is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1949, no 21, 19-02-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET BURGERLIJK VERZET EN DE AMBTENAREN

In één van zijn stellingen bij zijn in 1947 verschenen academisch proefschrift poneert dr Hoekstra:

„Vóór 10 Mei 1940 is de verdediging van het Nederlandse volk tegen een mogehjke vijandelijke bedreiging te veel uit militair oogpunt bezien; voorbereiding van een burgerlijk verzet heeft, ook van de zijde der Regering, ten enenmale ontbroken. Het falen van pacifistische bewegingen, reeds internationaal in 1914, is o.m. hieraan toe te schrijven, dat deze geen positief stelsel van een nationaal a-militair verzet hebben verdedigd en uitgewerkt.”

Dezelfde schrijver haalt in een artikel in Vrij Nederland (9-10-’4B) de volgende uitspraak aan van drs L. de Jong: „Nederland had moeite zich te ontworstelen aan de legale vorm van de geordende Het ambtelijk apparaat was niet ingesteld op tegenwerking en de bevolking ontbrak alle scholing.”

Dit zijn ernstige beschuldigingen! In de eerste plaats uit nationaal oogpunt. Nederland had zich veel beter kunnen verdedigen. Wij hadden vooral de venijnige penetratie van on-Nederlandse en anti-christelijke ideeën en maatregelen effectiever kunnen weren, indien wij voorbereid, getraind, waren geweest op de strijd zonder geweld, de strijd in woord en daad. Te klein, angstig klein immers was mede daardoor het getal dergenen, die zich door de bezetter niet voor zijn karretje lieten spannen, het erop aan kwam. In de tweede plaats duit de beschuldiging

op een bedenkelijk tekort aan vindingrijke barmhartigheid en rechtvaardigheid. Want burgerlijk verzet is niet anders dan de consequentie met-de-daad van een vastberaden bescherming van deze hoge goederen tegen een tyrannieke overheid. Wat zou onze weerstand oneindig sterker hebben gestaan, hoeveel thans onherstelbaar lijden en verlies aan mensenlevens hadden wellicht kunnen worden voorkomen, indien de massa van het volk aan het verzet had deelgenomen!

Een bijzondere verantwoordelijkheid droegen de ambtenaren van het Rijk en de lagere overheidsorganen. Hen had de bezetter in de eerste plaats nodig! Dit op zichzelf vormde een klemmende reden om hun functie neer te leggen. Daartegenover stond het argument hoe goed herinneren wij het ons nog dat aftreden vaak de vijand juist in de kaart speelde. Een algemene regel voor iedere ambtenaar viel bijna niet te geven, of het had moeten zijn, dat zij allen hadden moeten weigeren de Ariërverklaring te tekenen in de herfst van 1940. Waarom deden zij het niet? Men kan zeggen: uit lafheid. Mits men dan slechts wil bedenken, dat wij allen waarschijnlijk niet anders hadden gehandeld. Omdat iedere ambtenaar het gevoel had alléén voor de beslissing te staan en door een weigering wellicht een moedig, maar zinloos offer te brengen.

Men was niet voorbereid. Had de regering dan geen instructies gegeven voor zo’n belangrijke eventualiteit? Toch wel. Er be-

stond een Circulaire van de Nederlandse Regering van Mei 1937. Deze gebood de ambtenaren allereerst op hun post te blijven en de bevolking voor te lichten voor het geval van een vijandelijke bezetting. Verderop werd gezegd, dat weliswaar het feitelijk gezag op de bezetters overgaat, maar dat de Nederlandse Regering de wettige Overheid blijft, totdat bij het vredesverdrag definitief over de souvereiniteit beslist wordt. Dan volgen enige hoofdstukken over de volkenrechtelijke bevoegdheden en verplichtingen van de Bezettingsoverheid, over de belastingen en over „Indienen van reclames en klachten” (bij de autoriteiten van de bezetting!). Ik kan hier niet verder bij stilstaan.

Ten slotte geeft de circulaire een „Richtsnoer voor de doof Ambtenaren te volgen gedragslijn”. Ambtenaren, zo staat daar, zijn niet verplicht „aan” te blijven. Alleen wanneer het belang van de bevolking het eist en wanneer dit belang groter is dan de diensten die zij door in functie te blijven aan de vijand bewijzen, is zulk aanblijven gerechtvaardigd; ligt de verhouding andersom, dan dienen zij ontslag te nemen. Het stuk eindigt met deze duidelijke woorden:

„In het algemeen kan worden gezegd, dat ambtenaren hun taak moeten neerleggen, wanneer het hun door de vijandelijke autoriteiten onmogelijk wordt gemaakt die taak te blijven vervullen in het belang van de eigen bevolking en op een wijze die verenigbaar is met de trouw aan het eigen land.”

