is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1948, no 7, 06-11-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE INTELLECTUELEN IN DE HUIDIGE WERELD

(losse invallen n.a.v. de cursus in Bentveld. Zie onder Bentveldnieuws)

In de tijd, die niet zo heel ver achter ons ligt en waarvan de nazaten nog onder ons leven, zag men tegen de intellectueel op. Immers de wetenschap, waarvan hij de fiere vertegenwoordiger was, zou de wereld redden en daarenboven: hijzelf zou daarbij de leiding hebben; aristocraat van de geest, werd hij geacht kortweg de edele mens te zijn. Tegenwoordig weten velen (niet allen, ook niet alle intellectuelen!) wel beter! Met alle waardering voor datgene wat de wetenschap en dan denkt men allereerst aan de wetenschappen der natuur! ons gegeven heeft, herinnert men zich de laatste oorlogen, triomfen der techniek, d.w.z. der toegepaste wetenschap, herinnert men zich de ellende van het proletariaat, gevolg ook van die geweldige ontplooiing der techniek en men keert zich gebelgd af. En de intellectueel? Als hij eerlijk met zich zelf wil zijn, weet hij heel goed, dat de beoefening der wetenschappen hem het recht niet geeft zich tot de nieuwe adel der mensheid te rekenen; zijn kennis garandeert hem niet de vereiste karaktereigenschappen. Hoe hebben we ons boosgemaakt op de Duitse geleerden onder Hitler (en niet alleen op de Duitse geleerden). Erger, de intellectueel weet niet eens meer, wie hij is. Prof. V. d. Leeuw heeft op een vergadering van de Wiardi Beekman stichting voorgesteld, om de intellectuelenstand af te schaffen en hij geeft aan de intellectueel van vandaag de taak: „zichzelf als een wezen apart uit te roeien.” Dr Loen, in een ovérigens uitnemend artikel in „Wending” (Sept. ’4B), wil met de naam ..Intellectueel” een psychologisch begrip aanduiden: iemand die in staat is en de neiging heeft denkverrichtingen ten einde te voeren („Eingestellt sein auf Denkvollzüge” W. Stern). Hij laat er dan ook op volgen: „Men kan geen onderscheid maken tussen wel- en niet-intellectuelen; wel tussen meer en minder intellectuelen. Er zijn zeer intellectuele arbeiders en huisvrouwen; en er zijn weinig intellectuele afgestudeerden.” Ove-, rigens gaat zijn artikel, dat „de crisis van de intellectueel” heet, toch maar over de „studerenden en afgestudeerden.”

En wat denken „de anderen” van de leiding en het prestige der „intellectuelen?” „Wij hebben liever dat een slagersjongen een motief fluit uit Schuberts „Onvoltooide” dan dat tien professoren hun instemniing betuigen met ons programma”, aldus de Vara-hoofdbestuurder J. Broeksz. „Het Vrije Volk”, dat deze uitspraak vol waardering aanhaalt (9-X-48), voegt er aan toe: „Deze üitspraak is typerend voor het streven van de Vara: culturele verheffirig van de mens.,, Accoord! Maar daarbij héèht de heer Broeksz meer aan zijn eindoordeel uit het fluitconcert van de slagersjongen dan aan het oordeel van die tien „onnozele” professoren.

In een boekje, waar ik in dit verband op zou willen wijzen, omdat het een thema behandelt, dat grenst aan het onze, „ï)e frictie der wetenschap”'), vertelt prot. Dantzig van een huiseigenaar, die vroegér achter een bloemenkar liep en thans een touringboot-onderneming bezit. Hij stond voor de vraag, of hij zijn woning zou verhuren aan een A’dams hoogleraar.” Teneinde niet genoodzaakt te zijn iemand te kwetsen, vermeld ik zijn antwoord vertaald in meer par-

lementaire termen: „Een prof, een prof. laat ze er maar een nachtlokaal vestigen.” De maiï had blijkbaar geen bijzondere waardering voor de intellectuele stand!

Over de taak der wetenschap gaat het bovenaangehaalde boekje. Het zijn drie inleidingen met uitvoerige discussie. Interessante lektuur, voor wie het vraagstuk aangaat. Let wel: het is een vraagstuk en met alle eerbied voor de geleerde sprekers meen ik zelfs, dat de laatste ernst van dit vraagstuk hen toch nog ontgaan is. Overigens stak ik hier niet alleen. In de weergave der discussie weerspiegelt zich dit duidelijk. Men leze zelf bijv. de opmerkingen van mr J. J. Boasson naar aanleiding van de inleiding van prof. Beth. Kort, en al te simpel gezegd, komt het vraagstuk hier op neer: wat heb je aan de wetenschap? Onmiddelijk tastbaar nut geeft de toegepaste wetenschap, maar niet alleen nut: we kennen ook de techniek der verwoesting I En wat is het nut der zuivere wetenschap? Wordt die eigenlijk alleen maar beoefend, omdat er vroeg of laat toch pog practische resultaten mee te behalen zijn? En wat is het nut van die wetenschappen, welke in de ogen van vele natuurwetenschappelijke denkers eigenlijk geen wetenschappen zijn, maar, zoals ik eens een physicus hoorde zeggen: „kletsvakken”. Ik denk bijv. aan geschiedenis, taalwetenschap, enz. enz.

