is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1948, no 13, 18-12-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oorlogsjaren in Oost-Pruisen en ik moet zeggen, dat ik iedere Russische soldaat, die ik ontmoette, een vriendelijkheid bewezen heb, omdat ik dacht: „misschien zal een Russische moeder mijn zoon, die in Rusland vecht, ook een vriendelijkheid bewijzen.” Het was moeilijk om aan deze vrouw uit te leggen, hoe totalitair een oorlog zijn kan. Hoe het in Nederland onmogelijkheid was vriendelijkheden aan Duitse soldaten te bewijzen, ten eerste omdat men zich daarbij gelijkstelde aan de N.5.8.-ers en ten tweede, omdat we nooit wisten of die individuele Duitser een verrader was of niet. We hadden immers allemaal mensen te verbergen in onze huizen!

In de oorlogsjaren heeft de gedachte, dat ik niet meer „menselijk”, niet meer liefdevol zijn mocht in bepaalde gevallen, me zeer zwaar gedrukt. Nooit vergeet ik de folterende pijn, toen ik iemand heb moeten verraden, om anderen te kunnen redden. Het was of ik gekneveld was door een boze geest, die vals schaterde, dat hij me in zo’n prachtige situatie had gebracht. Niet meer menselijk mogen zijn, niet meer menselijk kunnen zijn, dat is oorlog. Geen wonder dat de gedachte aan dit lijden weer fel boven kwam, nu ik voor ’t eerst na de oorlog Duitsers de hand gaf. Maaf een grote troost is het voor mij geweest, dat vele Duitse christenen deze zelfde pijn gekend hebben, dat ook zij zich in de handen van demonische machten hebben geweten. En ik heb goddank verschillende Duitsers ontmoet, die een diep gevoel van schuld hadden, omdat hun geloof in Hitler deze demonen had ontketend.

In Dachau waren twee lijsten: een dodenlijst en een werkerslijst. ledere dag werden streepjes doorgehaald op de werkerslijst en bijgeschreven op de dodenlijst. Maar wat, als men nog niet dood was en toch niet meer kon werken? U weet het antwoord. Een streepje een mens.

In Landsberg zitten sinds twee jaren de ter dood veroordeelde Duitse nazi’s. Niemand van hra weet, wanneer zij opgehangen zullen worden. Twee jaar lang iedere dag de dood verwachten is lang. Zes weken geleden is men plotseling begonnen iedere week tien veroordeelden op te hangen. Dat gaat automatisch, volgens de lijst. De protesten van de kerken zijn niet aanvaard. In het „Sonntagsblat” van dr Hans Lilje las ik een felle aanklacht van de gevangenispredikant. „Hier is geen menselijkheid meer”, zo schreef hij, „hier is alleen techniek. Hier is de mens alleen een naam op een lijst.”

De duivel, die de mens haat, is internationaal. We zien hem aan ’t werk bij de Duitsers, bij de Amerikanen, bij de Russen, bij de Hollanders. Men vroeg mij in Duitsland bijzonderheden over het geval van de drie mariniers in Indië, die geweigerd hadden een bevel uit te voeren. Het was in een volle zaal, dat mij deze vraag gesteld werd en ik kon niet anders doen, dan schuld belijden- als Hollander. Toen vroeg een Duitse vrouw: „Ik heb gelezen, dat er een politieke partij is in Holland, die geprotesteerd heeft tegen dit bevel. Bent u daar lid van?” Goddank dat ik ja kon zeggen! Deze tien dagen in Duitsland, waarin we als team in twaalf verschillende bijeenkomsten gesproken hebben, hebben mij deemoed geleerd als Hollander. En dit is mijn ervaring: hoe dieper ik zelf mijn schuld als Christen-in-oorlogstijd voelde, hoe nadrukkelijker de Duitse christenen van hun schuld getuigden. Vooral in Hamburg voelde ik mij beschaamd door de wijze, waarop enkele predikanten hun gemeenteleden wezen op de schuld van Duitsland tegenover Holland.

Of ik dan geen andere Duitsers heb ontmoet, die van schuld niets wilden weten? O ja, ook wel. Maar het merkwaardige is, dat ik hen nooit zelf behoefde te beantwoorden. In alle drie samenkomsten, waarin ex-officieren de bezetting van Holland gingen goedpraten, stond een andere Duitser op om hen te bestraffen. En toen een burgemeester zijn toespraak tot ons begon met de woorden: „We zullen niet meer samen praten over wat er gebeurd is, maar alleen over wat we als Christenen nu verder voor de wereld kunnen doen”, toen was het een dokter uit zijn gemeente, die hem naderhand in een persoonlijk gesprek fel de les las.

Ik heb al veel verslagen van reizen door Duitsland zien eindigen met de woorden: „de Duitsers hebben nog niets geleerd”. Daarom ben ik dankbaar dat ik kan schrijven: „de meeste Duitsers, die ik ontmoet heb, hebben veel geleerd”.

