is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1949, no 25, 19-03-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BOODSCHAP VAN DE CLASSIS SNEEK

In de afgelopen week kregen wij een stuk van de Classis Sneek over politiek. Dus grijpen wij er gretig naar.

Sneek ligt in Friesland. Ik wil niet zeggen, dat het in het hart van Friesland ligt, want dan worden de Grouwsters boos. Maar dat het in Friesland ligt, zegt voldoende.

De „buitengewesten” (van Holland uit!) nu worden bediend door hoofdzakelijk jongere predikanten. En deze jongere predikanten zitten voor grote moeilijkheden. Zij hebben iets of veel begrepen van wat de Hervormde Kerk bedoelde in en vlak na de oorlogstijd met de „nieuwe koers”, met gemeenteopbouw. Dat betekent een openheid voor allerlei problemen en posities, die vroeger niet boven de horizon kwamen. Zij hebben iets gezien van de geestelijke bedreigingen die uit onze cultuur opkomen en ze hebben begrepen, dat hun kerk niet behoorlijk is toegerust om hierin staande te blijven. Het oude recept van christelijke scholen en christelijke partijen wekt op z’n minst minder vertrouwen. Sommigen willen er helemaal niet mee werken; anderen werken er mee, maar dan toch zonder veel geloof en met open oog voor andere mogelijkheden. Vele gemeenteleden en gemeenten, vooral rechtzinnige gemeenten, zien dat minder. Zij verontrusten zich over de felheid van sommigen hunner voorgangers, over de aarzeling, die anderen aan den dag leggen. En een verontruste Fries gaat denken. Hij wil persoonlijk kiezen. Hij wil niet leidzaam volgen, maar weten waarom hij, hij persoonlijk, ja of neen moet zeggen. Daar komt bij, dat hij zijn Kerk liefheeft. Zij is ook, als overal, een sociaal instituut; een middelpunt van het dorp. Maar zij is tevens en dat vindt men niet overal in zulk een sterke mate een gestalte van zijn geloof. Dat geldt zowel voor Hervormden, voor Gereformeerden als voor Doopsgezinden. Er wordt dus over gesproken; er wordt een kwestie van gemaakt. „Ik zal het maar ronduit zeggen”, zegt hij. En het ene woord lokt het andere. Een woord, eenmaal gesproken, is voor een Fries een ding geworden, waar hij moeilijk meer van loskomt. En zo dreigt vervreemding onder hen, die tot één gemeente behoren.

Dat is in vroeger jaren ook al meer gezien. De strijd voor of tegen de doleantie was ongemeen fel; de richtingsstrijd soms zonder erbarmen. Niet, omdat de Fries ongevoelig is. Integendeel: juist omdat hij het is. Omdat de zaak zijn hart heeft. Ziehier de psychologische achtergrond van en de aanleiding tot de „Boodschap van het Classikaal Bestuur van Sneek” van Januari 1949, ondertekend door alle 10 de leden, gezonden naar alle onder de classis ressorterende kerkeraden. Met de bedoeling om besproken te worden in de kerkeraden.

Het is een goed stuk geworden. Helaas te lang om hier af te drukken en ook te zwaar met bijbelse, kerkelijke termen geladen om

voor de „buitenstaander” direct begrijpelijk te zijn.

Maar ik wil toch in eigen woorden de strekking ervan weergeven. Als volgt:

Er openbaren zich spanningen en verwijdering vanwege politieke partijschappen. Hierdoor dreigt verscheuring van de eenheid in Christus geschonken. Oók dreigt het uitdoven van de verwachting van de komst van Gods Koninkrijk als de grote Dag.

Deze verduistering is een zonde. Die zonde moet gezien en beleden worden. En de kerk moet de weg ter bekering, in deze boodschap gewezen, gaan.

Volgens de Bijbel is de kerk de gemeenschap van mensen, die God in deze wereld rondom Jezus Christus vergadert. Deze gemeenschap is niet een eenheid, omdat mensen het eens geworden zijn maar omdat Jezus Christus voor al deze mensen, hoe verscheiden zij ook zijn, gestorvep en opgestaan is.

Deze kerk is een vooruitgeschoven post van Gods verlossingswerk in deze wereld. Daarom leeft de gemeente aan de grens van de wereld, aan de rand van de tijd. Tegelijkertijd staat zij midden in deze wereld om van de eenheid te getuigen.

Zoals het met de kerk staat, zo staat het ook met ieder christen afzonderlijk. Hij ziet het nieuwe, maar hij leeft in het oude dat voorbijgaat. Dat geeft spanning. Die spanning mag hij niet ontvluchten door óf op de komende wereld vooruit te lopen óf met grote hartstocht in de huidige wereld op te gaan. Hij mag niet tot hemeldromen zijn toevlucht nemen en evenmin in aardse activiteiten opgaan. Hij moet ten volle zijn verantwoordelijkheid in deze wereld dragen. Maar steeds als burger van een komend Rijk.

