is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1949, no 17, 22-01-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Collectief schuldbesef

m persoonlijke verantwoordelijkheid!

Onder de titel: „Waarom bedanken”, brengt Tijd en Taak ons een hoofdartikel, waarvan de strekking juister wordt weergegeven door de woorden: ~Bedankt toch niet!”. Immers, men vindt er geen samenvatting van beweegredenen, noch een principieel motief in vermeld, dat hen, die bedankten als lid van de Partij van de Arbeid, daartoe noopte, nadat deze „onmachtig bleek op te roeien” tegen een stroom, die ons meesleurde in een militaire actie, als voorbereiding tot een vriendschappelijk samengaan met Indonesië! Er staat hier, n d d a t, en niet ómdat, het zou onwaardig zijn een groep te verlaten, omdat ze te zwak is, immers daardoor verzwakt men haar nog méér. Maar het gaat hier om een tijdsbepaling, geen causaal verband... en we vervolgen: ómdat dit op een zodanige wijze geschiedde, dat sommige leden daarin een symptoom zagen van een geestesgesteldheid, die zij niet langer konden delen. Een subtiel verschil? Inderdaad, maar daarbij zeer essentieel! Sommigen, die bedanken, zouden nog geprobeerd hebben in de Partij zélf een andere richting mee te bepalen, indien de leiders hun onmacht erkend hadden en daarnaar gehandeld. Integendeel demonstreerden zij, dat ze „achter deze actie stonden”, en dat zij spraken voor allen of althans de meerderheid; voor sommige van de leden, die zich christen-socialisten voelen, is dit echter niet aanvaardbaar.

Is het dus juist te zeggen, dat men de Partij verliet, omdat er „een visie niet is verwerkelijkt, die niet eens allen voor de geest zweefde?” Naar mijn mening is dat een onjuiste vereenvoudiging van het probleem, dat ons veel dieper raakt, dan de vele vraagstukken, waarvoor de „politieke leiders de vormgeving mee moeten bepalen”

Want het gaat hier om de methode, waarmee men een bepaald doel tracht te bereiken, en men mag eisen, dat deze efficiënt is en getoetst aan de zedelijke normen, die ook de grondslag der partij vormen. Daarom raken ze ook het principe, waarop haar bestaan rust.

Men kan dat zeer verschillend inzien en te goeder trouw er lang over discussiëren. Maar wanneer men een methode om principiële redenen ontoelaatbaar acht, dan kan men zich niet blijven scharen in het gelid, achter hen, die doorzetten, „hoewel ze dit betreuren”.

Men kan ook zeer verschillend oordelen over de „realiteiten”, waarmee men in de politiek rekening moet houden. Een van deze realiteiten is, dat men brokken maakt, als men een moeilijk geval, waarin geestelijke belangen zijn meebegrepen, doorhakt als gold het een Gordiaanse knoop! Men kan natuurlijk later de stukken weer aan elkander lijmen; maar moeten zij, die nog een andere uitv/eg zien, tóch bewust blijven deelnemen aan dit splijtingsproces? Wanneer men overtuigd is, dat menselijke gemeenschap door zedelijke normen wordt gedragen en dat vriendschapsbanden alléén op deze grondslag duurzaam kunnen worden, dan kan men niet, ter wille van misschien tijdelijk zeer belangrijke effecten.

een weg vervolgen waarbij de beginselen, waarvoor men ijvert, worden aangetast. En men bereikt nooit iets wezenlijks, ais men bereid is met deze beginselen te schipperen. Is dit een te zware eis aan een politieke partij ? Is het miskenning van het feit, dat er geschipperd móet worden in een wereld, waarin de PvdA slechts één factor is in het spel der krachten, dat de uiteindelijke koers bepaalt?

Ook hierover kan men debatteren; maar men kan ook de mening verdedigen, dat een partij, juist omdat ze één factor is van velen, slechts wezenlijke invloed uitoefent, als zij haar principe en methode telkens weertoetst aan zedelijke beginselen en zich niet laat overhalen tot een daad, die deze miskent of verzwakt.

Is dit dan gebeurd? Ook daarover kan men theoretiseren. Maar voor wie de kwestie-Indonesië niet gelijk kan stellen met de vele zaken, die door een compromis tussen politieke leiders worden opgelost, is de gedachte onaanvaardbaar, dat men mede schuld moet blijven dragen, voor handelingen, die ons steeds verder wegvoeren van ons doel. Want hier wordt het wezenlijke van onze menselijke waarde in het geding gebracht. Het gaat om de vraag of we gewenste bezwaren tot zwijgen moeten brengen, in het belang van een politieke partij. Men mag dit niet bagatelliseren en als men jarenlang in Indië gewoond heeft en gewerkt, kan men dit ook niet. Evenmin kan men dan vrede vinden bij bespiegelingen, die op grond van theorie en over aard, karakter en capaciteiten van „Dé Indonesiër” het probleem van Indië’s zelfstandigheid trachten op te lossen.

