is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1949, no 25, 19-03-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Heer j behoort de aarde J en haar Ê volheid. j Psalm 24 ■ 1 jT

Tyd en Taah

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR. EVANGELIE EN SOCIALISME

TEVENS ORGAAN VAN DE PROTESTANTS CHRISTELIJKE WERKGEMEENSCHAP

Zaterdag 19 Maart 1949 No. 25 Verschijnt 50 maal per jaar 47ste jaargang van de Blijde Wereld « Redactie Prof. dr W. Banning Ds J. J. Buskes Jr Ds L. H. Ruitenberg Mr G. E. V. Walsum Secr. der redactie: J. G. Bomhoff, Roerstraat 48111

A’damsZ. Tel. 24386

Ahnn.bivooruitb,Lftrf<u>r fB.OO, halfjaar f 4.2 i, kwart. f2.}o plus f 0.1 i incasso. Losse nrs fo.l>, 21876, Cm. giro V 4}oo, Adm. N.K De Arbeiderspers, Hekelveld li. A'dam-C

„ O rechters, buigt het recht niet krom.

De opvoering van de Thomas More van Henr. Roland Holst heeft ons niet alleen op de avond van de voorstelling zelf diep gegrepen, maar ook nog dagen daarna mede ons denken bepaald. Ik begeef mij niet in overwegingen van aestetische aard, weet mij op dat terrein volkomen onbevoegd. Maar is het alleen toeval, gevolg van mijn toevallige geaardheid, of is hier een algemeen verschijnsel openbaar geworden? enkele regels uit dit treurspel kan ik niet kwijt raken, en zij verbinden zich in mijn geest voortdurend met feiten om en uit het Indonesisch gebeuren.

Merkwaardig: er ligt een enorme afstand tussen 1912 toen Thomas More verscheen, en 1949, toen hij voor het eerst werd gespeeld. Twee wereldoorlogen met hun millioenen geofferden; de Russische revolutie, die machtiger dan welk ander politiek gebeuren, de volkeren van heel de aarde in beweging heeft gebracht, hetzij tot vurige bewondering hetzij tot felle af weer; de opkomst van nationaal-socialisme en fascisme, met de bittere nederlagen van de sociaal-democratie in de landen van Midden-Eiuropa; de teisterende werkloosheid, die de democratie niet vermocht te bedwingen, laat staan te voorkomen; en nu, na de bevrijding, veel mislukking en onmacht van wie om vernieuwing streden. Er ligt niet alleen een afstand in tijd tussen 1912 en 1949 maar een zee van leed, misdaad, gemeenheid, lafheid en verraad ook aan hoge idealen...

De dichteres is veranderd, en wij met haar. Het prachtige van dit stuk nog eens: los van alle aestetische waardering is voor mi), dat het ook nu diep ontroert, omdat het appelleert aan fundamentele, ik zeg: eeuwige momenten uit het hart der ploeterende, tobbende mensheid. Niet gaarne zou ik nu willen uitmaken, wat mij weleer het sterkst ontroerde. Laat mij eenvoudig zeggen, hoe ik het thans ervaar: niet meer de visie van het schoon Utopia, van het zon- en schaduwbeminde eiland van geluk, dat drijft de vloed ver over

de glinsterende zeeën, verder weg dan het avondland..., niet meer de droom van een heilstaat vervult ons thans met tintelend geluk; maar het vaste van Thomas More, dat het recht niet mag worden geschonden, dat geen trouw mag binden in het slechte, dat gewetens niet zijn gelijk aren, buigend alle naar één zijde voor de wind dót diepe zedelijk-godsdienstige weten van een trouw aan God boven alle dingen, óók het leven dat sprak nu aan... en het vulde onze harten zowel met schaamte als blijde zekerheid...

Vaiimorgen bracht mijn dagblad de officiële berichten van de officiële regering van Indonesië, het antwoord op de mededelingen die zich in Nederland steeds meer ophopen en verbreiden, over de gruwelen, die door „onze jongens over zee” zouden zijn verricht. Blijkbaar is ook tot Batavia doorgedrongen, dat er een diepe verontrusting zich van ons volk meester maakt... Nu komt de geruststelling: „Niets gebleken van beweerde gruwelen”. „Daders steeds streng vervolgd”. Vreemd, dat er geen gruwelen zijn gepleegd, en toch daders worden vervolgd, nog wel „steeds” en nog wel „streng” rekent men al, dat wij zó in ons land critisch zijn afgestompt, dat wij deze logica slikken?

