze tijd. (Proza, poëzie, toneel). De letterkunde zal behandeld worden, behalve uit een oogpunt van schoonheid, uit het gezichtspunt: hoe weerspiegelt zich daarin de sociale geestelijke strijd dezer periode?

5. De geestelijke grondslagen van het socialisme. De stof van deze gebieden wordt behandeld aan de

hand van enkele boeken en verder aan de hand van gestencilde lessen.

De werkwijze is deze, dat wij ons voorstellen de deelnemers aan deze cursus 6 maal per jaar een weekend en éénmaal een week (in Augustus) bijeen te brengen in het gebouw van de A.G. der Woodbrookers te Bentveld. De ibestudeerde stof wordt daar in kleine groepen met de leiders doorgewerkt, moeilijkheden opgelost, gerezen vragen beantwoord. Daarnaast wordt er gelegenheid geboden tot het maken vani schriftelijk werk. Zowel tijdens de weekends en de studieweek, als bij het schriftelijk werk willen de leiders zich zoveel mogelijk richten naar de persoonlijke 'behoeften der deelnemers én aan hun speciale doelstellingeni (b.v. leiding geven in jeugdbeweging, in ontwikkelingswerk, enz.) tegemoet komen.

Een bepaalde schoolopleiding stellen wij niet als voorwaarde, slechts de bereidheid tot geestelijke inspanning. De gehele cursus duurt twee jaar. Januari 1948 is het Centrum met een groep van ruim 80 deelnemers gestart. In Januari 1949 hopen wij opnieuw een eerste jaar omvattende de terreinen 1, 2 en 3 te kunnen 'beginnen. Het tweede jaar worden de vakken 2 (vervolg), 4 en 5 behandeld. Bovendien: Muziek en beeldende kruisten worden niet vergeten^

De kosten bedragen ƒ72,— per jaar, desgewenst te voldoen in 12 maandelijkse termijnen van ƒ6,—. Voor dit bedrag ontvamgt men verblijf en maaltijden gedurende de weekends en de studieweek benevens gecyclostileerde lessem Voor rekening der deelnemers komen de reiskosten naar Bentveld en het aanschaffen van enkele boeken.

Vormen de kosten een bezwaar, men schrijve aan ds A. van Biemen, Bentveldsweg 5, Bentveld. Er wordt dan vrijwel altijd een oplossing gevonden. Docenten zijn o.a. prof. dr J. Barents, drs J. S. Bartstra, drs C. D. Sa.al en ds A. van Biemen, die tevens de leiding heeft van het Centrum.

Wilt gij er meer van weten, vraag dan een uitvoerig prospectus aan bij de administratie van de A.G. der Woodbrookers, Bentveldsweg 3, Bentveld. Bij voldoende deelneming hopen wij in Januari 1949 een nieuwe cursus te kunnen beginnen.

Kent gij anderen, bij wie gij belangstelling voor deze cursus vermoedt, geeft' ons hun namen en adressen op; wij zorgen voor toezending van prospecti.

JCeestafelnieuws

Ds A. B.—W. M. Kok. 'Verleidende geesten. Uitgave N.V. Kok, Kampen, 1948. 191 'blz. ƒ3,90.

Een populair geschrift, waarin de meest bekende secten en on-Christelijke geestelijke stromingen beschreven en veroordeeld worden. Men kam hier vlug en voor zover ik kon nagaan niet al te onnauwkeiuig, gegeven het beknopt bestek, ingelicht worden over Christian Science, Jehova’s getuigen, theosophie, enz. S. veroordeelt al deze bewegingen vanuit zijn bijbels, gereformeerd standpunt, wat zijn goed recht is. Men mist wel eens de liefdevolle poging tot begrijpen, die aan het veroordelen m.i. moet voorafgaan. Zo wordt al direct in het eerste hoofdstuk aan de Christian Science de allegorische uitleg der Schrift verweten. Is De S. er wel zeker van, dat zijn visie op de Schrift geen allegorische elementen bevat? In elk geval kan men Jezus’ verklaring van Jona’s verblijf in de walvis moeiUjk anders dan allegorisch om van Paulus’ vertolking van het oude Testament nog te zwijgen. Ten overvloede: met deze terloopse bemerking wil recensent niet beweren, dat hij de schriftverklaring der Christian Science voor zijn rekening neemt. Kortom een boekje, nuttig ter Informatie, maar m.i. soms te voorbarig in zijn oordeel.

Joost van den Vondel. Leeuwendalers. Ingeleid en verklaard door Anton van Duinkerken. Uitgave Het Spectrum, Utrecht, 1948. 240 blz.

Een prachtuitgave: een mooi boek, een voortreffelijke inleiding, een uitstekend apparaat van tekstverklarende nota’s, een imponerende bibliografie, kortom alles wat men als wetenschapsmens maar kan wensen. En toch, de geleerde S. moge met mij niet euvel duiden: ik mis in dit iboek de broodnodige poging om 'Vondel vanuit onze situatie te verstaan. Er is een tijd geweest, dat van Duinkerken smEialde op het werk van Molkenboer en Sterck. Wellicht overdreef hij toen in jeugdige overmoed, maar hij is nu toch wel zeer ingelijfd bij het eerbiedwaardig slag der geleerde philologen: zelfs de tekst werd niet omgespeld in deze uitgave, bezorgd in opdracht van het Departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen voor feestvierend Nederland anno 1948.

J. G. B.

Ifan niii^ W üII UIJIV STEENWEG 39 – UTRECHi

Jss- I..,.-,s.»;4«.I—-.u;—-—«