is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1948, no 13, 18-12-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Chinese dwangpositie

Toen generaal Marshall voor twee jaar in de Verenigde Staten kwam, na zijn ambassadeurschap in Tsjoengking, werd het al spoedig bekend, dat zijn oordeel over de regering van maarschalk Tsjang Kal Sjek en zijn omgeving niet zeer gunstig was: de Kwomintang waarop deze steunde, had geen betekenis als politieke partij, maar was een apparaat, dat zeer gebrekkig door een corrupte bureaucratie werd bestuurd. Het had geen zin meer deze regering in belangrijke mate met geld of wapenen te steunen tegenover de communistische groepen, die in Noord-China grote streken beheersten, want hulp kwam niet aan geheel Zuid-China te goede, doch het geld verdween in de zakken van weinigen, evenals deels de opbrengst der wapenen, die meermalen aan de communisten worden verkwanseld. Deze kijk van de wijze Amerikaanse staatsman is nu volkomen door de feiten bevestigd: slag op slag wordt door de Tsjang Kal Sjek-legers verloren, de verkiezing van een uit meer dan duizend leden tellend parlement, heeft geen uitingsmogelijkheid aan ontevreden groepen gegeven, de corruptie is groter dan ooit en alles wijst op een ineenstorting van een regime, dat in de strijd op leven en dood met Japan groot geworden is en in staat bleek alle krachten om zich te verzamelen, maar thans blijkbaar onmachtig is de sociale en politieke problemen van dit enorme rijk met zijn 450 millioen inwoners op te lossen. Bijna de helft van China is nu verloren gegaan en de Jangtse-rivier, de grote levensader en Nangking, de traditionele hoofdstad van het Zuiden, worden ernstig bedreigd.

Tsjang Kai Sjek doet wanhopige pogingen zich nog staande te houden. In het overgebleven deel van het Rijk heeft hij de staat van beleg afgekondigd. Zijn over de gehele wereld bekende echtgenote heeft hij naar de Verenigde Staten gezonden, waar zij echter maar net met de eerbewijzen ontvangen is, die aan de echtgenote van een staatshoofd verschuldigd zijn, eh ove-

rigens zonder enige warmte of geestdrift. Er zijn natuurlijk altijd wel enige politieke kringen, die speciale belangstelling voor het Verre Oosten hebben en die in de afgelopen jaren dan ook herhaaldelijk geprotesteerd hebben tegen de veel krachtiger financiële steun aan Europa dan aan China, maar veel invloed hebben zij niet; te minder omdat Amerika thans Japan en Zuid-Korea strategisch en economisch zo sterk in zijn greep heeft, dat het een al te overwegende invloed van Rusland van daaruit kan tegengaan.

De vergadering der UNO in Parijs besliste zo juist in voor de USA gunstige zin over de hangende problemen.

Wat China bij monde van zijn ambassadeur, Wellington Koo, gevraagd heeft, is een morele steun als bolwerk tegen het communisme, verhoging en versnelling van de militaire bevoorrading en zending van een belangrijke Amerikaanse generaal, om de bevoorrading, opleiding en strategie van het Chinese leger te leiden. Een en ander zou drie jaar lang een milliard dollar per jaar kosten, waarvan in 1949 60% aan militaire uitgaven zou worden besteed; bij verbetering van de militaire toestand zou de volgende jaren een groter deel aan economische doeleinden besteed kunnen worden. Ondanks Marshall’s gegronde wantrouwen in het huidige Chinese regime, staat de Amerikaanse regering hier voor een moeilijke keuze: Een regering steunen, die zij onbekwaam acht en zich daarmee bovendien het verwijt op de hals haalt, dat deze steun aan corrupte dictaturen Amerika’s democratische traditie onwaardig is; óf China overlaten aan de enige groep, die èn het morele gezag bij de bevolking èn de onmisbare machtsmiddelen bezit, op gevaar af, dat deze groep door de grote tegenstander op het wereldtoneel wordt gebruikt.

