is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1948, no 9, 20-11-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gerichte econome

In een gesprek over economische kwesties, dat ik een dezer dagen meemaakte, zei opeens één der aanwezigen, een hoogleraar in de economie: „bij alle discussies over dit soort economische kwesties blijkt telkens weer, dat slechts 20 pet van het verschil van mening berust op verschil in levensbeschouwing of politiek inzicht en 80 pet op gebrek aan kennis en inzicht.”

De aanwezigen hebben er even om gelachen, maar voelden eigenlijk allemaal, dat het inderdaad zo is, ook al zijn de verhoudingscijfers natuuriijk maar een slag in de lucht. Dat inderdaad vaak godsdienstige argumenten en politieke overtuigingen worden aangevoerd om een onjuist inzicht te verbergen en om conservatisme of progressivisme recht te praten. Het komt op het economisch-sociale terrein veel voor, omdat een ieder meent daarover het zijne te moeten zeggen, ook al weet hij van de economische wetenschap niets af. Het merkwaardige is, dat een theoloog of een ingenieur zich steeds fel verzetten als een „leek” iets over theologie, techniek of chemie opmerkt, maar dat omgekeerd veel theologen en ingenieurs over economische problemen praten men een stelligheid, alsof zij volledig van deze wetenschap op de hoogte zijn. Dat komt voort uit de aard van de economie, welke wetenschap zich nu eenmaal bezig houdt met vraagstukken van alledag, waarmede iedereen te maken heeft.

Nu is het al sinds het begin der serieuze beoefening van de economische wetenschap circa 150 jaar geleden zo geweest, dat het moeilijk was om deze ingewikkelde materie geheel te overzien, maar in de laatste tientallen jaren, is deze ondoorzichtigheid van het economische gebeuren nog groter geworden. Vandaar, dat men het zeker niemand kwalijk mag nemen op dit gebied een leek te zijn, wel echter als deze leek meent zijn medemensen te moeten gaan voorlichten. En dat zou nog niet het ergste zijn, als zulke voorlichting vaak niet werd gekleurd met een godsdiensetige of politieke tint.

Enkele voorbeelden: Een a.r. Tweede Kamerlid verzet zich tegen een bepaald soort ruilverkaveling in Zeeland en beroept zich daarbij op Gods gebod over de eigendom.

Een verkiezingsprogram verzet zich tegen blijvend geleide economie zijnde dit strijdig met de persoonlijke verantwoordelijkheid, maar pleit wel voor een actieve conjunctuurpolitiek.

Een vooraanstaand politicus verzet zich tegen welvaartverdeling-politiek, maar is geen tegenstander van een sterk progressief beiastingstelsel.

Een socialist verdedigt de geleide economie ook in gevallen, waar een vrije economie eis van het ogenblik is.

Een socialist is voorstander van socialisatie, ook al wordt het beoogde resultaat (productie niet alleen ten eigen bate, maar ook ten algemene nutte) beter langs andere weg bereikt.

Men ziet uit de genoemde voorbeelden, dat de fout niet alleen te zoeken is bij rechtse of conservatieve partijen, maar evenzeer bij de linkse of progressieve partijen. (Wanneer gooien wij de woorden links, rechts, conservatief en progressief en meer van die nietszeggende dooddoenders over boord?)

In de laatste tijd is in de socialistische wereld een soortgelijke strijd ontstaan over vrije of geleide economie. Doordat de distributie op verschillende artikelen gelukkig kan worden afgeschaft en ook omdat de economische tol-unie der Benelux haar licht of schaduw vooruitwerpt, wordt de mogelijkheid groter om de teugels van het economisch beleid te laten vieren.

De reactie is tweeërlei; Enerzijds de juichkreten der doctrinaire aanhangers ener vrije economie, die alles willen passen in haar gedachtenschema van de vrijheid, de volledige vrijheid in het economisch leven. Anderzijds de protesten van de evenzeer doctrinaire aanhangers van de geleide economie, die alles willen passen in hun schema van gebondenheid. En deze beide groepen met oogkleppen aan, hebben eigenlijk niet in de gaten, dat zij in het wilde weg voortdfaven. Want zij overzien het simpele feit, dat de werkelijkheid zich geen zier stoort aan onze gedachtenschema’s. In sommige gevallen is vrijheid nodig, in andere binding. De overheid moet het economisch leven niet per se willen vrijlaten, maar het ook niet per se willen binden. Zij moet het economisch leven richten op de juiste manier. En in dat richten past een bepaalde mate van vrijheid en een bepaalde mate van binding.

