is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1949, no 22, 26-02-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Niergang _ _ 9 Veniieuwing

Bladerend in twee zware delen, waarin de verhandelingen van het filosofen-congres van deze zomer in Amsterdam zijn verzameld, kom ik de vraag tegen, die al zo vele malen ons en anderen bezig heeft gehouden: Neergang van de godsdienst? De inleider op het Amsterdamse toneel der wereldwijsbegeerte ziet daarvan wel de tekenen, maar hij betreurt ze tevens, en zet nu een betoog op, waarvan de conclusie is: dat de filosofie, mits zij bepaalde lijnen volgt, wellicht een grondslag kan leggen, die verbonden met vaste conclusies der natuurwetenschap, deugdelijk kan zijn voor de vernieuwing der religie....

Om de eeuwig dreigende en ook in dit artikeltje van vandaag stellig weer op de loer liggende misverstanden zoveel doenlijk te vermijden, begin ik met te erkennen: dat er inderdaad uit de kringen der moderne natuurwetenschap stemmen klinken, die weer ruimte vragen voor God, de eeuwige Schepper, in het wereldbeeld; dat er weer medici en psychiaters opstaan, die in het raadsel van de onbekende mens en de diepte der ziel het werk van een Meer-dan-Menselijke Geestesmacht erkennen, die op grond van hun ervaring en visie, de geldigheid van godsdienstige oerwoorden als zonde, vergeving, genade, weer belijden. Ik meen ook, dat wij voor de opbouw van een verantwoord wereldbeeld terdege moeten luisteren naar wat wetenschap en wijsbegeerte ons hebben te zeggen. ... Maar als de vraag aan de orde komt: wat is er nodig voor een waarachtige vernieuwing van de godsdiénst, hoe kan de neergang worden gestuit, dan, meen ik, komen andere dingen aan de orde. Welke? Laat ons eerst de vraag steUen: hoe het komt, dat de godsdienst belangrijk minder in het leven der mensheid betekent dan bijv. in de tijd van de Reformatie, toen men er de brandstapel voor op ging en de gevangenis verkoos boven ontrouw? Het proces is herhaaldelijk beschreven laat ons niet in geleerdheid vervallen. Ik kijk naar twee groepen mensen: de kapitalisten der 19e eeuw werden zó meegesleept door de enorme zuigkracht van een stelsel, dat de gehele wereld veroverde, dat de welvaart en rijkdom op fantastische wijze vermeerderden, dat tevens alle krachten van de mens opeiste voor het arbeidsproces, zodat er voor het verdeemoedigende geloof in de Majesteit van God, die mensen in nood wil redden, geen plaats was. Hoe zou de gemiddelde rijke kapitalist, die opging in zijn werk en bedrijf, zich nog druk maken 0m... God? Hij had God nodig in zijn fabriek of kantoor of op de beurs... En de proleta-

rlërs der 19e eeuw In hun doffe ellende, hun nijpende armoe, met hun ondervoede, afgesjouwde lichamen, hun triest zwoegersbestaan... als zij aanstonds wakker worden geschud door de sterke hand van het socialisme, dan willen zij hier op aarde het paradijs, dan hunkeren zij naar het volle mensengeluk, dat zij zelf zullen bouwen, en God hebben zij daarbij evenmin nodig. Aan deze twee groepen héél wat talrijker dan het betrekkelijk klein getal wetenschapsmensen wordt duidelijk, dat de krachten die de godsdienst hebben teruggedrongen, ondergraven, vernietigd, vooral liggen in de maatschavvij■ Zegt lemand, dat het nu, midden 20e eeuw veranderd Is? Er Is Inderdaad veel veranderd. Maar als Ik mij voor de geest roep de hedendaagse „massamens”: de mens die leeft uit zijn vitale Instlnkten, en eigenlijk alleen uit Is op bevrediging van zijn doodgewone wensen, zonder eigen oordeel, vooral zonder zich ergens Innerlijk aan gebonden te gevoelen, zonder zich ergens persoonlijk verantwoordelijk voor te weten of te willen weten, de mens zonder geweten, die zich nergens Innerlijk aangesproken weet, dan Is deze moderne massa-mens, de typisch antl-Chrlstelljke, antl-godsdlenstlge mens, een product van de moderne maatschappij, waarachter dat ontgeestelljkend proces werkt, dat zovele mlllloenen In Ijskoude eenzaamheid stort.... Men spreekt van „massajeugd” tegenwoordig. Ik hoorde van een ooggetuige een verhaal van een avond van de Ramblers In een onzer grote steden: een grote zaal, geheel gevuld met jongens en meisjes van 17—23 jaar; bij het openingsnummer een oorverdovend geloei en gefluit, honderden benen gaan stampend op en neer. Weldra komen de Swingnummers, die het publiek In de begeerde extase brengen ach de Ramblers zelf vinden het óók niet leuk, dat zij dit publiek trekken Massa-jeugd .... Neergang van de godsdienst wordt mij hieraan konkreet, méér dan aan enige kultuurfllosoflsche beschouwing. Deze massajeugd en massa-

mens zijn producten van een maatschappij-In-ontblndlng.

