is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1949, no 24, 12-03-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

. Aan \ I den Heer \ I behoort de aarde 1 < en haar Ê volheid. 7 Psalm 24 : 1

Tyd en Taah

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR. EVANGELIE EN SOCIALISME

TEVENS ORGAAN VAN DE PROTESTANTS CHRISTELIJKE WERKGEMEENSCHAP

No. 24 Verschijnt 50 maal per jaar 47ste jaargang van de Blijde Wereld « Redactie Prof. dr W. Banning Ds J. J. Buskes Jr Ds L. H. Ruitenberg Mr G. E. V. Walsum Secr. der redactie: J. G. Bomhoff, Roerstraat 48 111 Tel. 24386

Abonn. bf vooruithet. per jaar f 8.00, halfjaar f 4.2 i, kwart, f 2.30 plus f 0.15 incasso. Losse nrs f 0.15, Postg. 21876, Gem. giro V 4500, Adm. N. V. De Arbeiderspers, Hekelveld 15, A 'dam C

De politiek onzer partij

Laat ons beginnen met enkele spelregels: de regering regeert; de partij wordt in de Kamer vertegenwoordigd door een fractie, waarvan de leden door haar wel is waar aangewezen maar niet onder haar commando staan, zo min als de ministers onder bevel staan van de fracties der regeringspartijen. Nochtans er is zo wii het de practijk bij ons: voeling tussen ministers en fractie, voeling ook tussen fractie en partij.

Nu kan men zakelijk vaststellen, dat de opeenvolgende regeringen, waarin ministers van onze partij zitting hadden, en die gesteund worden door onze fractie, de resoluties der twee laatste Indonesië-congressen onzer partij niet als richtsnoer van hun handelen hebben genomen.

Wat de eerste resolutie betreft (16 Aug. 1947), daarin las men o.a. dat het congres oordeelde, dat de eenmaal erkende territoriale omvang van de Republiek niet zou aangetast worden door militaire bezetting, dat men voortaan arbitrage i.p.v. militaire actie als middel zou hanteren om een conflict met de Republiek op te lossen, dat de geest der Nederlandse burgerlijke en militaire ambtenaren, die de nieuwe verhoudingen niet verstaan, hernieuwd moest worden.

Het zal wel niet nodig zijn, uit te werken, hoezeer deze Congresuitspraak door de Regering veronachtzaamd Is.

Wat de tweede resolutie betreft (17 Jan. 1949), hiervan noem ik nu alleen maar: „herstel van de volledige bewegingsvrijheid van de Republikeinse leiders en het voeren van hernieuwd overleg met deze”;

„herstel van de Republiek als autonome eenheid”. (Tweede resolutie Vos, 1388 stemmen voor, 1324 stemmen tegen, 88 stemmen blanco). Nu weet ik wel, dat het Partijbestuur deze motie afgeraden heeft, maar de meerderheid van het Congres, hoe klein ook, oordeelde anders.

Ik doe geen verwijten; ik constateer slechts, dat de strekking der regeringsmaatregelen de andere kant heenwijst en men late zich niet van de wijs brengen door wat de verre toekomst wellicht nog opievert, maar de resolutie wenste vanzelfsprekend een verwerkelijking van deze doeleinden op korte termijn. Ik zie daar niets van; wel weet ik, dat nog steeds onze fractie, bij monde van haar voorzitter, van harte achter deze regering staat. Dat kó,n! (zie de spelregels hierboven!)

Er bestaat in onze partij een treffende

eenstemmigheid over de doeleinden der Indonesië-politiek. Wij zijn alleen vóór liquidatie der koloniale verhoudingen, vóór erkenning der realiteit van het revolutionnair gebeuren daarginds, vóór een samengaan der beide landen in een geest van vrij willig-aan vaarde saamhorigheid. Als socialisten zijn wij degenen, die het minst beschroomd staan tegenover het prijsgeven der souvereine rechten, en het meest open voor het goede recht van internationale ordening. En als onze partij gefaald heeft, dan is het in het ontwikkelen van kracht en in de keuze der middelen ter bereiking van dit ideaal. Men kan daar treffende bladzijden over lezen in het boek van De Kadt. Hoezeer onze invloed getaand is, laat zich aflezen aan de elkaar opvolgende ministers van Overzeese Gebiedsdelen Logemann, Jonkman, Sassen, Van Maarseveen. (De laatste zal of heb ik het mis in de geschiedenisboekjes der toekomst gekenschetst worden als de minister van het „onaanvaardbaar”, gezegd n.a.v. de resolutie van de Veiligheidsraad, die niet zo erg onaanvaardbaar was.)