„Grootst mogelijke zorg”... Het hele verhaal sladt mij met een mateloze bitterheid. Laat ons toch eindelijk kerels zijn, gij mijne heren in Batavia vooral, en paai ons volk niet met smoesjes. Zeg, dat oorlog nu eenmaal oorlog is, en dus zijn onverbiddelijke wreedheden meebrengt; zeg, dat een guerlilla-oorlog een van de gemeenste vormen van oorlog is, en dat gij daartegen met de uiterste middelen moét optreden zeg, dat onze jongens ook maar mensen zijn, en dat het militair bedrijf in de mens gemakkelijk het beest wakker roept, en zeg er dan bij, dat gij wel uw best wilt doen om gruwelen tegen te gaan, maar dat ook gij machteloos staat in veel gevallen dan zijt gij ten minste kerels voor wie wij nog de eer-

bied kunnen hebben, die de eerlijkheid afdwingt. Was het niet Montgomery, die zeide, dat'de oorlog een smerige zaak was, die nu eenmaal gedaan moet worden? Dat was, hoe men er verder over denken moge, in elk geval eerlijk...

De bitterheid echter, die mijn hart vervult bij het lezen van de officiële ontkenning van gruweidaden, heeft dieper oorsprong. De oorlog in Indonesië wordt gevoerd op last van een regering, waarvan één onzer besten minister-president is. Ik vergeet geen ogenblik, dat wij in een coalitiekabinet zitten, noch dat de meerderheid van ons volk ons niet tot de toonaangevende partij heeft willen maken ik aanvaard, dat wij dus geen voluit socialistische politiek kunnen voeren; ik wil ook aanvaarden, dat dit mee willen regeren in deze situatie voortkomt uit sterk verantwoordelijkheidsgevoel. Ik heb Thomas More horen zeggen: „in ’t grote woelen van onze aardse waatren vloeien recht en onrecht nu alle dagen dooreen. Er zijn geen vlekkeloze zaken om voor te leven en te sterven” het is waar, smartelijk wddr. Ook het socialisme waarvoor wij strijden, is geen vlekkeloze zaak. Maar ik kom niet los, en ik wil niet los komen van dat andere Morewoord, dat ik nu voor onze situatie wat verander: „Regering, buig het recht niet krom...” want dddraan sterft het socialisme.

Ik weet, dat is geen politiek advies ik vermeet mij ook niet aan de regering politieke adviezen te geven. Ik behoor tot die tienduizenden in ons land, in onze Partij, die het socialisme hebben verdedigd en geloofd, niet als een Utopia, een heilstaat van zondeloosheid, maar als de vurige wil tot recht en gerechtigheid te midden van alle zonde. Wij zouden best over politieke mislukkingen en nederlagen heenkomen; ik voel mij in mijn diepste wezen ook niet geschokt als wij of de onzen fouten begaan, zelfs enorme daaraan zou onze solidariteit met de beweging eer groeien dan verzwakken. Het falen in een uiterst moeilijke politieke situatie behoeft nog lüet een definitief oordeel te zijn. Maar het is onverdraaglijk ach niet voor mij als enkeling, en evenmin voor een groep, maar voor het hart van het socialisme zelf, wanneer er gezwegen wordt bij onrecht en misdaad, en het volk met smoesjes bedrogen wordt, mede in onze naam.

De Thomas More is opgevoerd, omdat H. R. H. dit jaar tachtig wordt. Als weldra de dood haar van ons weg zal nemen, zal dit haar onsterfelijke verdienste blijven: dat zij dwars door alle partijen heen het hart van het socialisme heeft doen spreken en zingen met hddr hart: o socialisten, buig het recht niet krom... Zij moge nü nog weten, dat wij haar daarom zien als een zuil van licht in het donker der 20e eeuw. W. B.