is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1949, no 18, 29-01-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Over juist citeren

In het nummer van 15 Januari 1949 geeft R. E. onder de titel „Hoge inkomens” enkele beschouwingen naar aanleiding van een artikel, dat ik schreef in het Novembernummer van „Socialisme en Democratie”. Het komt mij voor, dat „Tijd en Taak” niet het aangewezen tijdschrift is voor een uitvoerige behandeling van de vraagstukken, die R. E. in zijn artikel overhoop haalt, al ware het "slechts, omdat daartoe meer ruimte nodig zou zijn dan „Tijd en Taak” ter beschikking kan stellen. Maar wel meen ik, dat het een en ander moet worden gezegd over de wijze, waarop R. E. mijn gedachtengang meent te mogen weergeven. Volgens R. E. is mijn bedoeling „de rijke man ais verschijnsel maar helemaal op te doeken”. Hij vindt dat „onverstandig”, omdat ik „niets voor hem (d.i. de rijke man H.) in de plaats weet te stellen”. De rijke man aldus R. E. zorgt nl. voor de kapitaalvorming, en de P.v.d.A. zou ten minste „iets nuttigs” doen, wanneer zij een oplossing zocht voor „het door het verdwijnen van de rijke man geschapen probleem”. Door dit na te laten roer ik „de kernvraag niet aan”, terwijl mijn voorstel „bovendien een wereldvreemde bijsmaak heeft, o.a. doordat het de socialisatie bij wijze van goocheltruc wil verwerkelijken”. Ik kan mij voorstellen, dat de argeloze lezer na deze uiteenzetting weinig anders kan doen dan meewarig het hoofd schudden over de vreemde kostgangers, die de P.v.d.A. blijkt te herbergen: lieden, die zijn bezield door dwaze wensen, onverstandig, zodanig zelfs, dat zij niet eens de kernvraag weten te raken, wereldvreemd, en ten slotte gezegend met weinig realistische aanleg tot goochelarij.

Als Kamerlid raak je zo langzamerhand wel gewend aan laat ik het zacht zeggen een zekere divergentie tussen wat je zelf hebt gezegd of geschreven en datgene, wat de politieke tegenstanders er van maken; om nog maar te zwijgen van de wijze, waarop deze politieke tegenstanders zo nu en dan je geheime bedoelingen menen te mogen weergeven. Maar wanneer nu ook geestverwanten ik mag toch wel aannemen, dat de anonyme R. E. dit is zich niet ontzien caricaturen te gaan opstellen, wordt het toch wel wat al te gortig! Laat ons de beide hoofdpunten bezien.

1. Het verdwijnen van de rijke man. In mijn heie S. en D. artikel komt de „rijke man” niet voor. Het handelde uitsluitend over dat gedeelte van de winst van N.V.’s, dat tóch niet naar de „rijke man” (de aandeelhouder) gaat, omdat het voor interne financiering nodig is. De vraag was uitsluitend, of de aandeelhouder, behalve zijn redelijke dividend, bovendien nog volledige aanspraak op deze reserves mag maken, dan wel dat een gedeelte daarvan ten behoeve van de gemeenschap mag worden gereserveerd. Het ging dus om een zeer beperkt vraagstuk, niet om dat van de kapitaalvorming in het algemeen, doch om die binnen de bedrijven. Overigens heb ik mij reeds zó vele malen in woord en geschrift verzet tegen de opvatting, dat alie verschiilen tussen rijk en arm moeten verdwijnen, dat het moeilijk wordt, bij deze poging om mij als boeman voor de beter-gesitueerden

voor te stellen, aan goede trouw te blijven geloven.

2. Het „gegoochel” met de socialisatie. Noch het woord, noch het begrip socialisatie komen in mijn artikel voor. Integendeel heb ik het probleem opzettelijk als een financieel vraagstuk gesteld, en heb ik uitdrukkelijk gezegd, dat wie van de door mij bepleite regeling geen gebruik wil maken, het recht moet behouden de Staat zijn „aandeel” uit te betalen; waarmee de socialisatie dan grondig kan worden getorpedeerd. Af gezien hiervan: hoe kan nu de gehele onderneming worden gesocialiseerd door de Staat recht te geven op een gedeelte van een gedeelte van zekere nieuwe winsten; het gehele kapitaal en de oude reserves blijven toch van de aandeelhouders, die ook de dividenden blijven ontvangen! Slechts de toekomst zal kunnen uitwijzen, in hoeverre hier een, ontwikkeling in de richting van de door mij zeker gewenste socialisatie mogelijk zou worden, al heb ik persoonlijk daarvan wel enige verwachtingen.

Naar het mij voorkomt, ligt hier echter de kern van de kwestie. Klaarblijkelijk wenst R. E. geen socialisatie; klaarblijkelijk is hij daarvoor zó bang, dat hij voor zijn rekening neemt de zuiver-kapitalistische gedachtengang, dat de „rijke man” een nuttig wezen is, alleen al omdat hij voor de kapitaalvorming zorgt. Voor het socialisme ligt evenwel de principiële vraag geheel ergens anders. Voor het socialisme is de kernvraag, op welke wijze de gemeenschap de taak op zich kan nemen om voor de kapitaalvorming te zorgen, waardoor het mogelijk wordt ten aanzien van de „rijke man” datgene te doen, dat ethisch gerechtvaardigd is zonder economische belangen te schaden. Ook deze vraag is in onze literatuur niet bepaald onbekend zij kwam trouwens ook in mijn bewuste artikel zelf ter sprake —en de sneer op de P.v.d.A. om in dit opzicht nu eens wat nuttigs te gaan doen, is dus volmaakt overbodig; zij verraadt alieen maar een gebrek aan kennis met wat het socialisme denkt en wil.