Want het merkwaardige is in China, dat het communisme daar een groot moreel gezag heeft, in tegenstelling tot Oost-Europa: het brengt een zekere sociale rechtvaardigheid, zijn troepen plunderen niet, zijn generaals verrijken zich niet, zijn ambtenaren zijn niet omkoopbaar, dat is voor een deel ook oorzaak van zijn successen. Maar dit betekent ook, dat het communistische ideaal hier nog niet, zoals

elders, aan de machtspolitiek, de bureaucratie en de groepsdictatuur ten onder is gegaan. Sommige waarnemers achten het meer verwant aan de sociaal-democratie in het begin van deze eeuw in Europa dan aan het hedendaagse Stalinisme; mogelijk speelt de zeer sterke eeuwenoude gemeenschapsethiek van het Chinese volk hier ook een rol. Dit betekent, dat dit Chinese communisme ook geen slaafs werktuig in Russische handen kan zijn en dat bij pogingen om het wezenlijke waarden aan de tactische belangen van de Sowjet-Unie te doen opofferen, waarschijnlijk op een Titorebellie van enorme omvang zou uitlopen. Gezien de idealistische fase, waarin het Chinese communisme verkeert, is het ook geenszins ondenkbaar, dat het een volksfront-coalitie zal willen vormen met kleinere oppositionele groeperingen, als de socialisten, de christenen en de jongeren uit de linkervleugel van de Kwomintang, zonder overrompelingsbedoelingen. Een dergelijke oplossing zou voor de politiek van Moscou belangrijk ongunstiger zijn dan de situatie der laatste twee j aar, omdat dan èn de zuiver-communistische regering in Noord-China in deze coalitie zal zijn opgenomen èn de propaganda-mogelijkheden tegen alle tekorten van Tsjang Kaa Sjeks regime en de Amerikaanse steun daaraan vervallen.

Anderzijds wordt de verleiding van de Amerikanen om Tsjang Kai Sjek te steunen wel heel groot nu hun zozeer de volledige militaire leiding wordt aangeboden als thans geschiedt. Ook zal daarbij zeker de vraag worden overwogen, of het Chinese communisme niet politiek zo naïef is, dat de Russen er zeer ongemerkt aan de touwtjes trekken. Doch beslissend zal wellicht voor de Amerikaanse houding zijn, de kwestie, die Marshall’s beleid als opperbevelhebber in de Tweede wereldoorlog ook altijd beheerst heeft, dat het altijd gevaarlijk is twee dingen half te doen: het Europese herstel is nu eenmaal voor het Marshallplan een Amerikaanse erezaak en een groot belang voor de vrede tevens; en alleen indien de U.S.A. de dubbele verantwoordelijkheid, economisch, militair en op het terrein van personeelsbezetting volledig aan kan, zal Washington zich werkelijk diep in de Chinese zaak steken. W. VERKADE.

vinden moesten zelfs in een vergadering, die haar onmacht bitter demonstreerde. Er zitten aan deze zaak andere kanten. Bijv. wat wij vanuit het Evangelie over deze zaak moeten denken. Politiek realisme doet ons zeggen, dat in een confessioneel gedeelde wereld, waarin het Christendom overigens een zwakke factor is, niet meer te bereiken is, en het is al wat, dat de afleiding van de mensenrechten uit de Natuur is geschrapt. Godsdienstig gesproken zeg ik enerzijds: de basis is wel heel zwak; anderzijds: laten de Christelijke volken of groepen hün kracht, hun hongeren en dorsten naar gerechtigheid, hun liefde tot den naaste, hun broederschapswil gieten in deze gebieden van het politieke, sociale, economische en geestelijke, opdat de wereld zie wat Christenen vermogen uit kracht van Hem Dien zij eren. Dat is mij liever, het is ook vruchtbaarder, dan getheologiseer over formules.

Ik noemde de Verklaring van 1948, ondanks alles een daad. Maar zij vraagt om reële toepassing op de genoemde terreinen. Daar moge de daad der Christenen een teken oprichten, dat heen wijst naar diepten en vreugden, waarvan deze Verklaring niet weet. W. B.

Pakisadji

De volgende giften werden nog door mij ontvangen; /1.—; A. J. K. te ’s-Gr., G. D. te A., mevr. de L. tc B„ P. C. V. N. te L.; ƒ2.50: T. N. v. d. N. te A., J. V. S. te A., M. A. B.—A. te U„ Q. O. te H., N. G. D. te A., drs C. D. S. te ’sGr.; ƒ5.—: B. J. H. te H., A. M. H. te H., J. G. te E., C. R. te E.. H. de J. te H., J. J. F. te R. en J. V.—H. te ’sGr.; ƒ5.50: ir J. F. D. en N. N. te R.; ƒlo.—: J. C. V. d. H. te G., W. J. K. te A., A. Z. te A., J. F. H.—B. te R., F. J. L. S. te A., N. N.; ƒ2o. : O. V. A.—D. te F.; ƒ25. :mrF.A.v.T. te L. Alle gevers hartelijk dank. Tintorettostraat 39, A’dam-Z. J. J. BUSKES Jr