is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1948, no 14, 24-12-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

F. R. A. HENKELS

Het Frompetje

EEN KERSTAVONDLEGENDE

Toen het schrijvertje de deur van het schuurtje achter zich had gesloten bleef hij, alvorens zijn keukendeur weer binnen te gaan, even stilstaan op het terrasje om eens goed uit te grinniken. Zulke kinderen toch! En hij, een al ouder wordende vent die zichzelf moest betrappen nog volledig te kunnen opgaan in zulke spelletjes. Door de houten wanden van het schuurtje weerklonk plots een diepgekwelde trompetstoot. Nu lachte het schrijvertje luidkeels, en riep terug naar het schuurtje: „Volhouden, jó, het gaat al veel beter!” Hoofdschuddend betrad hij, na de sneeuw van zijn voeten te hebben gestampt, de keuken en bleef even stilstaan bij de bloeiende geraniums op de vensterbank. Ja, het trompetje was een succes. Dadelijk geweest, en gebleven. Natuurlijk. Alles was precies zo gegaan als hij tevoren had gedacht. Dat komt niet vaak voor in het leven, dacht het schrijvertje, maar ditmaal was alles stipt gegaan zoals hij zich dat had voorgesteld toen hij voor het winkelraam van dien uitdrager doelloos kijkend had gestaan en het ding voor den eersten keer had gezien. Er was een lichte schok van verrassing, en ook van blijde herkenning, door hem heen gevaren, een kleine, zalige schrik. Helemaal achteraan, tussen allerlei andere rommel, had het trompetje gelegen. Van blinkend koper, en met die sierlijke krommingen van zijn geheimzinnig corpus die hem steeds weer boeiden. Altijd had hij veel gehouden van blaasinstrumenten, kopergeel en met zwellende rondingen, maar dit was een vondst. Doodstil had hij gestaan, starend naar het trompetje. Kijk, dat zo’n ding daar nu maar lag te liggen. Opeens herinnerde hij zich hoe hij lang, heei lang geleden zulk een trompetje had begeerd, hevig had begeerd, maar nooit had bezeten. Natuurlijk niet. Als je om zoiets vroeg aan de ouderen lachten ze je uit. En als je het bestond om nog even aan te houden, dan werd je af geblaft en naar bed gestuurd. Hy zuchtte eens diep. En wist niet of het was wegens dat vele afblaffen en naar bed gestuurd worden van weleer, of omdat het daar nu toch zomaar voor het grypen lag, het trompetje, zyn trompetje. „De wederkeer der dingen”, dacht hy diepbevredigd, „en niets verliezen wy onderweg of we ontvangen het tienvoudig weerom.”

Hij was opgeschrokken uit zijn gemijmer. Stel nu, dat het ding te duur was voor zijn beurs! Het schrijvertje had het niet bepaald breed en het seizoen was slap, weinig hoge vreugde en weinig diepe rouw tegenwoordig; alles was grijsgrauw, en daarvan blijft voor zulke schrijvertjes ook slechts een schimmig bestaan over. Het schrijvertje was een goed en aardig schrijvertje; de mensen bestelden bij hem hun bruiloftszangen en begrafenisgedichten. De eerste maakte hij amoureus en vrolijk, in de laatste was hij ernstig en vertroostend zonder nochtans de overledene al te zeer te verheerlijken. Hij voelde eens naar zijn beurs. Ze zat er nog. Nee, hij behoefde haar niet te voorschijn te halen om zijn geld te tellen, hij wist immers op den cent af hoeveel er in zat. Maar misschien viel het met den prijs nog wel mee. Misschien zag hij dezen kant van de zaak ook ietwat overdreven, omdat zijn begeerte zo oppermachtig was. Hij vermaande zichzelf daar in elk geval niets van te laten merken, als hij het zou wagen om naar binnen te gaan. Zou hij het wagen? Hij dacht aan zijn kleine jongens, die vrolijke rakkers. „Wel”, zo peinsde hij: „ik zie het al voor me hoe ze zullen kijken als ik dat ding daar meebreng, en ik hoor hun klaterende stemmetjes al wanneer ik ze dat trompetje in de handjes geef, zoals ik het vroeger zelf ?o graag had gewild, en zoals het mij niet is ten deel gevallen. Men moet toch iets doen voor zijn kinderen ”

