is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1948, no 9, 20-11-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

, Aan \ ' den Heer ] 1 behoort de aarde t • en haar Ê volheid. Psalm 24 : 1 y/

rrni f

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR. EVANGELIE EN SOCIALISME

TEVENS ORGAAN VAN DE PROTESTANTS CHRISTELIJKE WERKGEMEENSCHAP

Zaterdag 20 Nov. 1948 No. 9 Verschijnt 50 maal per jaar 47ste jaargang van de Blijde Wereld • Redactie Prof. dr W. Banning Ds J. J. Buskes Jr Ds L. H. Ruitenberg Mr G. E. V. Walsum Secr. der redactie: J. G. Bomhoff, Roerstraat 48 111 A’dam>Z. Tel. 24386

Ahnn. by vooruitbel. per jaar fB.OO, halfjaar f 4.2 i, kwart. fl.iO plusfO.li incasso. Losse nrsfO.li, Postg. 21876, Gem. giro V 4500, Adm. N.K De Arbeiderspers, Hekelveld 15. A'damC

De organisatie

In het mededelingenblad van het Gewest Utrecht van de Partij van de Arbeid „In de aanval” (een datum draagt het niet, maar ik vermoed, dat het in October jl. werd uitgegeven) schrijft de gewestelijke voorzitter, mr P. P. Agter over „De Doorbraak in gevaar”.

De strekking van zijn opmerking is, dat de „doorbraak-mensen” steeds meer uit de besturen verdwijnen en daardoor „de doorbraak”, die hij principieel geslaagd acht, in gevaar komt. Hij merkt op, dat steeds meer vroegere S.D.A.P.-ers —'die het organisatorische werk grondig geleerd hebben in de besturen komen, eenvoudig, omdat de anderen er geen lust in hebben. Niet, omdat zij niet ijverig genoeg zijn. Welneen. Zij vervullen spreekbeurten en vertegenwoordigen de Partij in raad en staten'op voorbeeldige wijze, maar de organisatie ligt hun niet. En, zo besluit hij, „brengt dit dagelijks contact met de partijgenoten niet in gevaar, door bewust of onbewust een luxepositie in de partij te gaan innemen.”

Ik neem aan, dat de waarneming van Agter juist is. Hij kèn dit, op zijn post, beter constateren, dan iemand, die aan het organisatorische leven weinig deel neemt.

Voor dit verschijnsel zijn verschillende oorzaken aan te wijzen. De „doorbraak”- mensen (wij moeten van dat woord af!) komen veelal niet uit arbeiders, maar uit intellectuele kringen, breed genomen. In die kringen is een andere traditie levend, dan onder de arbeiders. Ik zeg niet, dat deze beter is en evenmin dat deze slechter is ik constateer slechts, dat de „intellectueel” een tikkeltje individualistischer is dan de arbeider, wanneer het om organisatieliefde gaat.

Daar komt, in deze concrete situatie bij, dat velen van dat slag blij zijn, als ’t werk gebeurt en vooral wanneer anderen het met een zekere graagte doen, laat hij het gauw over. Dat dit de wrevel van de werkers in de organisatie wekt, is dan weer heel begrijpelijk, maar zelfs een oproep van Agter zal daar niet veel aan veranderen. Want de oorzaak ligt, dunkt mij, dieper. Ik wil, om deze te peilen, twee opmerkingen maken.

In de eerste plaats, dat de Partij van de Arbeid organisatorisch het meest door de S.D.A.P.-traditie is beïnvloed, ofschoon zij een nieuwe partij is. Dat de „inbreng” van de S.D.A.P. in de P. v. d. A. niet zo heel veel meer dan de helft van het huidige ledental bedraagt, is naar mijn gevoel alleen maar

gelukkig. Toch wekt de organisatorische opzet een geheel andere indruk. De S.D.A.P. was uitstekend georganiseerd. Ook tegenstanders hebben dat, soms met verholen spijt, erkend. Be organisatievorm echter is afspiegeling van het geestelijk klimaat. Het is niet zo heel toevallig, dat alle partijen verschillend georganiseerd zijn. Het zou de moeite waard zijn een studie te maken van het verband tussen de beginselen en de organisatie-vormen der verschillende partijen.

Toen nu de vroegere V.D.-er lid werd van de P.v.d.A. (om een voorbeeld te noemen) werd, om te beginnen, zijn contributie vertienvoudigd. Hij kreeg zegels, inplaats van een quitantie. Er werd een appèl op hem gedaan om het Vrije Volk te lezen, als zijn dagblad, terwijl vroeger, toen hij nog de N.R.C. of het Handelsblad las, nooit door zijn partij op zoiets was aangedrongen. Vroeger ging hij soms naar een vergadering, waar niet zoveel mensen kwamen en waar hij iedereen kende. De verkiezingen brachten wat meer leven; pamfletjes, een kiezersvergadering met één der keien Marchant, Oud, Joekes en de zaak was gezond.