Daarom is het woord gerichte economie een vondst. De woorden vrije en geleide economie hebben langzamerhand een magische klank gekregen, met alle narigheid en onvrijheid van beslissing daaraan verbonden. Het woord gerichte economie is voorlopig althans nog vrij van vooringenomenheid.

Wat nu deze gerichte economie inhoudt? Dat valt niet zonder meer te zeggen. Het zal betekenen, dat overal, waar het algemeen belang zulks eist niet alieen op korte, maar ook op lange termijn vrijheid en binding als middelen in de hand der overheid zullen worden gebruikt. Momenteel is een strakke loon- en prijspolitiek eis van zulk een gerichte economie, evenals het zoveel mogelijk vrijlaten van goederen zulks is, ook al wordt de ongelijkheid tussen de mensen door het loslaten der distributie weer meer zichtbaar. Momenteel is een consumptiebeperking (met alle hatelijke bijgeluiden van „uitwijkmogelijkheden”) eis van het ogenblik, moet

een spaarpolitiek gevoerd worden, om het ons mogelijk te maken tot investeringen te komen, maar over 5 jaar kan het zo zijn, dat de consumptie (in de meest ruime zin genomen, dat is dus veel meer dan eten en drinken) moet worden opgevoerd en het sparen tegengegaan. De overheid moet voortdurend op haar qui vive zijn om het roer „om te gooien”, als zulks nodig is. Dus een laf opportunisme?

Dit argument van de beginselvaste mensen is een dwaas argument. Het onderschat de gecompliceerdheid van de maatschappij en de beweging in ons economisch bestel. Natuurlijk kan men het niet opportunistisch noemen als men ’s winters de kachel aansteekt en de ramen dichthoudt, ’s zomers daarentegen de kachel laat uitgaan en de ramen openzet. Zo is het ook met de hantering van het „economische zwaard” (dat de Overheid niet tevergeefs draagt). Er is geen recept te schrijven voor alle tijden en gelegenheden. Van moment tot moment zal dit zwaard gehanteerd moeten worden. Daarom zijn de beginselen vrije of geleide economie geen beginselen. Zij zijn slechts frasen, waarmede wij erg voorzichtig moeten zijn en die wij vooral geen geestelijk of politiek jasje moeten aantrekken. Daarom zullen wij ook voorzichtig moeten zijn met het woord gerichte economie al heeft dat woord voor het ogenblik nog het voordeel van het onbesmet zijn.

De „die-hards” van beide kanten zullen er op springen. De conservatieven zullen het te „geleid” vinden en de progressieven te „vrij”, laten wij als socialisten van de nieuwe tijd, d.w.z. vrij van het keurslijf van een verouderde doctrine, ons niet laten dringen in een extreme positie.

„Trouw” schreef kortgeleden over lieden (waartoe ik de eer heb mijzelf te rekenen), lieden, die het doctrinaire van hun partij tot voorwerp van critiek maken. „Trouw” rekent het tot de kleurloze middenstof, de groep der politiek-niet-bewusten. Daar kan ik slechts dit op zeggen: Mijne heren, als jullie met oogkleppen willen draven door het Nederlanse leven, dan is dat jammer voor u en ook wel voor het Nederlandse volk, want wij hebben mensen nodig, die zeker als zij zich christen noemen vrij kunnen staan van doctrine en traditie. Vrij, niet omdat zij geen eerbied zouden hebben voor een bepaalde keuze, maar juist, omdat zij die politieke keuze niet willen laten koppelen aan een niet aan de omstandigheden aangepast stel van economische en sociale maatregelen. Een stelsel van vrije of geleide economie kan een „diensthuis” zijn, waaruit wij uitgeleid zijn, als wij christen zijn.

Drs J. G. V. d. PLOEG

AFSCHEID

IDA G. M. GERHARDT

Goudstof van vlinderwieken, welhaast is het vergaan; der vogelen zoet muzieken, welhaast is het gedaan.

En in de vruchten slaapt het zaad. Toon mij nog ééns uw schoon gelaat, éér straks in ’t graan de maaiers staan,

éér 's nachts de vogels overgaan, o zomer, éér gij gaat.