„En hier”, zo dacht het schrijvertje voorts met die klaarheid van geest die zijn schoonste verzen zo licht van tred en zo doorzichtig van toon maakten: „hier ligt dan inderdaad het punt waar ik mezelf begin te belazeren. Want natuurlijk kunnen de kinderen me geen snars schelen, althans op dit moment niet, en ben ik het zelf, die het trompetje wil hebben, ik alleen. De rest is camouflage.”

Resoluut drukte hij de deurklink neer, de bel rammelde, en hij stond in het halfduister van het met duizend dromende dingen boordevol gepropte winkeltje. De uitdrager verscheen, een oudachtig man die niet veel woorden had. Hij zeide hem zijn wens. De oude kronkelde lenig als een slang door enkele honderden der duizend dingen, haalde het trompetje weg achter het raam, en legde het in de handen van het schrijvertje. Die zuchtte diep. Zijn vingers speelden om het koele koper. Snel onderzocht hij of het ding soms mankementen had. Behalve een paar blutsen vond hij er geen. Hij draaide het instrument om en om. Een hoorn van een sinds lang tot stof uiteengevallen postkoets, of de metgezel van de laatste der nachtwachten? Maar hij vroeg er niet naar. Wel had hij gezien dat er geen enkel gat in zat, en dat was de hoofdzaak hij herinnerde zich dat zeer wel. Even aarzelde hij. Zou hij er niet eerst eens op proberen te blazen? Maar dadelijk verwierp hij die mogelijkheid, hij kon niet zeggen of uit gêne jegens den uitdrager of om een andere hemzelf onbekende reden. En vroeg kortweg naar den prijs. De uitdrager noemde dien. Het schrijvertje stond doodstil met het trompetje in zijn hand, want het was heel weinig geld voor zulk een trompet. Bliksemsnel overwoog hij of er nog gedongen moest worden, maar nog sneller verwierp hij ook dit: de uitdrager had de slijtage van zijn winterjas met zijn scherpe oogjes al verrekend in den prijs, en dan was zijnerzijds dit ogenblik t-och te feestelijk om niet ook van zijn kant het thans gestilde verlangen der jaren enige ruimte te geven in het genoemd bedragje. Hij trok zijn beurs. De uitdrager wikkelde het trompetje in een stuk grauw papier. De bel rammelde weer.

En daarna was hij thuis gekomen, en alles was gegaan zoals hij tevoren had geweten. Alleen had hij na de eerste wilde verrukking der kleine jongens enigen regel in het gestoei moeten brengen, en zo mocht ieder van de jongens voor taan om de beurt op het trompetje blazen. Buren waren er gelukkig niet, het schrijvertje woonde met vrouw en kinderen even buiten het stadje aan den rand van een bos in een eenzaam huisje met een groten voor- en achtertuin.

Maar toch was er iets voorgevallen, dat hij niet van tevoren had geweten. leder van de jongens had geblazen, en bij ieder waren de klanken die zij aan het koper hadden weten te ontlokken, weer anders geweest. De grote verrassing voor hem was echter zijn zoontje Freddie geworden. Toen die het trompetje aan zijn lippen hief, was hij er compleet van geschrokken. Freddie was altijd een bijzonder kereltje geweest: als baby had hij er het blankst uitgezien van alle kinderen en de vuilste luiers gemaakt, als kleuter placht hij hele zomers in den tuin en het naburige bos te lopen met alles wat kever was of ander klein gedierte op het handje, en nu hij acht jaar was kende hij alle honden wijd en zijd in den omtrek en ook de meest woeste waakhonden kenden en erkenden hem, terwijl er geen kind was met een groot verdriet of het liet zich troosten door Freddie die dan altijd in de buurt Week te zijn. Hij had blond haar met een weidse krul vlak boven zijn heldere voorhoofd, en grote ondeugende blauwe ogen. Freddie