Voor de vroegere C.H.-kiezers, of kerkelijke partijgenoot ligt de zaak weer anders. Misschien beweegt hij zich op kerkelijk terrein en wordt hij opgeslokt door machtig veel arbeid, waartoe de kerkeraad hem riep. Hij is die arbeid blijven doen. Vol overtuiging. Hij meet onwillekeurig de stijl, de hartstocht van het vergaderen der vroegere S.D.A.P.-ers aan die in het kerkelijk werk, en hij vindt ’t allemaal best, maar hij denkt er toch niet aan een dubbel leven te gaan leiden. Hij vindt ’t niet erg, dat hij zich in de partij-machinerie niet thuis voelt. Hij heeft een tehuis. En zijn socialistische overtuiging is er niet minder om. Het is dus volstrekt begrijpelijk, dat de zaken lopen, zoals ze thans marcheren. Het lij kt mij echter onjuist, om nu te zeggen dat de doorbraak in gevaar komt, doordat de „doorbrakers” zich niet in het nieuwe partijverband wagen op de wijze, waarop men dat in de S.D.A.P. gewend was, althans wenselijk achtte. Integendeel: De doorbraak komt in gevaar, door dit als eis te stellen! De doorbraak komt in gevaar, indien men de tekenen van dit verschijnsel niet verstaat.

En hiermee kom ik tot mijn tweede opmerking:

De reserve, die Agter constateert tegenover

bepaald soort organisatoriscli werk, is een waardevolle bijdrage aan de vormgeving van de nieuwe democratisch-socialistische beweging. Het is nl. een waarschuwing tegen het gevaar van de organisatie op het politieke terrein. Men wil spreken, dienen in raad en staten, maar men beweegt zich ongaarne in de regionen, waar circulaires behandeld worden, waar de organisatie voor velen een waarde op zichzelf dreigt te worden. Want voor velen is de goede, geruisloos lopende organisatie voorwaarde voor de doordringing van het socialisme. En tevens is het een tehuis in geestelijk opzicht.

Ziet, tegen deze beide tendenzen verzetten de abstinente „doorbrakers” zich. Want zij geloven niet zo sterk in de macht van de organisatie. De geestelijke, haast onwillekeurige beïnvloeding van persoon op persoon willen zij, en deze wordt soms zelfs in de weg gestaan door een hechte, machtige, maar daardoor ook isolerende en reactie-opwekkende organisatie.

Toen ik onlangs door Duitsland reed, kreeg ik, tussen het puin, een boek van Stampfer, de voormalige hoofdredacteur van de „Vorwarts” in handen. Hij verhaalt de geschiedenis der Republiek van TB In 1919 had de S.P.D. één millioen leden en millioen kiezers, vertelt hij. De organisatie was zonder meer voorbeeldig. Maar dertig jaar later vond ik ’t boek tussen het puin. Zeker, hier is geen oorzakelijk verband, maar wel een zekere relatie: het geloof in de perfecte organisatie werd, als tegenweer, door anderen overgenomen! En verder: dat geestelijk tehuis, waarvoor de organisatie zorgt, is een begrijpelijk verschijnsel maar in de grond van de zaak gevaarlijk voor de Partij. Zij treedt dan plaatsvervangend voor andere organisaties op. Andere, die er nog niet zijn, maar er komen moeten.

De conclusie?

De doorbraak is pas naar binnen gelukt, als een nieuw type organisatie ontstaat, aangepast bij de nieuwe Partij. Deze partij is geestelijk geleed, sociologisch niet uniform. Zij is minder op blokvorming dan op geestelijke doordringing ingesteld. Zij laat veel ruimte voor persoonlijk initiatief en individuele uitdrukking van de gemeenschappelijke politieke overtuiging. Zij is open, actief-verdraagzaam jegens elkander. Dit is een ander beeld dan van de S.D.A.P. De organisatie-vormen zullen dit langzamerhand tot uitdrukking moeten brengen. Ik zie van de Partijleiding uit een voortdurend zoeken naar deze nieuwe vormen. De Werkverbanden zijn er een gelukkig voorbeeld van. De moeilijkheid ligt dunkt mij, het meest bij de gevestigde vormen van vergaderen. De leiding wil daarbij zeker andere wegen ook in de S.D.A.P. werd op verfrissing van het ver-