De christen staat dus ook in staat en maatschappij. Ook daar heeft hij zijn verantwoordelijkheid. In gehoorzaamheid aan Christus. Geroepen tot dienst aan de naaste.

Nu menen sommige christenen op het terrein van de politiek zich te moeten verenigen in eigen organisatorisch verband, anderen menen zich te moeten voegen bij een algemene partij. Deze keuze is een taak, die iedere gelovige met zijn Heer moet uitmaken. Hij mag hierbij echter nimmer vergeten, dat élke partij behoort tot de „dingen die voorbijgaan” en dat dus geen enkele partij vereenzelvigd mag worden met de gemeente, die de belofte der eeuwigheid heeft.

Het is dus mogelijk, dat wij als gelovigen, die door Christus in de onverbrekelijke eenheid der gemeente zijn gesteld, toch op politiek terrein verschillende wegen gaan, omdat de menselijke verscheidenheid en beperktheid tot onderscheiden inzicht en keuze kan voeren. Wij moeten er voor zorgen, dat geen enkele politieke groep ons zo in de macht krijgt, dat wij vanuit deze

aardse gemeenschap zouden gaan denken, handelen en oordelen.

De politiek Is voor elke gelovige een heilige zaak. Maar te gelijk als wereldse aangelegenheid een gevaarlijke zaak. Voortdurend dreigt de verzoeking, dat de aardse gemeenschappen voor hen maatgevend gaan worden, in plaats van de ene gemeenschap, waarin Jezus Christus hen samenbracht. De verwarringen zijn ontstaan, omdat de gemeenten in deze verzoeking zijn vervallen. Zij hebben wereldse normen en wereldse machten tot gelding laten komen. De gemeenteleden zien niet meer vanuit de kerk de politiek als een brokje wereld, maar zij zien de kerk vanuit de politiek en bepalen elkanders kerkelijke zuiverheid naar de politieke overtuiging. Zo breekt de eenheid der gemeente; zo verflauwt de verwachting van de toekomst des Heren.

Er is maar één uitweg: zich radicaal bekeren tot het waarachtig gemeente-van-Christus-zijn.

Tot zover het stuk.

Wij kunnen ons erover verheugen. Ook al zouden wij hier en daar vragen willen stellen. Deze verheugenis vindt zijn grond hierin, dat de kern van de kwestie wordt geraakt: de kerk is geen vereniging, en een vereniging is géén kerk. Hier is bovendien niet gesproken van een afstand-nemen tot de wereld, die maakt, dat de politiek een onbelangrijke zaak zou worden. Het aanpolitiek-doen is als het ware de christen opgelegd. Zo is het ook.

Wel willen wij vragen stellen.

Ten eerste dit: wanneer de verhouding kerk—politiek duidelijk gemaakt is, is men dan klaar? Ik geloof, dat hoe dan ook uitgedrukt de overtuiging van het Cl. Best. van Sneek wel breed in de Hervormde Kerk leeft. Maar de moeilijkheid komt eerst, als nu het verschil in keuze aan den dag treedt. Als de één christelijk-historisch kiest en de ander Partij van de Arbeid. Zeker, men beslist op eigen verantwoordelijkheid en naar eigen geweten, zo staat er. Maar de een is vreemd tegenover de beslissing van de ander. Die vreemdheid moet opgeruimd worden. In het hart der gemeente moet duidelijk worden, waarom de ene broeder zo en de andere broeder wat anders kiest. Want die persoonlijke keuze gaat niet buiten het geloof om. Dat moet men niet alleen formeel van elkander weten en dulden, maar ook met de ander mee kunnen denken. Zo alleen kan de echte verdraagzaamheid ontstaan.

Ik heb het gevoel, dat met dit stuk, zeer nuttig, het puin is opgeruimd en de fundamenten bloot komen. Maar nu zal de gemeente met haar belangstelling de kiezende, de worstelende, de peinzende moeten begeleiden met zijn belangstelling. Dat is de noodzakelijke volgende stap.

En ten tweede: de grote nood komt eerst recht, wanneer de gemeente als geheel, wanneer de Kerk haar stem moet laten horen over een concreet punt, een pijnlijke beslissing. Ik denk aan de vragen rondom Indonesië. Nu is het goed, dat men dan eerst, zoals de Sneker boodschap deed, het voorwerk verricht, en men weet, in wat voor klimaat de Kerk over maatschappij en staat spreekt maar dan zal men toch, hof nen ook verder staat, iets gezamenlijk moeten zeggen. En daarvoor is véél politieke doordenking nodig; kennis van de problemen; begrip voor de grote lijnen. Daarom hoop ik zeer, dat dit stuk in de kerk, in alle kerken bekend wordt. Maar dat men dan niet een punt zet en zegt: „hè, hè”, maar dat men de mouwen opstroopt en gaat zeggen: „nu aan het werlj. Nu begint het pas.” L. H. RUITENBERG.