Want zo ingewikkeld zijn daar de verhoudingen, dat het voor de Oud-Indischgast zelfs verschil maakt, in welk deel van Indië eh onder welke omstandigheden, hoe lang en in welke verhouding tot het volk men daar toefde, in welke hoedanigheid en in welk beroep men daar werkte en welke Indonesiërs men ontmoette en of men deze als gelijkwaardigen tegemoet trad: dat alles bepaalt mee ons inzicht in koloniale verhoudingen en in hun uiteindelijke oplossing.

Overigens is ook Indonesië ook slechts één factor in het geweldige complex van landen en groepen betrokken bij alle beroeringen, rondom de strijd der oostelijke volkeren om vrijheid en recht.

Kunnen wij dus volhouden, dat dit probleem alleen iets te maken heeft met Nederlands gezag in Indonesië? Is het niet „flinker” loyaal bemiddeling te aanvaarden, dan geweld toe te passen, wanneer overleg niet voldoende bleek misverstanden op te helderen en een zaak van orde en recht, inderdaad tot een eigen aangelegenheid te beperken?

Lopen we nu niet de kans, dat deze bemiddeling, ons opgedrongen, voert tot een onwaardig spel van loven en bieden, waarbij alleen een decorum in schijn wordt bewaard, maar het prestige verloren gaat? En kunnen we nu, achteraf, onze eigen verantwoordelijkheid verdoezelen achter de grootheid van een collectieve schuld, die we heldhaftig meedragen? Sommigen voe-

len zich daarbij op een hellend vlak. Want dan worden we, als de Duitse officier, die de eerste bezettingstijd bij ons ingekwartierd werd en op onze mededeling, „dat wij hem niet wensten te ontvangen”, zich verontschuldigde: ~Ik moet me hier vestigen, dat is „Befehl”; maar ik zal bij de manschappen slapen, want ik wéét, dat wij verkeerd doen. Ik ben predikant van beroep en vrijwillig bij de luchtmacht gegaan. Ik was in Sudetenland en in Polen en ik heb gezien, hoeveel ellende we daar en ook hier brengen! Ik heb respect voor iedere Nederlander, die ons niet als gast ontvangt.

Edel gesproken, niet waar! Maar op de vraag: „Hoe kunt u dit verenigen met uw ambt”, zei hij: „Ik was vier, toen mijn vader in de vorige oorlog sneuvelde als beroepsofficier. Ik heb een ellendige jeugd gehad, in een verloren land Ik werd predikant om aan de opbouw mee te werken. Het is niets geworden. Ik heb tegen het nazisme geijverd, het was nutteloos! Nu mijn land in deze laatste ellende is gestort en te gronde gaat, wil ik niet achterblijven”.

Men kan dit sympathiek vinden, of ook niet. Maar de tijd is gelukkig voorbij dat iemand, die de dood zoekt onder de druk van een collectieve schuld, een martelaar wordt, die zijn volk tot heldendom kan doen ontvlammen. Deze man miste toch bij alle schuldbesef toch het persoonlijk verantwoordelijkheidsgevoel; hij was predikant, maar géén christen; hij had niet de moed om „neen” te zeggen en zich te onttrekken aan het noodlot, mede schuldig te blijven.

Nu kan men nog met waardering van eikaars meningen lang discussiëren over de vraag of men méér bereikt voor een uiteindelijke doel, als men in de partij blijft, wier handelingen men op grond van zedelijke motieven af keurt, of daar buiten treedt. M.i. is dat een kwestie van persoonlijkheid. Men kan het standpunt verdedigen, dat solidariteit noodzakelijk is, zelfs met opoffering van eigen (zedelijk) inzicht! Maar men kan ook e r k én n e n, dat men in werkelijkheid machteloos wordt, in een massa die, ter wille van de eenheid der partij, slechts met practische oplossingen rekent en de principiële vraagstukken verwijst naar de academie, d.w.z. buiten de realiteit van het leven. Of men binnen een partij zelf een nieuwe koers mee bepalen kan, dat hangt er van af of men op kan roeien tegen de stroom van heersende opvattingen. Voelt men zich daartoe niet in staat, dan is het geen gebrek aan gemeenschapsgevoel, dat ons dwingt er buiten te treden, maar een eerbiedwaardig besef van eigen beperktheid; de zeer zelfverzekerden hebben daar geen last van.

Want er is bij de bestaande toestanden in het partijwezen meer nodig dan de erkenning, dat men collectief schuld drddgt om te komen tot een vernieuwing, die de partij als zodanig zou kunnen beletten dóór te gaan met schuldig te zijn.

Wanneer men meent, dat de toekomst geheel is bepaald door feiten uit het verleden, dan heeft het geen zin hier verder over te