Er heerst op al deze terreinen sedert geruime tijd een diepe onrust, die door de vraag: „wat heb je er aan”, slechts heel oppervlakkig onthuld wordt. Wie niet heel innerlijk voelt, dat „de waarheid” een der hoogste levenswaarden is voor de mens, zal eenzame sterrenkundige op zijn uitkijktoren of de archivaris tussen de documenten wel een zonderling blijven vinden. Met zo’n praktijkman discussieert de echte intellectueel niet, maar laat hem geld verdienen. Zijn enig verweer is: medelijden. Maar erger is, dat het soms schijnt, dat de „Waarheid” zelf door de wetenschappen van vandaag niet meer bereikt kan worden. Welk uitzicht biedt de moderne natuurwetenschap of de werkelijkheid buiten ons? Is de biologie er in geslaagd, na haar reusachtige ontplooiing in de 19e en 20e eeuw om het begrip „leven” iets nader te brengen? Prof. Romein toonde niet lang geleden aan, dat we, nadat er een bibliotheek vol geschreven was over Willem van Oranje, nu helemaal niet meer weten, wat voor iemand Willem van Oranje eigenlijk was. In een vorig artikel meende ik er nadrukkelijk op te moeten wijzen, dat het een valse pretentie is, wanneer men na uitstalling van een reeks resultaten der moderne psychologie meent de vraag te kunnen beantwoorden, wat de ziel is. Hier ligt de wezenlijke crisis der wetenschappen! En deze kan m.i. niet door de wetenschap, maar door de beoefenaar der wetenschap opgelost worden. De moderne intellectueel mag zich gelukkig prijzen, als hij een heel klein hoekje van het vak van zijn voorkeur een beetje behoorlijk beheerst, voor de rest is hij „leek” op het gebied van zijn eigen vak en zeker op dat der andere wetenschappen. Meer dan ooit moet hij zich hierop bezinnen, dat hij als mens met zijn wetenschappelijke kennis betrokken is op „de Waarheid” en dat „de Waarheid hem zal bevrijden”, zoals het in

het Evangelie heet. De problemen liggen op de lijn van „wetenschappelijke waarheid” naar de „menselijke waarheid” naar ~de Waarheid” als naam van God.

Het leven heeft zo zijn eigen grillen. Want terwijl ik hierover dacht, kreeg ik enkele boeken ter bespreking, die in wezen over hetzelfde vraagstuk handelen:

le. Psychiaters beraden zich op hun beroep. 2e. Hun wetenschap heeft tot practisch doel: genezing van de mens die geestelijke afwijkingen vertoont. Hun waarheid is „de geestelijke gezondheid”, maar daarover hebben zielszorgers, dominees en priesters, ook hun ideeën. Zij hebben zich te zamen beraden over hoe ze moeten samenwerken. Het werd een boeiend boekje, dat onthult, hoe moeilijk deze problemen zijn. Aangeraden aan wie deze vraagstukken aangaan.

2e. En dacht men, dat de geneesheer dit soort vraagstukken niet kent? Men leze maar eens het boek van Paul Tournier: „Radicale Hier bepleit een arts, als vakman, juist als vakman, dat een dokter, die zich alleen concentreert op de ziekte van het lichaam, maar ziel en geest verwaarloost, tekort schiet, dat lichamelijke gezondheid in direct verband staat met deimorele en geestelijke toestand en dat de persoonlijke ontmoeting met Christus het perspectief is waartoe vaak de medicus en juist de medicus zijn patiënt zal moeten leiden. Aanbevolen ter kenninsneming aan artsen en wie zich voor dit soort vragen interesseren.

3e. En hier is nog iets voor artsen: Een der manieren om de hierboven aangeduide vraagstukken te benaderen, is de bezinning op de geschiedenis van het vak. Verschenen is een aardig boekje over „Hippocrates” *) aangekondigd als „het beroemde geschrift over de taak en de plichten van de medicus, de heilige roeping der medici en de zedelijke normen der medische wetenschap; bevat bovendien de beroemde eed van Hippocrates in het Grieks (met de vertaling). Ik citeer: „Alle wetenschappen, die niet gepaard gaan met vurige gewinzucht of met ignobele (minderwaardige) bedoelingen, zijn schoon; methodisch beoefend moeten zij tot een zekere kunstvaardigheid leiden; is dit niet zo, dan zijn zij met recht niet in tel” (blz. 55), Aldus in een geschrift aan Hippocrates toegeschreven (460—377 vóór Christus).

Ten slotte: men spreekt zo licht over crisis der wetenschap. Maar eigenlijk is deze bezig over te gaan op het ogenblik dat men begint er zich rekenschap van te geven. En met dit optimistische slotaccoord eindigen de losse invallen van

J. G. BOMHOFF

’) Prof. dr E. W. Beth, prof. dr D. van Dantzig, dr. C. F. P. Stutterheim. De functie der wetenschap. Tweede symposion der sociëteit voor culturele samenwerking, uitgave Leopold, Den Haag 1948, 89 blz. ƒ 2.90. ‘) Conferentie gehouden door de Raad van Bestuur van het Antonia Wilhelmina Fonds op Zaterdag 18 Oct. ’47. Referaten van prof. dr H. C. Rümke, Pater dr W. Ellerbeck S.J. en dr J. C. Roose, Ned. Herv. p red. met discussie. Uitgave van ditzelfde fonds, z. j., 56 blz.

’) Dr Paul Tournier: Radicale therapie. Uitgave Ten Have, A’dam 1948, 303 blz., ƒ6.50.

"I Dr G. A. Lindeboom: Hippocrates, uitgave L. J. Veen, A’dam, 1948, 72 blz.; ƒ3,90.