is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1948, no 12, 11-12-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VELAZQUEZ. (1 599 -1660) – MANNENKOP

Opium voor het volk

Er is misschien geen woord van Karl Marx, dat feller bestreden is dan dit, dat godsdienst opium voor het volk is. En nog altijd is het voor de orthodoxe marxist eigenlijk een waar woord, want al wordt dan de godsdienst als zodanig getolereerd (mits blijvend binnen de kerkmuren), in feite is er toch geen mogelijkheid om èn marxist èn godsdienstig te zijn.

In het raam van zijn tijd gezien had Karl Marx niet helemaal ongelijk. Ongetwijfeld: er waren ook toen Christenen, die nuchter en wakker waren en die geen genoegen namen met de historisch gegroeide uitbuiting en onderdrukking van het overgrote deel van het volk. Maar de prediking van die dagen was slaapverwekkend en dus inderdaad opium voor het volk. Slaapverwekkend, omdat die prediking kwezelde over het geluk van de vrome ziel in het hiernamaals en berusting van de arme in zijn van God gegeven lot. De ontkerstening

ls niet door Marx gepropageerd, maar door hen, die’ verantwoordelijk waren voor dit gefemel. Dat in Nederland het grootste deel van ons volk niet meer regelmatig in de kerk komt, dat in Engeland nog maar 20 pet ter kerke gaat, dat in Frankrijk en België slechts 5 pet zijn „Pasen houdt”, komt o.a. omdat in de vorige eeuw en helaas ook nu nog wel niet het Evangelie van God gepredikt wordt, maar opium wordt verstrekt voor de gezapige kerkganger, die gerust naar bed ’wil gaan en die niet verontrust 'wil worden met het vlammende woord van God, dat een tweesnijdend zwaard is en dat getuigt van Hem, die gekomen is niet om berusting te prediken en liefelijke vrede, maar het zwaard en strijd. De Christenen zijn geen horde slaperige schapen, die de warme stal opzoeken, maar een militia Christi!

Gelukkig die gemeenten, waarin het radicale woord van God weer kan worden ge-

hoord. Want daar is de godsdienst geen opium meer voor het volk, maar het ontnuchteringsmiddel. Daar ontwaakt men uit de slaap en gaat leven. Leven ook in deze maatschappij, deze Godverlaten maatschappij, ter ere van God. En werken werken, omdat men het niet laten kan. Omdat men niet kan berusten in het onrecht, in de leugen, in de uitbuiting, in de knechting, in het geweld, in de onbarmhartigheid, in al dat Godvergetene.

Opium voor het volk. Dat is niet alleen de Godsdienst geweest. Maar dat was en is evengoed elk dood systeem, waaraan de mens eer bewijst. Elke vorm van idealisme, waarin de mens gevangen is. Ook de gelovige mens, hoewel hij uit dat diensthuis verlost, is en geen andere góden mag dienen dan de God en Vader van Jezus Christus.

Telkens loopt men in het huidige Nederland weer mensen tegen het lijf, die opiumrokers zijn geworden. Ze hebben zich laten inkapselen in een gesloten systeem van... noem maar op: souvereiniteit in eigen kring solidarisme —■ socialisme federalisme anti-militarisme en andere -ismen. Zij zijn niet meer de heer over hun eigen gedachten. Heer is het systeem, het ideaal. En al is geen kwaad te zeggen van al de bovengenoemde -ismen op zichzelf, het kwaad begint daar, waar de mens niet meer vrij is, onafhankelijk van zijn ideaal, van zijn systeem op te treden. Dan is hij in de knechtschap gekomen van het opiumschuiven. Dan is hij afgodendienaar geworden, ook al is dat ideaal nog zo verheven van aard en ook al zou het zaak zijn, dat wij allen als dienaren van Christus warmliepen voor het uitdragen van gedachten, die overeenstemming hebben met de idealen, die worden aangehangen.

Maar als Christenen, ook als Christensocialisten, zullen wij ons onder de knechtschap van niets en niemand laten brengen, ook niet van het democratisch of personalistisch socialisme. Dat betekent niet, dat wij niet langer socialist zouden blijven. Integendeel: het betekent misschien juist, dat wij het als opdracht van onze Heer voelen daarom juist socialist te zijn. Maar dan in het besef, dat wij over dat systeem de baas zijn en dat wij geen enkele consequentie uit dat systeem voortvloeiende zonder meer aanvaarden, maar steeds zullen toetsen aan onze roeping van Gods wege in wereld en leven.

Zo zullen wij ook onze broeders in het nietsocialistische kamp tegemoet moeten treden. Niet met het verwijt, dat zij ons ideaal en ons systeem niet aanhangen, maar met de verkondiging van het „staat dan in de vrijheid”! En zij zullen dan in geweten moeten beslissen zoals ook wij of zij hier en nu de weg moeten vervolgen, waarop zij wandelen.

Daarom mogen wij niet politiek-dogmatisch of politiek-doctrinair gaan doen. Ik geloof ook, dat wij niet zonder meer elke vorm van „Christelijke” organisatie moeten afwijzen, maar alleen telkens aan de voorstanders daarvan vragen, of zij nog wel vrij staan en of zij geen opiumschuivers zijn geworden.

Tot besluit een verkort citaat uit één der werken van Karl Barth, geciteerd door prof. Van Niftrik in zijn mooie boek over „de beroerder Israëls”:

„Nuchter is het tegendeel van dronken. De ergste dronkenschap is het zwelgen in bepaalde ideeën, principes en programma’s, terwijl de belangrijkste nuchterheid bestaat in het aanvatten van bepaalde concrete taken door een mens. Dat men een weinig wijn zal drinken, ter wille van een zwakke maag, dat staat