Maar zelfs al zou mijn plan wat dus weinig waarschijnlijk is de socialisatie „bij wijze van goocheltruc” verwerkelijken, is dat dan een reden het te verwerpen voor iemand, die krachtens zijn beginselprogram socialisatie moet wensen? Is nu werkelijk de omstandigheid, dat „er geen denken aan is, dat het Nederlandse volk, wettelijk aanwezig in de Staten-Generaal, binnen afzienbare tijd voor sociaiisatie zou stemmen”, een reden om met de armen over elkaar te gaan zitten en nu maar helemaal niets meer te doen? Naar mijn mening, is een der gelijke houding geen socialisme, doch negativisme en, godsdienstig gesproken, een verzaken van onze roeping en van onze verantwoordeiijkheid. De preek aan het einde van het artikel, dat „de kracht van het socialisme heeft te liggen in positieve, niet in negatieve maatregelen”, als slot van een betoog om een positief plan af te wijzen en in een negatief-kapitalistische gedachtengang te volharden, slaat dan ook wel enigszins als de bekende tang op het varken.

Het is met enige verbijstering, dat ik dit vreemde koekoeksei in ons socialistische

nest heb ontdekt. Maar ernstiger verontrust mij de onwaarachtige manier, waarop mijn gedachtengang is weergegeven. Het is met name tegen dit laatste, dat ik uitdrukkelijk bezwaar wil maken.

H. J. HOFSTRA.

ONDERSCHRIFT

Ad. 1. De heer Hofstra zegt, dat de hoge inkomens van de rijken in zijn betoog geen rol spelen. Ik neem natuurlijk van zijn zo uitdrukkelijke verklaring aan, dat dit zijn bedoeling is geweest, maar dan is een aantal passages uit zijn artikel toch wei zonder zin geworden. Ik denk aan de passage op blz. 523 van „Soc. en Dem.”, waarin over het loon van de grote massa van de werkers wordt gesproken; dit kan toch wei alleen als ethisch bezwaar tegen het hoge inkomen van de andere worden aangevoerd. Ik denk aan de laatste negen regels van die zelfde bladzijde, waarin over de winsten van na-oorlogse-profiteurs wordt gesproken op een wijze, die ook alleen maar in de door mij geciteerde richting wijst. Op de onderste helft van blz. 524 wordt het belastingplan gezet in het verband van een rechtvaardige verdeling van het nationaal inkomen; ook deze passage wordt zeer duister ais dit niet op hoge inkomens slaat. De bedoeling van de heer H. is in zijn betoog geenszins onvermengd tot uitdrukking gebracht en ik kan het nog steeds niet anders zien dan het door mij geciteerde verband inderdaad aanwezig is.

Ad. 2. Een claim van de overheid op de bedrijfsmiddelen mag ik volgens het spraakgebruik een (natuurlijk: gedeeltelijke) socialisatie noemen. Daar verandert het protest van de heer H. niets aan. Zeker, de ondernemer zal haar mogen afkopen, maar indien belastingen zuilen worden geheven tot het door de heer H. beoogde peil, moet men maar afwachten of dit mogeiijk zal zijn.

De heer H. stelt de zaak ais een financieel vraagstuk, inderdaad, maar alleen doordat hij het effect op de ondernemersactiviteit bagatelliseert (hij stelt de winstprikkei als te onbelangrijk voor en spreekt helemaal niet over het „Herr-im-Hause” gevoel). Dat lijkt mij wereldvreemd.

Tegen socialisatie met fiscale middelen lijken mij tal van bezwaren te bestaan. Zijn plan overtuigt geenszins van het tegendeel.

Argumenten voor socialisatie zijn er ook in mijn oog veie, maar de precaire situatie waar het sociaiisme zich heden ten dage in bevindt, vioeit er juist uit voort dat socialisatie, met name ook in Nederland, op velerlei zowel politieke als economische bezwaren stuit. Wij moeten hier en nu weten wat wij wiilen. Indien wij ais doel zien productie en export op een zeer veel hoger peil te brengen, dan moeten we de dynamische krachten, waar wij realiter over beschikken, niet veriammen. Dat geschiedt echter naar ik vrees door het pian-Hofstra, zowel door wat dat plan wil als door wat het nalaat. Deze geleide kapitaalvorming heeft geen leefkracht. Ik zie hier met de beste wii van de wereld geen begaanbare tussenweg tussen liberalisme en sociaiisme. De positie van de „troisième force” in ons land is uiterst netelig en het plan-Hofstra helpt haar daar niet uit.

Ik laat het hier echter bij, want de toon waarop de heer H. schrijft, toont een volsiagen gemis aan bereidheid om te discussiëren.

Siechts op één punt ga ik met zijn stuk accoord: dat achteraf gezien deze materie geen kost was voor „Tijd en Taak”: deze polemiek zai de lezers niet veel wijzer hebben gemaakt. R. E.