Na deze bladzijde harde feiten, een persoonlijk oordeel: het doek is opgegaan voor het laatste bedrijf „der Indonesische tragedie, dit treurspel der gemiste kansen”. Aan de geschiedenis blijve voorbehouden de vraag, of dit bedrijf begon met het einde der debatten over de Indonesische begroting in de Tweede Kamer, of met de daaropvolgende bekendmaking van het zgn. plan-Beel.

Er doet zich nu een merkwaardig feit voor. Terwiji de fractie-voorzitter der K.V.P. zijn oordeel over het plan-Beel had opgeschort, tot Zaterdag 11. (5-III) en dan ten slotte in de raadseiachtige stijl, hem eigen, ja en neen zegt (De Volkskrant van 5-IH), heeft onze krant (H.V.V. van 28-II) aanstonds zijn sympathie voor het plan uitgesproken en heeft nu ook onze fractie-voorzitter (H.V.V. van 5-III) het doorgaan der Rondetafelconferentie liefst mèt, desnoods zónder Republikeinen bepleit.

Let nu op wat er in het r.k. kamp gebeurt: daar heeft de fractie-voorzitter een felle critiek te doorstaan gehad op de partijraad bij monde van de heer Sybesma. Deze critiek was in wezen vrijwel eensluidend, voor zover men uit hun bladen kan nagaan, met die van de meerderheid in onze partij (zie de Volkskrant van 28-11), en met geheime sympathie (De Tijd, 28-11). Ze kreeg

bij de stemming over een motie van goedkeuring geen voeten aan de grond (geen tegenstemmen, drie onthoudingen) maar men zou zo zeggen (zie het zwijgen van Rommel): zonder effect was deze critiek niet. Voor een buitenstaander lijkt het er op, of prof. Romme, vermoeid van het kijken naar Welter, nu eens naar de andere kant van zijn partij gaat kijken. Deze andere kant is roerig. De Tijd publiceert diezelfde week een nadrukkelijke en uitvoerige critiek op het plan-Beel, waarin ze begrip toonde voor de voorzichtige houding der Republikeinse leiders (waar het Parool (28-11) niets van begreep), hun vrijlating en terugkeer naar Djokja bepleitte en meer respect vroeg voor de Veiligheidsraad (het duidelijkst 5-111, maar reeds 3-111 en 28-11). Voeg daaraan toe de zeer deskundige en overtuigende critiek van Van Mook in Parool, N.R.C. (3-III), door onze fractievoorzitter met een Frans grapje gekleineerd, niet weerlegd. (Een Frans grapje overigens, dat licht tegen hemzelf kan gekeerd worden.)

Nog veel krasser laat zich het in r.k. kringen niet geheel onbelangrijke weekblad „De Linie” van deze week uit. Ze valt de visie van De Kadt bij en laadt de volle schuld der mislukking onzer Indonesische politiek op de arme rug van de K.V.P. Het is niet onmogelijk, dat de K.V.P. in dit laatste bedrijf het initiatief neemt tot een progressieve politiek in zake Indonesië en ernst gaat maken met de resolutie van ons tweede Partijcongres i.z. de echte vrijlating van de Republikeinse leiders, herstel van de Republiek als autonome eenheid en meer overleg met de Veiligheidsraad en Commissie voor Goede Diensten.

Ik voor mij ken geen „Ronde Tafel met een gat” (titel van het artikel van mr M. van der Goes van Naters). Zo’n tafel is niet meer rond, m.a.w. wat voor nut heeft zo’n conferentie, waar één der partijen, waar het juist om gaat, niet mee aanzit. Moet er dan weer gedelibereerd worden over hen maar zonder hen, terwijl ondertussen zij met de C. v. G. D. beraadslagen over ons, maar zonder ons. Als het niet zo treurig was, zou het grappig zijn om te denken, dat de conferentie as. Zaterdag 12 Maart al beginnen moet m Den Haag! Ik kan dan ook het pian-Beel moeilijk bijvallen, nog meer om wat ik er in mis, dan om wat er wél in staat, maar moeilijk uitvoerbaar lijkt (zie V. Mook, Parool).

Maar bovenal: ik persoonlijk zou het betreuren als onze partij ook dit nog verloor: de eer van, hoe gebrekkig dan ook, voorop te hebben gestaan in de strijd voor de onvoorwaardelijke verwerkelijking der Koninklijke Boodschap van 7 Dec. 1942, in de strijd voor de van harte gegunde vrijheid der Indonesische broedervolkeren.

J. G. BOMHOFF.