is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1948, no 8, 13-11-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nen in het dagelijkse opbouwwerk. En dat begaafde mensen waardevolle karakters zouden zijn... wij en Kastner weten beter... Karakter hebben én begaafd zijn: dit zijn de grote uitzonderingen, die vooral het chaotische Duitsland nodig heeft, nóg nodiger dan brood. Kastner is een uitmuntend, satiricus én een moedig mens. Maar naar hem luisteren, is minder gemakkelijk, dan nieuwe illusies kweken en nieuwe haatgevoelens... H. WIELEK.

Twee proeven uit „Der tagliche Kram”: Erich Kastner: Over de naroem. De knoop die onontwarbaar, te ontknopen, behoorde tot de taak van Alexander.

En wie was hij die deze knoop eens legde? Geen mens die ’t weet. Maar zeker was het iemand anders...

Erich Kastner: Over de zuivering.

lemand veegde de straat schoon, en een man die peinzend toekeek, vroeg: „Jij bent ook geen straatveger van je vak?” „Neen”, antwoordde hij, „maar ik moet het doen! Straf!” „Maar waarom?” „Omdat ik in de partij was.” De ander nam hem de bezem uit de hand en veegde de straat zo deskundig dat het een lust was om naar te kijken. „Drommels!”, riep de man, „jij bent van ’t vak!” „Ja zeker”, zei de ander, „maar ik mag niet.” „Je mag niet?” „Oók straf! Omdat ik in de partij was.”

DE HALFBLINDE KOETOEZOW LITHO VAN AART VAN DOBBENBURGH BIJ TOLSTOY’S ROMAN „OORLOG EN VREDE” „Heere God, mijn Schepper! Gij hebt mijn gebed verhoord. . . .” zeide hij met bevende stem, terwijl hij de handen vouwde. „Rusland is gered!” En de oude man barstte in tranen uit.

Marshallplan en economische voorlichting

De gevaren, die ons door het Marshallplan bedreigen, omdat wij binnen de economische belangensfeer van de kapitalistische Verenigde Staten gezogen worden, zijn al vaak geschilderd. In de meest sombere kleuren kan men ze nog dagelijks getekend zien in De Waarheid. Daarover gaat het deze keer eens niet, hoewel het zeker nodig is om ook op dit punt waakzaam te blijven. In het Marshallplan schuilt echter een ander gevaar, dat weinig aan de orde wordt gesteld omdat, nu ja, het minder strelend is voor ons gevoel van eigenwaarde om daarover te spreken. Wij hebben het immers veel liever over onze nationale krachten op allerlei, ook op economisch gebied, en wij denken er ■ liever over wat wij een kracht zullen ontwikkelen als de economische unie met België tot stand gekomen is, als de kwestie-Indonesië geregeld is, als het probleem-Duitsland opgelost is, als onze nationale productie straks zo- en zoveel toegenomen zal zijn... Wij vluchten in de toekomst omdat het heden zo arm en hard is. Wij stellen ons tevreden met allerlei mooie vergezichten, omdat het landschap om ons heen zo kaal en leeg is. Of wel, wat voor het heden nog onvruchtbaarder is, wij vluchten in het verleden en verdoven ons met herinneringen aan de gouden tijd voor de oorlog toen alles zo goed en zo mooi was. Het heden is hard en bitter. Ons volk is arm, straatarm. Dat wij vandaag nog zo’n betrekkelijk hoge levensstandaard hebben, danken wij aan de goede wil, of, zo ge wilt, het zakelijk inzicht van de Amerikanen. Duidelijker gezegd: Wij leven voor een groot deel van de brokken, die het rijke Amerika ons toewerpt. Wij zijn als volk afgezakt tot de allerminst verheffende of benijdenswaardige positie van een mens, die genoodzaakt is zijn hand op te houden. Is het eigenlijk voor ons vroeger ja en eigenlijk nog, maar waarom? ■— zo zelfbewuste Nederlanders niet om het schaamrood op de kaken te krijgen iedere keer als Lieftinck weer voor ons allen gaat bédelen in Washington, iedere keer als wij weer een aalmoes (een Marshall-toewijzing) in de hand krijgen gestopt? Waar is dit nationale schaamtegevoel? Men verneemt er niets van. De regering spreekt er niet over. De pers zwijgt in alle vormen. Dit veelbetekenende zwijgen is de enige uiting van onze nationale vernedering.

Maar, zult ge zeggen, dat wij zo arm zijn, dat hebben we toch niet aan onszelf te danken, dat is toch de schuld van de Duitsers. En dan zult ge misschien een lange, hartstochtelijke rede houden, waarin ge al uw vurige haat tegen de Duitsers uitspreekt om wat ze ons aandeden en om wat ze ons nu nog aandoen... Maar het helpt u niet! Ge blijft met uw, zij het zwaar vergulde, gebakken (Marshall)-peren zitten. De situatie van het ogenblik wordt er niet fraaier door.

Deze situatie wordt alleen hoopvol, indien wij de moed hebben om ons de werkelijke toestand helder voor ogen te stellen. Maar dat durven wij niet! Het is een bedenkelijk verschijnsel, dat wij als natie ons niet willen en durven realiseren hoe ellendig wij