is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1948, no 8, 13-11-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DIC HTB IJ

toch vreemd

Zojuist kom ik terug van een reis door Duitsland. Voor de tweede maal sinds de bevrijding trok ik door het Ruhrgebied via Frankfort naar Stuttgart, waar Bad 801 l

ditmaal het doel van onze reis niet ver vandaan ligt.

Tussen de eerste en de tweede reis lagen 17 maanden. En in die 17 maanden is véél gebeurd, ook in Duitsland.

De opmerkingen, die ik hier wil maken, hebben geen andere pretentie dan die van het weergeven van een vluchtige waarneming. Wie deze reis per auto maakt, ziet misschien veel, maar hij Imeft niet de noodzaak te luisteren naar <fe man in de treincoupé. Hij kiest zijn mensen, die hij spreken wil, en in die keuze ligt reeds een beperking. Het zij zo.

Duitsland is vér, zéér ver. Ook, al kunt gij op vele punten langs de grens door het eenvoudig heffen van een tolboom het direct betreden. Meer nog dan vorig jaar heb ik beseft, welk een kloof er gaapt tussen Duitsers en Nederlanders, ondanks de oprechte wil om elkander te verstaan en om waarlijk tot een nieuwe gemeenschap te komen.

Daar is in de eerste plaats de verraderlijkheid der taal. Wij verstaan gauw elkanders woorden tenaastebij. Maar méér en feller dan vöör de oorlog zal een Nederlander het verschil horen. Hoe het Nederlands de Duitsers in de oren klinkt, weet ik niet. Ik vermoed, dat het hem éen beetje plat, slap, maar toch niet onmelodisch aandoet. En in ieder geval vriendelijk. Omgekeerd horen wij in het klimaat van de taal dat harde, dat over-correcte en tevens dat weke, soms overdrevene, dat ons steeds herinnert aan vijf donkere jaren.

Ik maak mij dit, al schrijvende, nogmaals bewust. Deze dingen zeggen niets, en toch signaleren ze veel. Wij mogen ons er niet door laten leiden, maar wij moeten er toch mee klaar komen. Maar hoe komen wij van zulke affecten af?

Het puin maakte nu minder indruk dan 17 maanden geleden. Niet, omdat het wezenlijk minder erg is geworden. De geraamten der huizen deprimeren. Wanneer men tegen ’t vallen van de avond door een stad rijdt zijn ze als spoken. Dan gloeien uit de kelders van de ruïnes de lichtjes van berooide mensen. En als het donkere avond is, met hier en daar een straatlantaarn, dan is er maar één woord voor onze stemming, en dat is Duits: „Unheimisch”.

Toch is de indruk nu niet zo verpletterend. In de eerste plaats, omdat er schijnbaar een koude gewenning heeft plaats gevonden. De situatie is tot op zekere hoogte geordend. Men weet, waar men nu aan toe is. De stroom vani vluchtelingen uit het Oosten is opgehouden. Slechter dan nu kan het niet worden. Dat maakt de mensen minder geslagen. En in de tweede plaats is er nu enig uitzicht. Niet veel, maar het is er. En daarom wordt er gewerkt. Zeer hard zelfs. De nieuwe of gerestaureerde

huizen hebben tweeërlei afkomst. Als men een gerestaureerde winkel ziet, dan weet men, dat dit kon op basis van ruiling. De waren van de zakenman leverden hem stenen en cement. Ziet men een gewone woning hersteld, dan hebben de bewoners dat gedaan. In Darmstadt vertelde de burgemeester ons van de „Selbsthilfe”, die men toepast. Materialen worden, als lening, beschikbaar gesteld. De bewoners kunnen daarmee, na hun dagtaak, aan het bouwen gaan. De uren, die ze werken, worden berekend en van de lening afgetrokken. Zo ziet men ’s avonds, bij felle lichten, mannen bezig aan hun huis. Hoeveel arbeidskracht en energie hierachter zit, laat zich vermoeden. Dit élan is bewonderenswaardig. Maar tegelijk beseft men, hoeveel geestelijke energie hiervoor nodig is en dus niet gebruikt kan worden voor ander werk. Het is of de tijden van de „verdammte Bedarfnislosigkeit” van Lasalle, nu alleen in geestelijke zin gebruikt, teruggekeerd zijn.

Puin ziet men ruimen. Soms ziet men de stenen vermalen. Deskundigen schijnen het er niet over eens te zijn, of deze vermaling om het straks te gebruiken wel effectief is. Men ziet ook noodwinkels, zoals in Rotterdam: tekenen, dat het leven weer normaal wordt.

Dat beseft men vooral, wanneer men over de waren- en voedselpositie spreekt. Deze is inderdaad aanzienlijk verbeterd. Aardappelen zijn vrij, groenten eveneens. Vet blijft het grote probleem en brandstof wordt in sobere hoeveelheden geleverd, die bij een vriendelijke winter net voldoende zullen zijn.