Wat ze echter nog niet geleerd hebben, dat is: zich te bemoeien met de politiek. Slechts enkelen voelden hun nieuwe verantwoor-

delijkheid tegenover de wereld. In sommige kerkelijke samenkomsten voelde ik een „weltfremd” piëtisme, dat me beangstigde. Een groep van vijftig predikanten en onderwijzers gaf ons een half uur tijd om te spreken, daarna werd de gehele avond gewijd aan een bijbelbespreking. Wanneer ik, na over de oorlog gesproken te hebben, vertelde van „de nieuwe koers” in de N. H. Kerk, van „Kerk en Wereld”, van de „doorbraak”, dan was er een beleefde aandacht. Maar de vragen gingen nooit daarover. Behalve in een samenkomst met pl.m. 400 vrouwen. Daar was ineens een felle belangstelling voor wat we kunnen doen om het ontstaan van de demonische oorlogsmachten te onderscheiden en tegen te werken. Vele vrouwen kwamen me de hand drukken en bedanken, omdat,ik hen had aangeraden zich veel meer met de politiek te bemoeien.

Zie hier dan enkele van mijn ervaringen, opgedaan in enkele Evangelische kerken van West-Duitsland.

MARY J. DE GEUS—SMELT

DE WAARHEID NIETS DAN DE WAARHEID

El’ is ten slotte althans iets officieels bekend geworden over de gebeurtenissen op Celebes. Wij herinneren onze lezers even aan de feiten, omdat de mededeling van de minister ad interim, Götzen, zoals men deze in de kranten van 7 December heeft kunnen lezen, uitmunt door vaagheid.

In de weekbladen van 5 Juli 1947 verschenen alarmerende berichten over feiten, geschied tussen December 1946 en Februari 1947. Een zekere kapitein Westerling zou in Zuid-Celebes, bij wijze van executie en straf een aantal mensen gedood hebben, zonder vorm van proces, waaromtrent de schattingen tussen de 10.000 en de 40.000 liggen. De lezer wordt verzocht even op deze welsprekende data te letten:

le. de geïncrimineerde feiten Dec.—Febr. 1946—1947;

2e. Commissie van onderzoek, ingesteld door dr Van Mook, April 1947;

3e. alarm in de weekbladen 5 Juli 1947; interpellatie prof. Logemann, 8 Juli 1947;

4e. politionele actie begint 20 Juli 1947. Hierbij speelt kapitein Westerling een belangrijke rol. Op 20 Juli is hij belast met de arrestatie van minister Gani en spreek de historische woorden: „Ze noemen mij de Turk”;

se. de naam van kapitein Westerling wordt opnieuw genoemd als verantwoordelijk voor zekere schandalen bij Tjikalong (beschuldiging: 150 inwoners gedood, 165 huizen in vlammen, rijstvoorraad vernietigd). T)it zou gebeurd zijn begin 1948. Generaal Spoor zegt een onderzoek toe Juli 1948;

6e. Het rapport ligt ter vertrouwelijke inzage voor de Kamer. De minister tilt een tipje van de sluier op, 7 Dec. 1948.

Als het de lezers gaat duizelen, dan nog deze samenvatting: Het schandaal Februari 1947; Commissie April 1947; en dan een lange stilte: in December 1948 deelt de regering nog niet aan haar volk de inhoud van het rapport mede, maar kondigt aan, dat er nu een nader onderzoek zal worden ingesteld in strafrechtelijke zin.

Ben ik, zo vraag ik mij angstig af, nu de enige Nederlander, die mij bij deze gang van zaken voel opgelicht en bedrogen en behandeld als een onmondig kind, dat maar moet geloven dat vader en moeder het goed met hem voor hebben, maar dat niet zoveel moet vragen.

Ik stel mij een eenvoudig man voor, die des avonds zijn krantje leest. Was hij op de Volkskrant geabonneerd, dan kon hij deze week 8 XII) de regeringsmededeling lezen onder de kop: „Ongeregeldheden op Celebes worden nader onderzocht”, maar aangezien in de tekst de datum der ongeregeldheden niet wordt genoemd, moet hij wel denken, tenzij hij een ijzersterk geheugen heeft of knipsels bewaart, dat die ongeregeldheden onlangs hebben plaatsgevonden en hij is tevreden over zijn regering, die zo nauwgezet en rechtvaardig elk vermeend kwaad onmiddellijk onderzoekt (voor rekening van het A.N.P.)

Is hij geabonneerd op H.V.V., dan leest hij de kop: „Rapport Zuid-Celebes wordt niet publiek. Nu vertrouwelijk in de Kamer”. In dit artikel komt in elk geval een datum voor en in een redactioneel artikel wordt voorzichtig geklaagd, dat het zo lang geduurd heeft, dat dit antwoord te vroeg en te beknopt is, dat het strafrechtelijk onderzoek wellicht tot onvoldoende opening van zaken voert.

Is hij geabonneerd op Het Parool, dan leest hij ten slotte de duidelijke kop: „Betreu-