Tegenover deze konkrete werkelijkheid stel Ik nu op mijn wijze de vraag naar de voorwaarden voor de vernieuwing der religie. Op die vraag geef Ik dit antwoord: wij hebben nodig levende, bezielde gemeenschappen, waarin wij elkaar dragen, omdat wij samen gedragen worden. „Dragen” sluit hier In, dat wij de verantwoordelijkheid voor elkaar In de dlep-eenvoudlge zin weer leren verstaan en aanvaarden. Ik denk daarbij aan Barchem, Bentveld, Kortehemmen, maar weet dat er tientallen plekken méér In ons land zo zijn. Onze kerken hebben een radicale verandering, wil men: een revolutie, In deze richting van levende gemeenschap broodnodig... maar dat Is een probleem op zich zelf. Ik voeg er dit aan toe: een levende godsdienstige gemeenschap Is er nooit ter wille van zich zelf, doch ter wille van de wereld en haar nood. Daarom zien wij uit naar een tjrpe van godsdienstigheid, naar een type van Christelijk leven, en dus ook Christelijke prediking, die de nood van de maatschappij en haar ontbinding verstaat als een appèl aan het geweten en zich dus ook werpt In de strijd om een nieuwe sociale orde. Maar deze zelfde godsdienstigheid, deze zelfde prediking, dit zelfde leven zal, staande In politieke en sociale strijd, dóórbreken naar het geestelijk proces, dat daar achter woelt en wroet, en bidden om vernieuwde harten bovenal, die de vernieuwing der maatschappij kunnen dragen.

Wij waren met een groep jongeren. Er werd een canon gezongen: Dona nobis pacem... Geef ons vrede Is het niet de smeekbede van alle volkeren, de verslagen en neergeworpen zowel als de overwinnaars, de sterken?' Nergens wordt mij duidelijker, dan wanneer Ik dit gebed om vrede hoor en meebid, dat er achter de politieke en sociale noden een diepe geestelijke nood leeft: uit welke bron zal de vrede worden gevoed? Uit filosofie en wetenschap? of uit broederschap en liefdedienst? W. B.

Vertalen ais kunst

Jan Prins, Pervigilium Veneris (Venus-Verwachtingsnacht). W. E. J. Kuiper, Theophrastus, Zedeprenten.

Beide uitgegeven door Van Loghum Slaterus, Arnhem 1948, resp. ƒ 1,90 en ƒ 3,25.

De oude Griekse en Latijnse schrijvers hebben in deze tijd een vrij harde dobber; wanneer men boekjes als de hierboven genoemde ziet, vraagt men zich af of dit óók niet komt doordat zij door een gebrek aan reële zin bij vele „hoeders” der klassieke cultuur —■ niet voldoende toegankelijk wordeh gemaakt. Er zijn misschien te veel slagbomen, te veel thema’s en er is vaak te weinig gelegenheid om vrij-uit van het mooie te genieten.

Wie onzer hoorde op het gymnasium van het Pervigilium Veneris, dat brok eeuwig jonge poëzie; wie wist anders dan uit een dor overzicht van Theophrastus’ „Characteres”? Van het eerste heeft Jan Prins, met een prachtig aan voelen van de stijl en de sfeer, een levend en bloeiend Nederlands gedicht gemaakt. Wie nog wat Latijn kent, vindt hier naast de vertaling het oorspronkelijk, en kan dan constateren, dat het niet eens moeilijk is, „als je het maar eenmaal weet”. Van het tweede maakte prof. Kulper, onder de aardige en rake titel „Zedeprenten”, een reeks typeringen in het

Hollands, vast niet minder sappig dan het oorspronkelijk Grieks. Weet u bijv. wat de eigenschap der „Fluimigheid” inhoudt, of die der „Wauwelarij”? Of wilt u de mentaliteit van de conserviatieve liberaal terugvinden in de vierde eeuw voor Christus? Dan kunt u bij prof. Kuiper terecht,

Hoewel aarzelend, zou ik bij beide boekjes een enkel zakelijk bezwaar willen opwerpen. Van de Characteres bevredigen mij de titels niet, al zijn zij geestig. Mij zou hier als samenvatting van elke zedeprent toch willen zoeken naar een moderne psychologische term. Het Pervigilium bevat m.i. een paar plaatsen, waar de vertaling zonder noodzaak iets te veel van het origineel afwijkt (zónder poëtische winst! en helaas één bepaalde fout slotstrofe). Hieraan vlei echter, daar de dichter inmiddels is overleden, niets meer te veranderen,

Maar de ene uitgave zowel als de andere, beantwoordt volkomen aan het ideaal van de reeks „De tiende Muze”: vertalingen te leveren, die een kunstwerk zijn zo goed als het origineel. Hulde.! M. H. v. d. Z.