is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1949, no 23, 05-03-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET BOEK VAN DE KADT OVER INDONESIË

De Kadt heeft al heel wat boeken op zijn naam staan. Het meest bekend zijn zijn beide studies over het nationaal socialisme en het communisme: „Het Fascisme en de Nieuwe Vrijheid” en „Van Tsarisme tot Stalinisme”. Na de oorlog verschenen van hem twee bundels verzamelde opstellen: „Verdediging van het Westen” en „Verkeerde Voorkeur”. De Kadt is een scherpzinnig en knap essayist. Zijn boeken behoren tot de meest intelligente en boeiende publicaties in ons land. Ik zeg dit niet, omdat De Kadt een geestverwant van mij is. Dat is hij zeer bepaald niet. Wij zijn beiden democratisch-socialisten, maar, wat levens- en wereldbeschouwing betreft, zijn wij eerder antipoden dan geestverwanten. Maar ik heb van deze partij genoot-tegenstander veel geleerd en elk boek van hem is mij dan ook zeer welkom.

Dat wil intussen niet zeggen, dat de verschijning van het laatste boek van De Kadt mij verblijd heeft. Dat heeft het evenmin als het schrijven van dit boek voor De Kadt zelf een vreugde zal zijn geweest. Het is een triest en beschamend boek en men zou wensen, dat het niet geschreven had moeten worden of dat er een ander begaafd Nederlander in staat was, een boek te schrijven, dat als een weerlegging van De Kadt’s studie zou kunnen gelden. Ik meen echter, dat die Nederlander er niet is, zoals ik er ook van overtuigd ben, dat De Kadt inderdaad gedwongen werd dit vernietigende, maar door en door eerlijke boek te schrijven.

De titel luidt: „De Indonesische tragedie, het treurspel der gemiste kansen”. Het telt ruim tweehonderd bladzijden, is verdeeld in acht hoofdstukken en werd uitgegeven door G. A. V. Oorschot te Amsterdam.

Ik heb wel eens horen beweren, dat De Kadt een cynicus en een défaitist is. Indien men er van overtuigd wil worden, dat dit een valse beschuldiging is, dan leze men dit boek. Het is zeer zeker geen verheffende lectuur. Wie als Nederlander dit boek leest, heeft geen enkele reden, om met Nicolaas Beets te zeggen: „Dank daarvoor God ten allen tijd, dat gij een Nederlander zijt”, maar alle reden, om zich als Nederlander te schamen. De eerste zin luidt dan ook: „Dit boekje is in de eerste plaats een aanval op de Nederlandse zelfgenoegzaamheid” en het bewijst met feiten, dat ons volk zich ten opzichte van Indonesië even bekrompen en egoïstisch nationalistisch gedragen heeft als de andere volken zich in de regel gedragen. De Kadt doet een poging, om ons volk te doen begrijpen, dat een Indonesische politiek met grootse democratische en progressieve perspectieven mogelijk is geweest, maar dat wij de geestelijke kracht niet hebben opgebracht, om deze mogelijkheid tot een werkelijkheid te maken. Wij hebben onze kansen gemist en wij hebben schuld, tragische schuld, maar ook doodgewone en heel ordinaire schuld. Wij hebben gefaald door onze politiek van bekrompen egoïsme. Onze doodgewone schuld is onze politieke onbekwaamheid en ons egoïstisch nationalisme.

En de tragedie is, dat het ons niet gelukt is, onze meer dan driehonderdjarige koloniale heerschappij over Indonesië te doen overgaan in een samenwerking op voet van gelijkheid.

De nog grotere tragedie, dat het Westen opnieuw aan het Oosten niets anders heeft weten te brengen dan de brute overheer-

sing door zijn parachutisten en kolonialisten. De wereldhistorische tragedie en hier ligt de schuld niet alleen bij Nederland, maar ook bij Engeland en Amerika • dat het Westen niet in staat is geweest, het Oosten te helpen, de tocht naar de vrijheid te volbrengen.

Toch is De Kadt geen cynicus en défaitist. Hij gelooft immers, dat, als men dit alles beseft, er nog altijd mogelijkheden zijn, om ongedaan te maken wat zelfgenoegzaamheid, onbekwaamheid en gebrek aan energie hebben misdreven. Zijn studie wil dit besef doen ontstaan of versterken en ais zodanig bijdragen tot versterking der democratische en progressieve krachten. De betekenis van het betoog van De Kadt bestaat hierin, dat hij niet enkel beschuldigt, maar zijn beschuldigingen met een overstelpende hoeveelheid feiten waar maakt. Alleen reeds om dit feitenmateriaal, dat zijn boek geeft, is het waard, door allen, die zich voor de Indonesische kwestie interesseren, gelezen te worden. Want De Kadt heeft gelijk: er bestaat in Nederland, wat Indonesië betreft, een schrikbarende onkunde en een ontstellend wanbegrip. Men behoeft het, wat mij betreft, met de inzichten van De Kadt niet eens te zijn, om de grote waarde van zijn boek in dit opzicht te erkennen.

