is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1948, no 11, 04-12-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Oorlog en geweten

1

De zaak van de drie mariniers die tot gevangenisstraffen van 2i tot 1 jaar zijn veroordeeld, omdat zij hebben geweigerd uitvoering te geven aan een bevel om een gedeelte van de kampong Soetodjaja bij Malang plat te branden, blijft de publieke belangstelling trekken. Ds Buskes komt de eer toe als eerste deze zaak voor het voetlicht te hebben gebracht en het is te wensen, dat zijn bemoeiingen om voor de mannen recht te verkrijgen, met succes zuilen worden bekroond.

De feitelijke toedracht van de zaak mogen wij na alles wat er reeds over is gepubliceerd, bekend veronderstellen. Na diepgaand onderzoek en aanboren van alle terzake deskundige bronnen, lijdt het geen twijfel, dat in dit geval een volkomen onrechtmatige représaille-maatregel is bevolen tegen een weerloze burgerbevolking. Wanneer het vonnis van de Zeekrijgsraad, in hoger beroep bevestigd door het Hoog Militair Gerechtshof in Indonesië, spreekt van „militaire noodzaak” dan gebeurt dit op gezag van één enkele getuige, namelijk van de kapitein die de gewraakte order gaf; de vele getuigen wier indruk was, dat hier een représaille werd toegepast, zijn niet aan het woord gekomen. Onder deze laatsten is o.a. de directe chef van de kapitein. Het is echter niet mijn bedoeling opnieuw in de zaak zelve te treden, maar ik vraag nu aandacht voor de verschilleftde opvattingen welke de term „militaire noodzaak” toelaat en welke de consequenties zijn van het aanvaarden van het begrip, hetgeen iedereen die zich tot op heden in de discussie mengde, kennelijk doet.

Algemeen is men van oordeel, dat de Zeekrijgsraad zich terecht heeft af gevraagd of van militaire noodzaak dan wel van représaille moest worden gesproken, en de beslissing omtrent het al of niet schuldig verklaren van de drie mariniers van het antwoord op deze vraag heeft laten afhangen. Ds Buskes stelt het probleem op gelijke wijze; hij bestrijdt slechts de juistheid van de keus welke de krijgsraad maakte.

Ik ben zo vrij het met deze probleemstelling oneens te zijn. Het geval in kwestie speelde zich af vlak na de politionele actie, in Augustus 1947. Nu impliceert reeds het woord „politioneel” naar mijn mening, dat er nooit sprake kan zijn geweest van een oorlogstaak en dus ook nooit van „militaire noodzaak”. Zeker waar de politionele actie reeds was beëindigd kan er alleen maar sprake zijn geweest van politiewerk, en dus van „politionele noodzaak”.

Dit mag haarkloverij schijnen, in werkeiijkheid heeft deze onderscheiding voor de toepassing van het strafrecht een zeer groot belang. Het Wetboek van Strafrecht kent namelijk de onderscheiding tussen een bevoegd, en een onbevoegd gegeven ambtelijk bevel; het eerste is een verschoningsgrond voor een handeling welke normaliter een misdrijf zou opleveren, het tweede niet. Deze bepaling is toepasselijk op iedereen, ook op een miUtair, maar daar het Wetboek van Militair Strafrecht zodanige bepaling niet kent, komt men voor de practijk voor militairen op de regel dat ieder bevel, mits gegeven ter uitvoering van een oorlogshandeling, wordt beschouwd als bevoegd te zijn gegeven. Alvorens dan ook Rauter c.s. naar Nederlands recht konden worden berecht, moest eerst artikel 43 van het Wetboek van Strafrecht op hen toepasselijk worden verklaard.

Met het oog op het karakter van het optreden der Nederlandse troepen in Indonesië zou het aanbeveling verdienen, dat zulks eveneens uitdrukkelijk zou geschieden voor de Nederlandse militairen aldaar. Eerst dan zou voor iedereen, niet in het minst voor de militairen zelf, duidelijk zijn, dat onze krijgsmacht daar een politietaak vervult en geen oorlogshandelingen bedrijft. Zolang dit niet is geschied moet de militaire rechter zich op het standpunt stellen, dat onze troepen daar oorlogvoeren en alle consequenties van dat standpunt aanvaarden. Zodra wij echter beseffen wat die consequenties zijn, kunnen wij niet anders doen dan ons in afgrijzen afwenden; ik vermoed dat de militaire rechter, die de drie mariniers veroordeelde, dat eveneens zou hebben gedaan wanneer hij de voile draagwijdte van zijn vonnis had beseft.

Ik ben namelijk van mening dat de zaak van de drie mariniers veelal in een verkeerd licht wordt gezien. Beziet men hen als deelnemers aan een politioneel optreden, dan hebben zij in dit geval terecht geweigerd en hadden zij moeten worden vrijgesproken. Beziet men hen echter als leden van een krijgsmacht onder oorlogsomstandigheden (hetgeen de militaire rechter formeel juist, maar moreel ten onrechte deed), dan hadden zij onder alle omstandigheden moeten worden veroordeeld, zelfs tot nog veel zwaardere straf dan thans is geschied. Want de krijgsmacht die in de moderne oorlogvoering zou toestaan, dat het opvolgen van bevelen afhankelijk wordt gesteld van persoonlijke overwegingen, kdn uit de aard der zaak niet eens bestaan; een moderne oorlog is een „totale oorlog”. Deze ontziet niets en niemand, ook niet het menselijk geweten, en maakt ailes en iedereen ondergeschikt aan zijn eigen doel en wezen.