Ook vele waren ziet men. Men ziet ze, maar men kan ze amper kopen. Alle gesprekken monden uit op dit punt. De geldzuivering is er oorzaak van, dat ze er zijn, zonder dat ze gekocht kunnen worden. De verbittering daarover is groot en gerechtvaardigd. Alle baargeld en bankconto’s zijn practisch geconfisqueerd. Van de ƒ 100'.— die men thuis of op de spaarbank bezat, heeft men ƒ 6.50 overgehouden. En daardoor zijn de waren voor de ramen komen te liggen: van elastiek tot radiotoestellen. Zelfs auto’s kan men kopen. Maar tegen het nieuwe geld. Dit alles zou men wel nemen, indien de prijzen niet zo opliepen. In drie maanden werden verschillende artikelen, waarom velen zitten te springen, in prijs verdubbeld. Want er is géén prijsstop. Zodat de dure goederen gekocht worden door de nieuwe rijken, d.w.z. de bezitters van waren. En de ruiten in Stuttgart bij prijsopdrijvers werden ingegooid.

Wij zijn in één dier winkels geweest, die de woede van het grote publiek hadden opgewekt. Een modemagazijn. Maar de dure stoffen waren weg. Bij navraag zei de winkeljuffrouw: helaas, wij hebben ze niet meer. Ze zullen op zolder hebben gelegen. Zo was ’t in deze winkel, zo was ’t door de hele straat.

Waarom in hemelsnaam geen prijsstop? De S.P.D. geeft de C.D.U. (confessionele partij, waarin Roomsen en Protestanten samenwerken en waarin conservatieven en progressieven te zamen gehouden worden door christelijke beginselen) de schuld. De C.D.U. antwoordt, dat niet zij, maar de bezettende macht deze maatregel nam. Dit mag waar zijn, maar dr Ehrhardt, directeur van de oeconomische raad, die deze maatregelen uitvoert, is overtuigd voorstander van deze liberale prijspolitiek en hij is een der grote mannen van de C.D.U. De verbittering is begrijpelijk. En de relletjes in Stuttgart werden zo niet toegejuicht, dan toch geheel begrijpelijk geacht, en de drukte, die de Amerikanen ervan maakten, vond men ronduit belachelijk. De C.D.U. verdedigt zich door te zeggen, dat haar man dr Ehrhardt slechts een bevel van de bezettende macht uitvoert. Er is, ook in haar rijen, een sterke neiging om tot een andere politiek te komen. Maar hoe? Want de politieke activiteit heeft iets van een spiegelgevecht. Men kan veel willen, maar generaal Clay beslist. Stel, dat er een prijsstop zou komen. Waar zouden de Duitsers de machtsmiddelen vandaan halen, haar te handhaven?

Hier stoten wij natuurlijk op een der fundamentele moeilijkheden in Duitsland: er is voor Duitsers allerlei te doen, maar macht zit er niet achter. Er zijn geen sancties.

Verklaart dit wellicht mede de matheid over het gehele politieke leven? Jongeren doen er niet aan, en ouderen slechts als routinewerk. Ik hoorde een minister van oeconomische zaken van een der kleinere staten zich bitter beklagen over de crltiek, die zij te verduren hebben. Het was een oudere man, die zonder veel illusies zijn eenvoudige christelijke plicht deed. Er was iets scherps, iets gewonds in zijn stem.

Zo ergens, dan wordt men in Duitsland diep dankbaar voor het feit, dat de socialistische beweging in Nederland nieuwe wegen ging. Anders dan hier, hebben in Duitsland de meer conservatieve groepen een andere naam gekregen, maar S.P.D. en K.P.D. zijn reeds in de naam onveranderd. Dat is symptomatisch. Toch kan men niet zeggen, dat in de socialistische beweging alles bij het oude is gebleven. Het overwicht van de marxistische theorie is verdwenen, al is in lagere regionen het klimaat niet veel veranderd. Er is meer openheid voor de kerk, en de kerk wil gaarne ook met de S.P.D.-politici contact hebben. Toch is een blijde verwachting van de kerk uit jegens de S.P.D. niet aanwezig. Daarvoor is èn de kerk politiek gereserveerder, én de S.P.D. toch teveel nog de oude partij van Liebknecht en Bebel. Tot een werkelijk nieuwe visie, een hijsen der zeilen om nieuwe wind te vangen is het niet gekomen, en ik ben bang, dat de tijd voorbij is voor zulke vernieuwingen. Deze tijd was al voorbij ... na de 20ste Juli 1944. Toen is er slachting gehouden onder mensen van verschillende afkomst, maar die elkander in de illegaliteit gevonden hadden, ook Nederland zou er nu anders uitzien, als St Michelsgestel een moorddadig concentratiekamp in plaats van een zure opbergplaats geweest was.

Deze korte opmerkingen dienen om duidelijk te maken, dat Duitsland ver van ons vandaan ligt.

Ik heb niet gesproken over hulpverlening. Deze zal in versterkte mate moeten worden georganiseerd. Maar wij zouden geen realisten zijn, als wij de afstand tussen Duitsland en Nederland niet diep beseften.

L. H. RUITENBERG.