Ik wilde wel, dat alle christenen bereid waren, om van dit feitenmateriaal kennis te nemen, en dat ook alle socialisten daartoe bereid werden gevonden. Dan was er al veel gewonnen. Wat weten de meesten weinig af van de geschiedenis der laatste jaren, van het bewind van Tjarda (hoofdstuk I), de Nationalisten (hoofdstuk II), de oorlog van Japan (hoofdstuk III), de Japanse overheersing (hoofdstuk IV), de Republiek (hoofdstuk V), Linggadjati en de beide politionele acties (hoofdstuk VI en VII) en van wat er sinds December van het vorig jaar gebeurde (hoofdstuk VIII). Nog altijd worden er over ons beleid en over de Republiek de meest wonderlijke dingen verkondigd, dingen, zo zot, dat zij de vorming van een bezonken oordeel volstrekt onmogelijk maken. De Kadt duwt ons, of wij willen of niet, met onze neus op de feiten en die feiten zijn voor ons allesbehalve plezierig.

Alleen reeds als historische behandeling van de Indonesische kwestie is dit boek een vernietigend requisitoir. Nog eens, dit is voor mij geen reden tot vreugde. Integendeel. Ik ben ook Nederlander, maar ik behoor niet tot de Nederlanders, die het spreken over onze schuld alleen weten te waarderen als een dolkstoot in de rug van onze regering en ons leger en als een bezoedeling van onze naam in de wereld. Ik heb over het hoog houden van onze naam een gans andere voorstelling, hetgeen niet wegneemt, dat ik het verschrikkelijk vind, dat dit requisitoir moest worden uitgebracht.

De Kadt matigt zich niet de rol van profeet aan. Hij preekt zelfs niet. Hij vertelt eenvoudig, wat er gebeurd is, wat wij gedaan en niet gedaan hebben en die vertelling is nochtans, zonder dat hij het zelf wil, profetisch en dat verhaal is een boetepreek, een echte, juist omdat De Kadt helemaal niet preken wil.

Het is ook niet waar, gelijk zo vaak beweerd wordt, dat De Kadt het altijd beter weet. Ik kan in dit boek niets vinden van zelfgenoegzaamheid en eigengerechtigheid. Het moet veeleer geschreven zijn in

een besef van gemeenschappelijke schuld en in een gevoel van verslagenheid. DeKadt spaart ons zijn critiek niet, maar hij is geen bekrompen partijganger, die alleen schuld ontdekt bij andere partijen dan de zijne en de Indonesische kwestie beschouwt als een plan op het schaakbord van zijn eigen beweging. Hij weet ook van het grote tekort van het democratisch socialisme, dat ondanks alle goede en oprechte bedoelingen niet aan het egoïstisch nationalisme ontkomen is en in de P. v. d. A. te weinig zijn onafhankelijkheid en zelfstandigheid heeft'Weten te bewaren.

Deze critiek op de eigen partij is echter opbouwend en kan daarom slechts heilzaam zijn. Zij is de critiek van een deelnemer, niet van een toeschouwer.

De conclusie van dit boek?

„Indonesië is voor Nederland verloren.” „Wat in 1945 hersteld had kunnen worden en wat had kunnen leiden tot een samenwerking tussen twee zelfstandige staten, dit grootse perspectief, dat ons boven het provincialisme zou uitheffen, is vernietigd door de provinciale politici van alle Nederlandse partijen. Wat ons nog overblijft, dat is: het beseffen van wat we gemist en verknoeid hebben. Wat ons overblijft is de schaamte over zoveel bekrompenheid, onbekwaamheid en zelfgenoegzaamheid”. Maar ook dit: „Als dit besef doordringt, dan is er nog een kleine mogelijkheid om in de weinige jaren, die ons nog resten, iets te herstellen van de schade, die werd aangericht en de weinige kansen, die ook nu nog aanwezig zijn, te gebruiken. Hoe gering ook de hoop moge zijn, dat Nederland nog op het laatste ogenblik de juiste weg vindt, niets mag worden nagelaten om ons volk te wijzen op zijn taak, zijn plichten en zijn mogelijkheden. Geen verdediging van Indonesië en van het Indonesisch standpunt, een verdediging van Nederlands toekomst is nodig”.

De Kadt pretendeert m.i. te recht, dat zijn boek die verdediging is en hij hoopt, dat men het begrijpt, vóór ook de laatste kans verdwenen is.

Mijn bespreking van dit boek is een zeer dringende oproep aan alle democratisch socialisten, om dit boek te lezen.

Of ik dan geen bezwaren heb?

Die heb ik, maar dan moet ik spreken over het verschil, dat er tussen De Kadt en mij bestaat in zake onze levens- en wereldbeschouwing.

Aan het einde van dit boek staan wij voor de vraag, hoe het falen van Nederland verklaard moet worden. Waarom heeft ons volk de geestelijke kracht niet opgebracht, om het Indonesische vraagstuk op een verantwoorde wijze op te lossen?

Dat boek is overtuigend, voor zover het met de feiten aantoont, dat wij gefaald hebben. Het blijft echter in gebreke in beantwoording van de vraag, waarom wij gefaald hebben. Bekrompenheid, onbekwaamheid en zelfgenoegzaamheid kunnen dit antwoord niet zijn. Hoe komt het, dat een grootse visie ontbroken heeft? Welke zijn de oorzaken van de verwereldlijking van het Nederlandse christendom en de verburgerlijking in de slechte zin van het woord van het democratisch socialisme in ons vaderland? En wat is nodig, zullen wij in staat zijn, om de weinige kansen, die ook nu nog aanwezig zijn, te gebruiken? Aan deze vragen mogen wij niet voorbij lopen. Zowel de verdediging van het Westen als die van Nederlands toekomst vraagt