Te recht merkt de schrijver van een artikel over deze kwestie in „De Korte Golf” van 17 April 1948, waaraan wij deze interessante gegevens ontlenen, op, dat de circulaire geen uitsluitsel biedt over concrete vragen die zich in de bezettingstijd voordeden, zoals omtrent het oppakken van Joden door politie-ambtenaren vragen, die ons Nederlandse geweten nog altijd geen rust laten. De ambtenaar zelf kon bij elke concrete beslissing slechts met zijn eigen geweten te rade gaan.

Toch bood het regeringsstuk ten minste enig houvast, en het is dan ook buitengewoon betreurenswaardig, om niet te zeggen ergerlijk, dat zijn inhoud slechts bij weinigen bekend was. Misschien zou ons volk anders heel wat schande bespaard zijn gebleven, indien op dit punt een krachtige voorlichting en leiding van de regering was uitgegaan.

En hoe staat het thans met de voorbereiding van het burgerlijk verzet? Weet de ambtenaar anno 1949 wat hem in tijd van eventuele bezetting te doen staat? Het lijkt er nog niet op. De vroegere richtlijnen zijn verouderd in veel opzichten en nieuwe zijn er nog niet.

Onlangs vestigde het Kamerlid J. H. Scheps bij de behandeling van de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken de aandacht van de bewindsman op deze leemte en verzocht hij dringend om voorziening hierin. Het antwoord van de minister luidde, dat hij aan de aandrang wilde voldoen, maar dat hij tevoren waarschuwde, dat dergelijke richtlijnen meer de algemene richting van het beleid van de ambtenaren zouden kunnen aangeven, dan preciese instructies voor elk geval en elke situatie.

Met dit laatste had hij natuurlijk gelijk. Maar nochtans is een onomwonden, krachtig stuk, dat tegelijk een getuigenis kan zijn van de innerlijke kracht, de geestelijke weerbaarheid, van ons volk, bitter nodig. Wij zien dan ook met spanning uit naar hetgeen de minister ons parlement straks zal voorleggen. A. H. HEERING

tuiging midden in de droefheid over het lot van zijn land, blijft getuigen tegen geweld, en daadwerkelijk de oecumenische band bewaart, ook met hen, die voor hem staatsvijand zijn?

Het is verheugend te bemerken welke een ontsteltenis de arrestatie van ds Iskandar gewekt heeft in de predikantenkring alhier, en welk een band er is gegroeid, dank zij de wekelijkse ontmoeting en samenwerking der voorgangers van verschillend ras niet alleen, doch ook van zulk een tegengestelde politieke overtuiging.

Vanwege die gegroeide en sterke vriendschap zijn dan ook dadelijk verschillende predikanten, onder wie ook enkele militaire, in actie gekomen te zijnen behoeve. Dit demonstreert duidelijk, welk een reputatie ds Iskandar genoot, als Republikeins nationalist, steeds strijdend met open vizier, niets verbergend, en wars van alle geweld altijd bereid om in de volle samenwerking te blijven staan om Christus’ wil. Wij wisten, dat reeds lang het oog op hem gevestigd was vanwege zijn publieke verklaringen bij diverse gelegenheden, zoals nog op 17 Aug. j.l. ter herdenking van de proclamatie der Republiek Indonesië. Enige malen werd ook reeds huiszoeking bij hem gedaan. Vandaar dat wij als onze indruk schreven, dat wij vreesden, dat hier inbreuk gemaakt werd op het democratisch privilege van de vrije meningsuiting. Er is evenwel meer. Op welke wijze krijgt het Nederlandse recht in dit geval voet aan de grond? Hierin, dat een verzetsgroep sgeweldpleging beraamde, waarvan l-

kandar iets afwist. Naar zijn eigen gemakkelijk te verifiëren en ongetwijfeld geloofwaardig getuigenis, waarbij hij alle geweld ontried, dat toch op niets uit kon lopen, terwijl zij toch langs andere weg, zonder geweld, naar zijn stellige overtuiging zouden bereiken wat zij allen begeerden.

Aan beraadslagingen over activiteit nam hij geen deel, al is een bezwarende omstandigheid, dat hiervoor wel eens gebruik gemaakt werd van zijn pastorie, en wanneer hij iets opving van neiging tot geweld, maande en vermaande hij steeds om hiervan af te zien.

Maar het feit, dat hij iets wist van samenzwering maakte hem strafbaar voor de Nederlandse wet, omdat hij de autoriteiten niet gewaarschuwd had.

Evenwel gaat het hier om zeer précaire verhoudingen. Er wordt momenteel veel geschreven over de „voormalige Republiek” door de kranten, die het voorstellen alsof de Republiek er niet meer is na de militaire actie en de internering der Republikeinse leiders. Dit wordt betwist, stellig door het buitenland en de wereldopinie, maar ook door Nederlandse instanties, vide „Kritiek en Opbouw” van 15 dezer. Na een verhoor door de officier van Justitie is ds Iskandar op vrije voeten gesteld, om zijn dienstwerk te kunnen voortzetten. De procedure zal wel voortgang hebben, maar de officier van Justitie vond toch termen genoeg aanwezig om hem uit de hechtenis te ontslaan en terug te geven aan gezin en arbeid.