Nu zal niemand willed beweren, dat Nederland in Indonesië tegen de Republiek een totale oorlog voert. Wil men echter objectief blijven, dan zal men in onZe tijd een keuze moeten maken tussen „politioneel optreden”, dat is dus gewelddadig optreden met in acht nemen van civiele maatstaven, en „militair optreden”, dat is dus totale oorlog met volkomen ter zijde stellen van alle maatstaven behalve die der utiiiteit. Voor de lezers die een middenweg zoeken tussen uitersten volgt hier een nadere beschouwing.

Toen in de tweede helft van de vorige eeuw pogingen werden gedaan om de oorlog, voor zover mogelijk, te humaniseren, was oorlog nog een verschijnsel, dat zich op een min of meer beperkt terrein afspeelde. De soldaten waren de voornaamste deelnemers aan dit bloedig bedrijf en behalve zij die toevallig op het gebied woonden waar een veldslag woedde, waren er weinig mensen die directe materiële schade uit de ooriog leden en die aan enig lijfsgevaar blootstonden. Daarom scheen een poging om dit in om vang zeer beperkte bedrijf aan enige regels te binden, een stap te zijn op een goede weg.

De eerste wereldoorlog maakte echter elk oorlogsreglement tot een aanfluiting en de tweede, die kort daarop volgde, maakte aan iedereen duidelijk, d.at modern oorlogsgeweld geen begrenzingen kent (de atoombom). Vanaf de Augustusmorgen in 1945, toen de eerste atoombom Hiroshima van de kaart veegde, moet het toch voor iedereen zonneklaar zijn, dat een poging om de moderne oorlog aan regels te binden hoogstens een medelijdende giimlach waard is;

men kan met evenveel kans op succes een struikrover verzoeken zich in het vervolg aan de Queensberry Rules * te houden. Daar heden ten dage in het internationaal verkeer vooralsnog alleen de wetten van de jungle gelden, kan toch niemand zo naïef zijn om te geloven, dat een mogendheid die in de atoombom een middel bezit om haar tegenstander in geval van oorlog haar wil op te leggen, zal nalaten zich van dit beslissende vernielingsmiddel te bedienen. Deze atoombom nu is het laatste woord op het gebied van niets en niemand ontziende vernieling.

Laat ons dit met een zeer extreem voorbeeld toelichten. Stel u voor een machine-bankwerker die een vitale functie vervult in een fabriek van bombardementsvliegtuigen. Een vijandelijk vlieger werpt een aantal bommen op de fabriek en omgeving, en bij dit bombardement wordt deze arbeider zodanig verminkt, dat hij nooit meer zal kunnen werken, zodat hij dus voor de oorlogsproductie is uitgeschakeld; en passant heeft de vlieger met zijn bommen ook de dokter die het slachtoffer zou hebben kunnen helpen, gedood, het ziekenhuis waar hij had kunnen worden verbonden en verpleegd, door een voltreffer vernietigd, en de geestelijke die zich derwaarts spoedde voor het verlenen van geestelijke bijstand, onherkenbaar verminkt. Volgens modern oorlogsrecht is deze vlieger geen oorlogsmisdadiger.

Maar dan kan men toch moeilijk volhouden dat de infanterist, die volstaat met de eerstgenoemde arbeider de handen af te hakken, eveneens met het doel de vijandelijke productie te belemmeren, wel een oorlogsmisdadiger moet worden genoemd? Of moet men van deze laatste eisen, dat hij een bevel van deze strekking als onbevoegd van de hand moet wijzen, terwijl volgens geen enkele regel de man, die de atoombom wierp op Hiroshima, het recht had zich van de uitvoering van deze opdracht te verschonen? Toch wist hij, dat hij een gehele stad, ziekenhuizen en bordelen, kerken en koffiehuizen, moeders, zuigelingen, blinden en gebrekkigen, dokters en verpleegsters in één oogwenk tot moleculen zou verpulveren. Geen enkel bestaand menselijk recht erkent op dit gebied gewetensbezwaren en een recht dat zulks wel zou doen, zou in tijd van oorlog gevoegd worden bij de lange droeve reeks van waardeloze bundels papier. Dit is een puzzle waar men misschien wel theoretisch maar zeker niet practisch uitkomt.

Er is voorshands voor dit alles maar één oplossing. In een moderne oorlog, zijnde dat een totale oorlog, is alles geoorloofd en de militair die in zo’n oorlog enig bevel, welk dan ook, nietopvolgt, is strafbaar; hij moet zo zwaar worden gestraft dat niemand lust zal gevoelen zijn voorbeeld na te volgen. Want hebben wij eenmaal de vraag of oorlog ooit wel gerechtvaardigd kan zijn, bevestigend beantwoord, dan rest ons niets dan om de gehele bittere weg van alle daaraan verbonden consequenties tot het einde toe te gaan.

Deze uiterste consequentie, het gebruik van de atoombom, ligt ver van ons uitgangspunt, de drie mariniers in de kampong Soetodjaja. Ik heb slechts zover willen gaan, omdat ik trachtte aan te tonen, dat de moderne oorlog het menselijk geweten tot

* De regels voor de bokssport.